pws_stap1

Stap 1: op weg naar een onderzoeksvraag. Oriënteer je, en ontdek wat jou interesseert!

Keuze uit vier invalshoeken en vele onderzoeksthema’s

Je kunt vanuit veel verschillende invalshoeken onderzoek doen naar literatuur. We hebben er vier gekozen die het meest relevant, interessant en actueel zijn. Klik je op de onderstaande keuzes voor invalshoeken, dan verschijnen er korte inleidingen op onderzoeksthema’s. Vanuit die inleidingen kun je naar stap 2 (=het kiezen van specifieke onderzoeksvraag en bronnen). 

Mogelijk wil je vooral vragen stellen over de relatie tussen media en literatuur: begrijpen lezers een boek dat voorgelezen wordt anders dan een boek dat zij zelf lezen? Of: zijn we anders gaan lezen sinds de komst van digitale media?

Onderzoek naar literatuur in het (digitale) mediatijdperk

Hoe kom jij te weten of er een interessante nieuwe Nederlandse roman verschenen is? Of dat er een nieuwe Nederlandse schrijver is als Özcan Akyol, die in 2012 iedereen verraste met zijn debuutroman Eus? Grote kans dat dat gebeurt via andere media dan het boek. Dat je het boek pas via bijvoorbeeld de bibliotheek of de boekwinkel in handen krijgt als je er in andere media/praatprogramma’s op de televisie, of vlogs op YouTube al iets over gehoord of gezien hebt.

In het artikel ‘De literaire schrijver in het mediatijdperk’ (in: Diggit Magazine, 22 november 2016) poneert literatuuronderzoeker Sander Bax de stelling dat moderne Nederlandse auteurs het zonder aanwezigheid in de (digitale) media niet meer redden: ‘Hedendaagse schrijvers verdienen hun reputatie grotendeels in het publieke domein: ze verschijnen op televisie, schrijven voor kranten, gaan de theaters in, de festivals af en gebruiken verschillende sociale media’. Bax gaat daarbij uit van de theorie van Pierre Bourdieu, die stelde dat moderne literatuur een eigen, ‘autonoom’ veld vormt dat zich los van de rest van de maatschappij ontwikkelt – daarover kun je hier meer lezen. Dat auteurs zich nu in de massamedia (en dus in de hele maatschappij, en niet in het afgezonderde literaire veld) moeten begeven, zou volgens Bax spanning opleveren: de wat elitaire literatuur begeeft zich in het domein van de populaire cultuur, en met welke gevolgen?

In het verlengde van dit artikel kun je een aantal onderzoeksvragen bedenken. We geven hieronder ideeën voor je tweede stap. Let op, stap 2 leidt naar nog steeds hele grote en algemene vragen die je voor je profielwerkstuk nog zult moeten inperken en verkleinen, bijvoorbeeld door te kiezen voor een bepaalde uitgeverij, een bepaald digitaal medium, een bepaalde auteur, een bepaalde stad of bepaalde periode. Ook zul je je hoofdvraag moeten opsplitsen in deelvragen, zodat je je onderzoek in delen uit kunt voeren.

Onderzoek naar effecten van e-books en e-readers op leesgedrag

Lees je wel eens een e-boek? Of een artikel op je smartphone? Nog altijd geven veel mensen aan dat ze boeken het liefste op papier lezen, en dat ze langere artikelen printen omdat lezen van het scherm voor hen vermoeiend en afleidend is. Maar waarom is dat eigenlijk zo? Houden we niet zo van verandering en houden mensen die van papier hebben leren lezen, daaraan vast omdat ze eraan gewend zijn? In dat geval is er mogelijk een verschil tussen jouw leeswijze en die van je (groot)-ouders. Maar het is ook denkbaar dat een scherm daadwerkelijk een andere manier van lezen activeert, ongeacht leeftijd. In dat geval lees ook jij langere teksten misschien wel liever in papieren vorm. Het verschil in leeservaring dat papier en elektronica bieden, roept nog andere vragen op: kun je je net zo verliezen in een spannend e-boek als in de papieren versie van de roman? Is een nieuwsbericht minder geloofwaardig als dat op een website gepubliceerd wordt dan in een papieren krant?

Zulke vragen veronderstellen dat nieuwe mediatechnologie invloed heeft op onze beleving van de informatie en verhalen die we aangereikt krijgen via die media. Dat is dan niet voor het eerst. De meest recente mediarevolutie is die van het internet en de smartphone, maar eeuwen geleden hadden uitvindingen als de boekdrukkunst, de krant, de telefoon en het goedkope pocketboek ingrijpende en soms ontwrichtende uitwerkingen op leesprocessen.

