Hoe werkt het?

In elke proefopstelling doorloop je 5 stappen:

  1. De voorbereiding
  2. De instrumenten
  3. Het experiment
  4. De lakmoesproef
  5. Het vrije experiment

Noteer je antwoorden op de vragen op papier of in een Word-bestand.

Succes!

Wat heb je nodig?

  • Pen en papier of een leeg Word-bestand
Ga naar stap 1

Stap 1: De voorbereiding

Wat betekent een speech voor de literatuuronderzoeker?
In deze proef gaan we kijken naar politieke speeches. Al sinds de klassieke oudheid zijn dit het soort teksten waarin auteurs en sprekers maximaal gebruik maken van stijlmiddelen om hun publiek te overtuigen. Nog altijd kun je in de politiek carrière maken als je de kunst van het spreken, en met name ook de kunst van het toepassen van stijlmiddelen beheerst. En nog altijd maken politici gebruik van stijlfiguren van klassieke redenaars als Cicero, Cato en Seneca. Zo sloot Marianne Thieme, voormalig fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren, al haar toespraken in de Tweede Kamer af met de zin ‘overigens ben ik van mening dat de bio-industrie verboden moet worden’. Ze keek die gewoonte af van Cato (234-149 voor Chr.). Deze Romeinse senator eindigde al zijn pleidooien met de zin ‘overigens ben ik van mening dat Carthago vernietigd moet worden.’ Cato kende de macht van het woord: uiteindelijk zouden de Romeinen beslissen om de Noord-Afrikaanse stad Carthago, waarmee Rome al decennia in oorlog was, te gaan verwoesten.

Je zou kunnen zeggen: in speeches worden kwesties op scherp gesteld, met taal als middel. Om die reden zijn speeches ook voor literatuuronderzoekers interessant. Misschien gebeurt er in speeches wel hetzelfde als in teksten die we als ‘literatuur’ zien. Je zou kunnen zeggen dat je zowel in literatuur als in speeches, taal op zijn sterkst ziet. Wat kan taal dan, hoe kun je analyseren waar die scherpte vandaan komt, en hoe kun je zo het grote effect van teksten begrijpen? In deze proef kijken we vooral naar patronen in de stijl van speeches, omdat die ons iets vertellen over de manier waarop politici met taal kwesties op scherp stellen.

De stijl van Donald Trump
Een voorbeeld van een analyse van politieke speeches kun je in de
Volkskrant vinden. Die krant volgde de toespraken van de Donald Trump toen die nog Republikeins presidentskandidaat was, en ontdekte een patroon. Wat blijkt? Trump maakte kortere zinnen dan zijn concurrent Hillary Clinton. Dat merk je als toehoorder wellicht niet, want hij zegt er niets over. Maar maak je een analyse op lengte van zinnen, kom je erachter en kun je je gaan afvragen waarom hij dat doet. Om zich te distantiëren van het gebruikelijke taalgebruik van politici? Hij draagt ermee de boodschap uit: ‘ik ben niet als zij’, en zet zich daarmee af tegen politici in Washington die hij vaak corrupt en onbetrouwbaar noemt. Bootst Trump met die korte zinnen ook de manier van spreken van de aanhang waar hij zich primair op richt? Die wil hij aan zich binden door op hen te lijken. De Volkskrant observeerde dat Trumps meest gebruikte woorden zijn: ‘mensen’ (folks) en ‘geweldig’ (great). Door zijn publiek voortdurend aan te spreken met ‘folks’, creëert hij een gevoel van een gemeenschap. Een fijne gemeenschap waar mensen graag bijhoren, want alles in die gemeenschap is ‘great’. 

Opdrachten

  1. Bedenk waarom Marianne Thieme het retorische trucje van Cato gebruikte in al haar speeches. Denk je dat dit gegarandeerd effect heeft, of niet? En waarom, waarvan hangt effect ook af? En waar moet je dus als onderzoeker op beducht zijn als je teksteffecten analyseert op basis van woordpatronen?
  2. Lees het transcript en het commentaar bij de speech van Trump van de Volkskrant. Wat valt jou op aan zijn manier van spreken? Geef twee of meer voorbeelden uit het transcript om je antwoord te onderbouwen. Kijk ter inspiratie eventueel naar dit filmpje, waarin een analyse van het aantal lettergrepen in Trumps woorden gemaakt wordt, en de volgorde van woorden in zijn zinnen wordt bekeken.
  3. Lees M. Leeuwen, ‘Het hoofdzinnenbeleid van Wilders’, Tekstblad 2009, pp. 6-11. Op welke stijlverschijnselen heeft deze onderzoeker gelet om de toespraken van Wilders te analyseren? Waarom juist deze? Zou je zelf nog andere verschijnselen kunnen bedenken die ook bestudeerd hadden kunnen worden en wellicht veel inzicht geven in hoe Wilders’ speeches in elkaar zitten?