Arjen Mulder beschrijft in het artikel, ‘Mediatheorie van het ebook‘ (in: Tijdschrift voor Mediageschiedenis 19 (2016), 1-7) een ‘participerend onderzoek’ naar de effecten van het gebruik van een e-reader op het lezen. Mulder plaatst zijn onderzoek tegen de achtergrond van McLuhans theorie over ‘the medium is the message’. Die theorie poneert dat media/technologieën grote invloed hebben op de manier waarop de inhoud van een bericht op ons inwerkt. Zie hier een korte versie van McLuhans theorie (in: Media and Cultural Studies: Keyworks, red. Meenakshi Gigi Durham en Douglas M. Kellner (Oxford 2006, 107-116)).

Mulder zoekt antwoord op de vraag of andere technologie ook tot ander leesgedrag leidt. Je kunt dit onderzoek reproduceren (exact zo nadoen), om te zien of jij op dezelfde resultaten uit zou komen. Maar je kunt het ook gebruiken als bron van inspiratie, om andere aspecten van het gebruik van een e-reader te onderzoeken, al dan niet in de vorm van een participerend onderzoek.

We geven hieronder een aantal ideeën. Let op, stap 2 leidt naar  nog steeds hele grote en algemene vragen die je voor je profielwerkstuk nog zult moeten inperken en verkleinen, bijvoorbeeld door te kiezen voor een bepaald boek, een aantal e-readers, een bepaalde soort lezen, of een bepaalde groep leerlingen. Ook zul je je hoofdvraag moeten opsplitsen in deelvragen, zodat je je onderzoek in delen uit kunt voeren:

Onderzoek naar multimediale literatuur

Misschien heb je je wel eens afgevraagd waarom boeken, zodra ze voor volwassenen bedoeld zijn, alleen nog maar lijken te bestaan uit een verzameling bladzijden met tekst die de lezer netjes achter elkaar dient te lezen. Je kinderboeken zagen er vast heel anders uit: die hadden uitvouwbare pagina’s, of pagina’s met gaten erin, of pagina’s die een muziekje laten horen als je ze open deed . Waarom stopt al die speelsheid zodra boeken voor volwassenen worden gemaakt?

Maar is dat wel het geval? Sinds er boeken voor volwassenen gemaakt worden, zijn er ook producenten – bijvoorbeeld middeleeuwse monniken die handschriften kopieerden, of de eerste vroegmoderne boekdrukkers – die in de vormgeving van teksten voor volwassenen naar speelsheid streefden, met het doel het leesproces te beïnvloeden en te veraangenamen en verdiepen.

In veel gevallen betekende dit dat boeken ‘multimediaal’ werden: naast teksten bevatten ze ook afbeeldingen, spelletjes of muziek. Nelleke Moser bespreekt in het artikel ‘Bedekte letters, betere lezers: Schijnbedriegers in boekvorm als vehikels voor verlichtingsdenken’ (in: Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis 22 (2015), 160-186) bijvoorbeeld een achttiende-eeuws boek dat eruit ziet alsof het gedrukt is, maar in feite met de hand geschreven is door de schrijfmeester Cryn van Zuyderhoudt. Op heel veel pagina’s vind je over de tekst heen afbeeldingen geplaatst, die de tekst een gelaagde betekenis geven: zo staat over een psalm een afbeelding van een andere pagina heen, waarop nog net het woord ‘Verlicht’ te lezen is: een teken dat Van Zuyderhoudt stelling nam in het achttiende-eeuwse Verlichtingsdebat over de betekenis van ratio versus religie:


Bekijk hier het hele boek digitaal.

Kiene Brillenburg Wurth biedt in dit openbare college (haar oratie als hoogleraar), Het schrijven aan de wand: literatuur in de toekomst(Utrecht 2015), een theoretisch kader en concept van Jerome McGann aan – deformantie (deformance) – om te beschrijven wat er in dergelijke gevallen gebeurt.  Doordat een maker speelt met de materiële vorm van de tekst, gaat de lezer niet lineair lezen (woord voor woord) maar wordt zij uitgenodigd om bijvoorbeeld kriskras over een pagina te gaan, of terug te bladeren. McGann betoogt dat lezen zo een ‘performance’ wordt, een ‘handeling’, of een ‘opvoering’ van wat de tekst wil overbrengen. Hij stelt ook dat deze vorm van lezen al heel lang bestaat; voor de twintigste-eeuwse poëzie van avant-garde dichters zoals Paul van Ostaijen bijvoorbeeld, die met de niet-lineaire opmaak van hun teksten dergelijke vormen van lezen ook afdwingen (zie: Jerome McGann, Radiant Textuality. Literature after the World Wide Web (Londen en New York 2001)).

Bron: Paul van Ostaijen, Verzamelde gedichten. (Verzameld werk deel 1 + 2) Gerrit Borgers (red.) (Amsterdam 1996; dertiende druk).

Moderne, digitale media bieden nog veel meer mogelijkheden en die nieuwe vormen van literatuur roepen tal van vragen op. We doen je hier enkele handreikingen. Let op, stap 2 leidt naar hele algemene vragen die je nog verder zult moeten verfijnen en inperken voor je profielwerkstuk:

Misschien interesseert het je vooral hoe lezers zich in boeken kunnen verliezen, en hun identiteit ontlenen aan wat ze lezen. Dan zie je mogelijk wat in vragen als: zijn personages in zogenaamde ‘migrantenliteratuur’ anders dan personages in boeken geschreven door auteurs die geen migratieachtergrond hebben? 

Onderzoek naar groepsidentiteiten en literatuur

Heb je je wel eens afgevraagd waarom je bepaalde Nederlandse romans uitgekozen hebt om te lezen, bijvoorbeeld toen je voor je leeslijst een selectie maakte uit Lezen voor de lijst, of als je in de bibliotheek een boek uitzocht om mee te nemen op vakantie? Keek je bij het uitzoeken bijvoorbeeld naar de leeftijd van de personages die in het boek voorkomen? Of naar de verhaallijn, of naar de tijd waarin het verhaal zich afspeelt?

Een factor die ook meespeelt, is ‘de groep waartoe je behoort’. Lezen doe je niet alleen, er zijn vaak duizenden zo niet honderdduizenden lezers die hetzelfde boek lezen. Misschien was je je daarvan al bewust, omdat je op bovenstaande vragen iets antwoordde als ‘omdat een vriend of vriendin me het boek aanraadde’. Voor literatuuronderzoekers zijn die groepen lezers zeer interessant en tegelijk ook problematisch.

Ze zijn interessant omdat ze een groep vormen. De onderzoeker Benedict Anderson heeft daarvoor de term ‘imagined communities‘ bedacht: denkbeeldige groepen van mensen die elkaar niet kennen maar omdat ze bepaalde informatie, gevoelens en denkbeelden delen die ze uit gedeelde tradities, symbolen maar ook boeken hebben gehaald, toch onderling verbonden zijn. Die groepsvorming biedt mogelijkheden: zo ziet de filosofe Martha Nussbaum groepsvorming door onder andere het lezen van (klassieke) teksten als een middel, of zelfs een noodzaak om democratische processen in de samenleving tot stand te laten komen. De hoofdlijnen van haar betoog vind je samengevat in deze recensie van haar boek Not for Profit: Why Democracy Needs the Humanities. Tegelijkertijd biedt die groepsvorming ook problemen, zoals Anderson signaleerde toen hij het ontstaan van die imagined communities aanwees als de oorzaak van de opkomst van het negentiende-eeuwse nationalisme dat in de twintigste eeuw in wereldoorlogen zou resulteren. Over de natievorming van Nederland en de rol van taal en literatuur vind je meer informatie in Joep Leerssens De bronnen van het vaderland. Taal, literatuur en de afbakening van Nederland, 1806-1890 (2006), en – in het kort – op literatuurgeschiedenis.nl.

We geven je wat voorbeelden van onderzoeksvragen die je over groepsidentiteiten van lezers kunt stellen. Let op, stap 2 leidt je naar nog steeds hele grote en algemene vragen die je voor je profielwerkstuk nog zult moeten inperken en verkleinen, bijvoorbeeld door te kiezen voor een bepaald boek, of (een selectie van) een bepaald soort boeken. Ook zul je je hoofdvraag moeten opsplitsen in deelvragen, zodat je je onderzoek in delen uit kunt voeren.