In deze proef analyseren we patronen in de retoriek van politici, door nauwkeurig te lezen en met behulp van digitale middelen. Hierboven leerde je waarom politieke taal wetenschappelijke vragen oproept: wat is het effect van taal, en hoe wordt dat effect bereikt met stilistische of retorische trucs? De volgende stap introduceert instrumenten die je helpen om een antwoord te vinden op zulke vragen.

Stap 2: De instrumenten

Een vraag, instrumentarium en een methode
Als je een antwoord wilt vinden op wetenschappelijke vragen, dan moet je eerst weten wat precies je vraag is. Daarvoor heb je instrumenten nodig waarmee je wat je onderzoekt kunt beschrijven. In het geval van de analyses van patronen in speeches kom je een eind met het blote oog: je speurt bijvoorbeeld naar opvallende stijlfiguren, herhalingen in zinsstructuren. Digitale meetinstrumenten helpen bij dat speuren, want die zijn juist in patroonherkenning erg goed. Denk dan bijvoorbeeld aan een instrument dat word clouds maakt (ook wel: ‘genereert’), patronen in woordgebruik zichtbaar maakt.

Naast deze instrumenten heb je een methode nodig, een systematische manier om tot nieuwe kennis te komen. Iedereen die met die methode werkt, gebruikt dezelfde instrumenten. Kennis die je met die instrumenten krijgt, kan zo gestapeld en vermeerderd worden. Ook kun je met elkaar discussiëren als je dezelfde methode gebruikt. Alle stappen die je als onderzoeker neemt, zijn immers voor je discussiegenoten inzichtelijk en begrijpelijk.

In de vorige stap hebben we gezien waarom het interessant is om de stijl van politici te onderzoeken. Maar hoe doe je dat precies? En wat bedoelen we eigenlijk met ‘stijl’? We introduceren in deze stap enkele centrale termen binnen het stijlonderzoek: ‘stijl’, ‘stijlfiguren’ en ‘word cloud’. Dit worden de onderzoeksinstrumenten voor deze proef.

Stijl uitgediept
De term ‘stijl’ is eigenlijk zo algemeen dat hij nauwelijks bruikbaar is voor deze proef. In het Algemeen letterkundig lexicon geldt stijl als ‘algemene benaming voor uiterlijke kenmerken van een schrijf- of spreekwijze’. De logische vervolgvraag is dan: wat rekenen we allemaal onder ‘uiterlijke kenmerken’? Het lexicon noemt bijvoorbeeld stijlfiguren, zinsbouw, compositie, woordkeuze, tonaliteit, gevoelswaarde en verteltechniek. In deze proef beperken we ons tot stijlfiguren en woordkeuze.

Je weet ongetwijfeld wat stijlfiguren zijn, maar voor de volledigheid geven we hieronder een lijstje met een aantal veelvoorkomende en effectrijke stijlfiguren:

Stijlfiguur Functie
Alliteratie De beginletters van beklemtoonde lettergrepen van woorden die bij elkaar staan, hebben een gelijke klank.
Analogie Een gedeeltelijke overeenkomst tussen twee of meer gegevens, die als basis dient voor een redenering of conclusie. Valt onder herhalingsfiguren.
Antithese Het tegenover elkaar plaatsen van twee noties.
Beeldspraak Figuurlijke taal. Iets wordt ergens mee vergeleken omdat er een of meerdere overeenkomsten zijn.
Eufemisme Iets wat niet prettig of netjes is, op een verzachtende manier onder woorden brengen.
Hyperbool Iets op een overdreven manier uitdrukken, zodat het extra opvalt.
Ironie Het creëren van een contrast tussen wat schijnbaar gezegd, getoond of gesuggereerd wordt en de werkelijke betekenis van de uiting of situatie.
Paradox Een schijnbare tegenstelling, met een combinatie die niet natuurlijk of logisch aanvoelt maar toch mogelijk is.
Prolepsis Extra nadruk op een woord of woordgroep leggen door het vooraan in de zin te plaatsen.
Retorische vraag Een vraag waarop geen antwoord wordt verwacht; het antwoord blijkt al uit de vraag.