Onderzoek naar nationale identiteit

De Nederlandse politiek van nu wordt in belangrijke mate bepaald door nationalisme. Dat wil zeggen dat de politiek als uitgangspunt heeft dat het land Nederland een eenheid is. Dat is niet altijd zo geweest. Nationalisme kwam in Europa op aan het begin van de 19e eeuw. Cultuurhistoricus Joep Leerssen liet zien dat toen al langer levende ‘national thoughts’ (beelden die men had over het onderscheid tussen landen) uitgroeiden tot ‘nationalism’ (een politiek gebaseerd op idealen van nationale eenheid). Landen gingen zichzelf begin 19e eeuw beschouwen als ‘naties’. Benedict Anderson typeerde die als ‘verbeelde gemeenschappen’: als fictieve gemeenschappen van inwoners van een land die zich onderling verbonden voelen. Teksten spelen in het verbeelden van die gemeenschappen een grote rol. Denk maar even aan de eerste regel van het huidige Nederlandse volkslied, het Wilhelmus: ‘ben ik van Duitse bloed’. Zo’n zin maakt concreet dat er verschil is tussen degenen die wel en niet bij Nederland horen. Voor literatuuronderzoekers zijn dergelijke teksten interessant onderzoeksmateriaal. Ze willen weten hoe die teksten als een soort nationaal symbool (vergelijkbaar met bijvoorbeeld een nationale vlag) de eenheid in een natie bevorderen of in stand houden.

We geven je enkele suggesties voor specifiekere onderwerpen. Let op, stap 2 leidt je naar nog steeds hele grote en algemene vragen die je voor je profielwerkstuk nog zult moeten inperken en verkleinen, bijvoorbeeld door te kiezen voor een bepaald boek, een aantal e-readers, een bepaalde soort lezen, of een bepaalde groep leerlingen. Ook zul je je hoofdvraag moeten opsplitsen in deelvragen, zodat je je onderzoek in delen kunt uitvoeren:

Onderzoek naar de identiteitsvormende werking van verbeeldingen van stad en provincie in de Nederlandse literatuur

Heb je je wel eens afgevraagd hoeveel van de moderne Nederlandse romans die je gelezen hebt zich in de stad afspelen? En wat voor rol speelt die stad dan: een grote stad waar het hoofdpersonage anoniem kan zijn, of juist een kleine stad die beklemmend werkt?

Het antwoord op de eerste vraag luidt waarschijnlijk dat het meestal een stad was die het achtergronddecor van een roman vormde. Toch zijn er de laatste jaren ook een aantal romans verschenen (Chris Stoop, Dit is mijn hof en Boven is het stil van Gerbrand Bakker bijvoorbeeld) waarin het platteland centraal stond. Nederland is al sinds de 16e eeuw een land waarin steden snel steeds dichter bevolkt raakten en een steeds groter stempel drukten op bijvoorbeeld het landschap. Niet voor niets werd het Groene Hart in de Randstad in het leven geroepen om de verdere groei van de steden daar in te perken. In het artikel ‘Ligamenten van de staat? Over regionale identiteit en de taaiheid van de provincie’ (in: BMGN-Low Countries Historical Review 118 (2008), 342-354) bespreekt historicus Maarten Duijvendak een aantal studies die kort voor 2008 verschenen, en die ingaan op de rol die regio’s/provincies spelen voor de identiteit van hun inwoners. In de eerste pagina’s van dat artikel (zie met name pagina 343-344) geeft hij heel beknopt weer hoe daar vanuit de theorie tegenaan wordt gekeken. Regionale identiteiten worden (net als alle andere identiteiten die mensen kunnen aannemen, bijvoorbeeld nationale, of stedelijke identiteiten) gezien als constructies. Het gaat om waarden die er niet zomaar zijn, maar gemaakt worden door een groep mensen. De onderzoeker Benedict Anderson heeft daarvoor de term ‘imagined communities’ bedacht: denkbeeldige groepen van mensen die elkaar niet kennen maar omdat ze bepaalde informatie, gevoelens en denkbeelden delen die ze uit gedeelde tradities en geschiedenis hebben gehaald, toch onderling verbonden zijn. Naar Anderson verwijst Duyvendak ook heel kort, hij vertaalt dan Andersons ‘imagined communities’ met ‘verbeelde gemeenschappen’. De vorming van die verbeelde identiteiten kan plaatsvinden omdat die verbeelde gemeenschappen dezelfde boeken lezen, als die boeken tenminste ingaan op de band tussen bewoners van een bepaalde stad, een bepaalde provincie of een bepaalde regio of bepaald land. Dat proces – de band met een stad, provincie of land zoals die door literatuur wordt vormgegeven – roept tal van interessante vragen op, al was het maar omdat zeker in de Nederlandse situatie het landschap vaak zo’n grote rol speelt in die identiteitsvorming. De strijd tegen de zee, de opkomst van de steden, de eindeloze verten van het vlakke platteland: beschrijvingen daarvan kunnen identiteitsvormend werken.