Voor de woordkeuze van politici gaan we ook een digitaal hulpmiddel gebruiken: word clouds. Een word cloud kan simpelweg zichtbaar maken welke woorden in een tekst veel voorkomen. Hoe vaker een woord voorkomt in een tekst, hoe groter dat woord weergegeven wordt. Maar er zijn ook word cloud generators die laten zien welke woorden statistisch gezien ongewoon vaak in elkaars nabijheid voorkomen. Die clustering van woorden is interessant omdat die mogelijk duidt op thema’s, onderwerpen of kwesties die de spreker kennelijk belangrijk vindt, en die hij of zij wil overbrengen door bepaalde woorden met elkaar in verband te brengen. Beide typen ‘woordwolken’ geven je een idee van welke woorden belangrijk zijn in een speech.

Stijl
‘De karakteristieke manier waarop iemand zich in taal, hetzij in proza of vers, uitdrukt.’

Stijlfiguren
‘Retorische kunstgrepen die dienen ter verfraaiing van de tekst.’

Word cloud
‘Een visuele weergave van hoogfrequente of gegroepeerde woorden in een tekst. ’

Belangrijk in de definitie van ‘stijl’ is het woord ‘karakteristiek’. Het duidt erop dat sprekers een eigen stijl hebben en dat die stijl ons iets zegt over de specifieke manier waarop die spreker taal gebruikt om effectief te zijn. Vaak wijken die karakteristieken net af van wat gebruikelijk is in taal: ze laten zien hoe sprekers experimenteren met taal om de tekst er des te opvallender en overtuigender van te maken.

Opdrachten

  1. Lees het lemma over Stijl in het Lexicon en zoek de woorden op die je niet begrijpt. Geef met twee kernachtige zinnen in eigen woorden weer wat volgens jou het belangrijkste is in deze beschrijving van ‘stijl’, en leg uit hoe je bepaalde wat ‘belangrijkst’ is.Vergelijk je antwoord zo mogelijk met dat van een medeleerling, komen jullie op hetzelfde uit of niet? En wat zegt dat over het verschijnsel ‘stijl’ dat jullie willen onderzoeken?
  2. Maak zelf twee zinnen waarin je een stijlfiguur gebruikt uit bovenstaande lijst. Beschrijf vervolgens in één zin wat het retorische effect kan zijn van de gekozen stijlmiddelen.

Nu je bekend bent met deze instrumenten, kunnen we aan de slag. In de volgende stap analyseren we de stijlfiguren in enkele politieke speeches en onderzoeken we het woordgebruik door middel van word clouds.

Stap 3: Het experiment

In deze proef zet je twee methoden in om stijl en woordgebruik in speeches te analyseren. Ten eerste gebruik je het blote oog. Je gaat speeches nauwkeurig lezen en beschrijven wat je opvalt. Je let daarbij op trefwoorden en op stijlfiguren. Vervolgens roep je de hulp in van de computer, die je met behulp van word clouds een digitale analyse laat maken om bepaalde (mogelijk veelzeggende) patronen op het spoor te komen

Opdrachten

  1. Lees of bekijk de beroemde speech ‘I have a dream’ van Martin Luther King jr. Welke stijlfiguren herken je? Noem de belangrijkste stijlfiguren (minimaal drie). Geef van elk een voorbeeld, en leg uit waarom je juist die drie koos als de belangrijkste.
  2. Ga naar TagCrowd, een word cloud generator (een tool die word clouds kan maken) voor Engelse teksten. Kopieer de tekst van ‘I have a dream’ en plak deze in TagCrowd (‘paste text’). Klik op ‘Visualize’. Beargumenteer of de word cloud die je te zien krijgt een goed beeld geeft van de inhoud van de speech.
  3. Zoek op wat precies bedoeld wordt met het idee van de ‘American Dream’ en noteer dit. Beschrijf vervolgens de functie van het woord ‘dream’ in King’s speech. Hoe verhoudt dit zich tot de ‘American Dream’?
  4. Lees de speech uit 2013 van Marianne Thieme die gehouden werd bij de jaarlijkse Algemene Politieke Beschouwingen in de Tweede Kamer. Welke stijlfiguren vallen je op? Wat is het effect van het gebruik ervan?
  5. Kopieer de toespraak van Thieme en plak hem in TagCrowd. Wat valt je op? En hoe verklaar je dat? Wat voor aanvullend onderzoek zou je kunnen uitvoeren om beter in te schatten wat het resultaat van deze word cloud betekent?
  6. Plak dezelfde speech nu in de Nederlandse word cloud generator woordwolk.nl. Wat is het verschil met de word cloud van TagCrowd? Waar komt dit verschil vandaan, denk je? En wat betekent dat dus voor de manier waarop je met word clouds tot analyses en conclusies kunt komen?