We doen hieronder een aantal suggesties voor specifiekere onderwerpen. Let op, stap 2 leidt je naar nog steeds hele grote en algemene vragen die je voor je profielwerkstuk nog zult moeten inperken en verkleinen, bijvoorbeeld door te kiezen voor een bepaald boek, een bepaalde stad of provincie, of een bepaalde historische periode. Ook zul je je hoofdvraag moeten opsplitsen in deelvragen, zodat je je onderzoek in delen uit kunt voeren:

Misschien gaat je interesse uit naar de manier waarop literatuur in een maatschappij functioneert en vind je een vraag in die richting interessant: waarom hebben we bijvoorbeeld sinds 2000 een ‘Dichter des Vaderlands’, welke functie heeft zo’n dichter voor de Nederlandse maatschappij? 

Onderzoek naar schrijvers in het Nederlandse straatbeeld 

Is het je wel eens opgevallen welke keuze wordt gemaakt als er een nieuwe straat naar een auteur wordt genoemd? Kiezen gemeenten dan voor een nog levende, of al overleden auteur? Is er bijvoorbeeld ergens in Nederland al een Grunbergstraat of Grunberglaan te vinden? En hoe ging dat in het verleden? Uit welke tijd stammen alle Vondel-lanen en Vondel-straten die Nederland rijk is? We zien auteurs, of liever het werk van auteurs, ook steeds vaker terug omdat er op gevels of zijmuren dichtregels worden afgebeeld. Zo staat er dit gedicht van de Zeeuwse dichteres Anneke Schenk op een muur van een huis in de Herenstraat in Middelburg:

Bron: Straatpoezie.nl

Gebeurt dat in jouw woonplaats ook? En welke auteurs en dichtregels worden dan waar afgedrukt? Deze en soortgelijke vragen zetten je op het spoor van de wens van Nederlanders – overheden, maar misschien ook wel burgers die overheden hiertoe aansporen – om het werk van Nederlandse auteurs levend te houden en/of onder de aandacht voor een groot publiek te brengen. Daarvoor worden steeds andere middelen gevonden, passend bij doelstellingen die eveneens veranderen. Amsterdam heeft met de inrichting van het Vondelpark, en de plaatsing van een standbeeld van Vondel in de negentiende eeuw vooral de naam van deze zeventiende-eeuwse auteur blijvende bekendheid willen geven. Poëzie wordt nu op gevels en muren afgedrukt om niet zozeer de naam van de dichter of dichteres, maar de teksten zelf onder een groot publiek bekend te maken.

Marco Goud schrijft in het artikel ‘Poëzie op straat in de 20e en 21e eeuw in Nederland’ (in: Neerlandistiek (2007)) hoe poëzie die zo in het straatbeeld wordt afgebeeld in feite een performance, een opvoering wordt. Hij ontleent deze terminologie aan het werk van de literatuuronderzoeker George Bornstein, die in zijn boek Material Modernism. The Politics of the Page (Cambridge 2001) laat zien hoe de materiële kenmerken (‘materialiteit’) van het medium de manier beïnvloedt waarop we die dichtregels lezen en begrijpen. Het medium van poëzie is in deze gevallen dus niet het papier van een dichtbundel, maar de muren van gebouwen of de standbeelden waarop dichtregels worden afgedrukt – zoals het Vrijheidsbeeld in New York of het Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam. We lezen die regels anders, omdat ze op een specifieke plaats en in een specifieke context afgedrukt staan, is Bornsteins theorie.

We geven hieronder wat ideeën voor onderzoek dat je zou kunnen doen naar de betekenis van de aanwezigheid van Nederlandse auteurs en hun werk in de publieke, openbare ruimte in Nederland. Let op, stap 2 leidt je naar nog steeds hele grote en algemene vragen die je voor je profielwerkstuk nog zult moeten inperken en verkleinen, bijvoorbeeld door te kiezen voor een bepaalde stad, of periode of provincie. Ook zul je je hoofdvraag moeten opsplitsen in deelvragen, zodat je je onderzoek in delen uit kunt voeren.

Onderzoek naar de vele rollen van literatuur in de Nederlandse samenleving

Is het je wel eens opgevallen dat er, als er in Nederland iets ernstigs of gedenkwaardigs gebeurt, mensen vaak op regels uit de literatuur teruggrijpen om gevoelens onder woorden te brengen? Zo citeerde Bas Eenhoorn, burgermeester van Alphen aan de Rijn toen daar in 2011 een schietdrama plaatsvond, een aantal regels van de dichter Bert Schierbeek op de avond van de schietpartij om de gevoelens van verbijstering van het hele land onder woorden te brengen:

kijk

het is veel erger

dan je denkt

als je denkt

is het nog veel erger.

Mark Rutte sprak direct na Eenhoorn, en begon zijn toespraak met de constatering dat sommige gevoelens niet onder woorden te brengen zijn. Toch probeerde Eenhoorn dat natuurlijk juist wel, het onzegbare onder woorden brengen, en hij koos literatuur, een gedicht van Bert Schierbeek op een manier die naar hij gehoopt zal hebben zoveel mogelijk mensen aansprak. Kan literatuur op zulke momenten iets wat alledaags taalgebruik niet kan?

Dit roept tal van vragen op over mogelijke rollen van literatuur in de Nederlandse samenleving. We geven hieronder wat ideeën. Let op, stap 2 leidt je naar nog steeds hele grote en algemene vragen die je voor je profielwerkstuk nog zult moeten inperken en verkleinen, bijvoorbeeld door te kiezen voor een bepaald soort literatuur, een bepaalde periode, een bepaald genre. Ook zul je je hoofdvraag moeten opsplitsen in deelvragen, zodat je je onderzoek in delen uit kunt voeren.

Onderzoek naar de betekenis van specifieke schrijvers voor de  Nederlandse samenleving

Engeland heeft Shakespeare als zijn grootste auteur, maar heb jij er wel eens over nagedacht welke Nederlandse auteur in Nederland een vergelijkbare status heeft? Hebben we wel zo’n auteur, of is het de Nederlandse samenleving eigen om van auteurs niet zulke helden te maken als Shakespeare voor de Engelsen is?

Als auteurs de status van Shakespeare krijgen, betekent dat dat ze ‘canoniek’ genoemd kunnen worden. Ze behoren tot de vaste verzameling van auteurs die door een samenleving als waardevol beschouwd worden omdat ze een bepaalde rol voor die samenleving kunnen vervullen. Denk maar aan de in Duitsland canonieke auteur Günter Grass die een belangrijk aandeel had in het bespreekbaar maken van de misdaden van Hitlers rijk. Hebben we in Nederland dergelijke schrijvers ook, en welke rol spelen ze dan?

In Op jacht naar de gezwinde grijsaard: een verkenning van Nederlandse bloemlezingen en hun betekenis voor de canonvorming van de zeventiende eeuw tot heden deed Riet Schenkeveld in 2012 verslag van een onderzoek naar het zogenaamde ‘nachleben‘ (‘het voortleven in de herinnering’) van in de Gouden Eeuw van Nederland, de zeventiende eeuw, bekende schrijvers en schrijfsters. Ze nam bloemlezing uit de achttiende, negentiende en twintigste eeuw als uitgangspunt. Welke gedichten van welke auteurs werden daarin opgenomen, en welke ontwikkelingen waren te zien? De titel van haar onderzoek verwijst naar een tegenwoordig erg bekend gedicht van Pieter Cornelisz. Hooft, diens sonnet ‘De gezwinde grijsaard’. In dat sonnet beschrijft Hooft hoe hij het verlopen van ‘tijd’ ervaart. Nu erg bekend, maar in achttiende en negentiende-eeuwse bloemlezing kwam het nauwelijks voor. Dit voorbeeld geeft aan dat canons ‘constructies’ zijn: het zijn geen vaststaande selecties, maar door de eeuwen wisselende verzamelingen die samenhangen met het beeld dat men van het verleden geeft. In het artikel ‘Neem liever een Spaans spel’. Nieuw onderzoek naar het Spaanse toneel op de Noord- en Zuidnederlandse planken in de zeventiende eeuw’ (in: De zeventiende eeuw 32 (2016), 2-11) geeft Yolanda Rodríguez Perez nog een mooi voorbeeld van de manier waarop zo’n canon geconstrueerd wordt. Toen 19e-eeuwse wetenschappers de geschiedenis van de literatuur van de Nederlandse Gouden Eeuw gingen beschrijven, noemden ze daarin niet de (grote!) invloed die de Spaanse literatuur op die literatuur had. Veel indertijd erg bekende toneelstukken waren vertalingen van bijvoorbeeld Félix Lope de Vega. Yolanda Rodríguez Perez verklaart die nauwe blik: ‘Hoe kon men accepteren dat het verguisde en tirannieke Spanje in de Gouden Eeuw een belangrijke bron van literaire invloed, inspiratie – en zelfs bewondering – was geweest?’. Liever zagen de negentiende-eeuwers die zeventiende-eeuwse canon als een uitsluitend Nederlandse, of in ieder geval geen Spaanse erfenis. Maar in werkelijkheid was het anders: het artikel ‘Spaans theater in de Amsterdamse Schouwburg (1638-1672)‘ van Frans Blom, Kim Jautze en Leonor Alvarez Frances (in: De zeventiende eeuw 32 (2016), 12-39) laat zien hoe groot het aandeel van oorspronkelijke Spaanse productie in het aanbod in die periode was.

We doen wat suggesties voor vragen rond dit onderwerp, en trekken daar ‘specifieke auteurs’ wat breder. Je kunt ook op een groep specifieke auteurs als ‘vrouwelijke schrijvers’ focussen, of op de specifieke groep ‘betaalde schrijvers’. We geven hieronder wat ideeën. Let op, stap 2 leidt je naar nog steeds hele grote en algemene vragen die je voor je profielwerkstuk nog zult moeten inperken en verkleinen, bijvoorbeeld door te kiezen voor een bepaalde auteur. Ook zul je je hoofdvraag moeten opsplitsen in deelvragen, zodat je je onderzoek in delen uit kunt voeren.

Je kunt geïnteresseerd zijn in kwaliteitscriteria voor ‘literatuur’, en dus vragen willen stellen als: wat maakt dat we de ene tekst literair noemen, en de andere niet? Of: wat maakt dat het ene boek een bestseller wordt, en het andere niet? Of, als je later bij een uitgever zou willen werken: hoe selecteren uitgevers hun (top)auteurs?

Onderzoek naar (kwalititeits)oordelen van Nederlandse lezers

Ergens in je loopbaan als middelbare scholier maak je de overstap van ‘alles mogen lezen’ naar ‘het lezen van literatuur’, voor het schoolvak Nederlands. Heb je je wel eens afgevraagd wie dat bepaalt, wat literatuur is? Wellicht zegt je docent dat je voor het vinden van een geschikt boek naar de site Lezen voor de lijst moet kijken, waar geschikte boeken naar niveau en moeilijkheidsgraad ingedeeld staan. Kies je daaruit een boek, zit je goed omdat de selectie die daar gepresenteerd wordt ‘literatuur’ mag heten. Zijn het dan lezers die bepaald hebben dat ze erop staan, hoe tellen lezersoordelen eigenlijk mee in het vellen van oordelen over de kwaliteit van boeken?

Sinds we sites hebben als Wat lees jij nu?, kunnen we die lezersoordelen beter onderzoeken. In het verleden werden discussies over boeken vaak in leesclubs gevoerd, of in onderlinge gesprekken in huiskamers, en waren ze niet goed te monitoren. Maar digitale media maken openbare groepsdiscussies mogelijk, en die kunnen we onderzoeken.

In het artikel ‘Online boekdiscussie van een afstand gelezen. Over interactieve visualisatie in de studie van correspondenties‘ (Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 129 (2013), 215-232) schetst literatuuronderzoeker Peter Boot hoe hij met een aantal digitale tools verschillende sites met lezersoordelen (waaronder naast Wat lees jij nu? ook de site van Bol.com op lezersreacties bij specifieke boeken) heeft doorzocht op bijvoorbeeld het gebruik van de ‘ik’ of ‘wij’-vorm: geven lezers hun oordelen puur vanuit eigen perspectief, of doen ze dat in de ‘wij’-vorm? Dat laatste wordt vaker gedaan door recensenten van kranten, mogelijk om te suggereren dat ze een krant-met-gezag zoals de NRC achter zich hebben staan.

Boot doet dit alles tegen de achtergrond van theorieën en methoden van de literatuurwetenschapper Franco Moretti, die de term ‘distant reading’ bedacht heeft om aan te geven dat we in dit digitale tijdperk als onderzoeker niet alleen teksten een-voor-een kunnen lezen, van dichtbij (‘close reading’), maar ook heel veel teksten tegelijk kunnen doorzoeken om patronen in die teksten te vinden. Literatuuronderzoek wordt zo kwantitatief: onderzoekers letten niet alleen op enkele, mogelijk uitzonderlijke gevallen maar overzien een groter geheel en zien wat daaraan frequent voorkomt. Nu vergt het doen van dat type onderzoek dat je grote databestanden aanlegt, zoals Boot ook in zijn artikel beschrijft. Dat gaat in het kader van je profielwerkstuk niet zo gemakkelijk – alhoewel je misschien wel in staat bent zelf van Twitter tweets te halen met lezersreacties op Nederlandse boeken met het programma Tweet Scraper en dit filmpje over het gebruik van dat programma.

We geven hieronder wat ideeën voor onderzoek dat in het verlengde van het onderzoek van Boot ligt. Let op, stap 2 leidt je naar nog steeds hele algemene vragen die je nog moet inperken:

Onderzoek naar de kwaliteit van Nederlandse kinderliteratuur

In het artikel ‘Een kroon voor Annie M.G. Schmidt. Over de kinderversjes‘ (in: Altijd acht gebleven. Over de kinderliteratuur van Annie M.G. Schmidt. Tine van Buul, Aukje Holtrop, Murk Salverda en Erna Staal (red.) (Den Haag / Amsterdam 1991, 13-31)) analyseert de literatuuronderzoeker Sötemann gedichten van Annie M.G. Schmidt. Hij doet dat met de zogenaamde ‘structuralistische methode‘, dat wil zeggen dat hij de structuur van de tekst bekijkt op zijn literaire kwaliteiten, vanuit de aanname dat literaire teksten zich kenmerken door specifieke talige constructies. Een literaire tekst is qua structuur, volgens het structuralisme, te onderscheiden van een niet-literaire tekst. Sötemann komt tot de conclusie dat Annie M.G. Schmidt qua dichterlijk talent/werkwijze niet onderdoet voor dichters die voor volwassenen schrijven. Ook vindt hij het een verdienste dat de poëzie van Schmidt over het algemeen geen moralistische boodschap heeft. Dit artikel geeft aanleiding tot aanvullende vragen over de kwaliteit van Nederlandse literatuur voor kinderen en jongeren. We doen hieronder twee suggesties. Let op, stap 2 leidt je naar algemene aanzetten. Om het onderzoek uit te voeren zul je die nog moeten toespitsen, bijvoorbeeld op een genre, auteur of tijdperk:

Onderzoek naar de kwaliteit van Nederlandse literatuur

In het artikel ‘Nederlandse vertalingen wereldwijd. Kleine landen en culturele mondialisering’ (in: Waarin een klein land. Nederlandse cultuur in internationaal verband. Johan Heilbron, Wouter de Nooy en Wilma Tichelaar (red.) (Amsterdam 1995, 206-253)) geeft de socioloog Johan Heilbron een overzicht van vertalingen die voor 1995 van Nederlandse literatuur gemaakt zijn. Duidelijk wordt dat het buitenland pas vanaf de 19e eeuw enigszins belangstelling krijgt voor die Nederlandse literatuur. Er verschijnen dan vertalingen van werk van Multatuli en Couperus. Duidelijk wordt dat daarna vertalingen van Nederlandse kinderboeken het relatief goed gaan doen (zie de populariteit van het werk van Dick Bruna), dat Duitsland het belangrijkste afnemende land is (zie de populariteit van Cees Nooteboom) en Nederland sinds circa 1954 actief het maken van vertalingen stimuleert. Deze stand van zaken roept tal van vragen op, en we doen hieronder wat suggesties voor onderzoeksvragen. Let op, stap 2 leidt je naar aanzetten die je nog verder moet verfijnen en/of inperken.

Eventueel warmdraaien in LitLab?

Mocht onderzoek doen naar literatuur nieuw voor je zijn, kun je eventueel ter voorbereiding een proef uit LitLab maken om er vertrouwd mee te raken voor je aan je profielwerkstuk begint. In de laatste stap die je in elk van die proeven neemt, vind je overigens ook ideeën die tot een profielwerkstuk uitgewerkt kunnen worden. Bij die ideeën leveren we in die proeven alleen geen tips en begeleiding voor de eerste vier stappen in je onderzoek, zoals we dat in deze handleiding wel doen. Met behulp van je docent, of door ons te mailen (info@litlab.nl) kun je ook daarmee eventueel wel aan de slag, mocht een van die onderwerpen je het meest interessant lijken. Hier vind je een overzichtje van de LitLab-proeven die bij elk van de vier invalshoeken passen:

Thema LitLab-proef
literatuur & media Boeken

Voordracht

literatuur & identiteit Nationalisme

Nederlandse volksliederen

literatuur & maatschappij Personages

Liederen van Bredero

Woordgebruik

literatuur & kwaliteitscriteria Wat is literatuur?

Speeches