In deze stap experimenteerde je met concreet onderzoeksmateriaal. Je beschreef de stijl van enkele speeches door middel van word clouds en door de stijlfiguren te benoemen. In de volgende stap reflecteer je op je bevindingen.

Stap 4: De lakmoesproef

Met de lakmoesproef test je wat je te weten bent gekomen tijdens het experiment. Is het nuttig om stijl te analyseren op patronen, hetzij met het blote oog, hetzij met de computer? En hoe verhouden analyses ‘met het blote oog’ en met de computer zich tot elkaar?

Opdrachten

  1. Doe voor de speech van Geert Wilders bij de Algemene Politieke Beschouwingen van 2009 hetzelfde als voor die van Marianne Thieme in de vorige stap: welke stijlfiguren gebruikt hij, en wat is het effect hiervan? Leg het resultaat naast de antwoorden op vraag 4 uit de vorige stap. Gebruiken ze verschillende stijlfiguren? Kun je de verschillende effecten van de door hen gebruikte stijlfiguren in verband brengen met hun verschillende boodschappen?
  2. Voer beide speeches in op woordwolk.nl en maak van elk van de Nederlandse toespraken een word cloud. Wat valt je op? Kun je op basis van deze visualisaties iets zeggen over de stijl of de politieke prioriteiten van beide politici? Waarom wel of niet?
  3. Schrijf ongeveer 300 woorden over het gebruik van stijlfiguren of word clouds in stijlanalyse. Beargumenteer waarom je het wel of niet nuttig vindt.

In deze stap paste je nogmaals de instrumenten toe en trok je conclusies over het gebruik van die instrumenten – je methode – voor stijlonderzoek. De volgende stap is verdiepend en geeft je de ruimte om vrijer te experimenteren met stijlonderzoek.

Stap 5: Het vrije experiment

In het vrije experiment is er ruimte om naar eigen inzicht verder onderzoek te doen met de instrumenten en tools die we in deze proef gebruikt hebben, bijvoorbeeld ook als opstapje voor het schrijven van een profielwerkstuk. Daarnaast is het vrije experiment een ruimte voor creatief schrijven. We geven je richtlijnen om creatief te reflecteren op de thema’s die in deze proef aan de orde kwamen. Hieronder staan opdrachten waaruit je kunt kiezen voor het vrije experiment. Als je zelf een andere suggestie hebt om creatief te schrijven of verder te werken met de tools, leg die dan voor aan je docent.

Opdrachten

  1. Gebruik nogmaals de speech van Wilders uit 2009, maar voer hem deze keer in de stylometrische tool Stylene (een ‘stijlmeter’) die de Universiteit Antwerpen maakte.
  • Bekijk de uitkomsten. De tool geeft onder andere op welke stijl (van Vlaamse en Nederlandse auteurs) de tekst van Wilders het meest lijkt. Wat vind je van de uitslag? Waardoor zal die veroorzaakt worden? Lees zo nodig, als je geen werk kent van de auteur waar Wilders tekst volgens deze tool het meest op lijkt, enkele fragmenten van die auteur.
  • Herschrijf nu de tekst van Wilders om hem meer te laten lijken op de stijl van een van de andere auteurs die in de Antwerpse tool gebruikt wordt. Lees zo nodig ook nu weer fragmenten van de auteur wiens stijl je wilt imiteren, en bedenk wat de eigenschappen van de stijl zijn die je bij het herschrijven van Wilders tekst moet zien te imiteren.
  • Voer je herschreven versie van de tekst opnieuw in de Antwerpse tool in, en bekijk het resultaat. Evalueer deze stijlopdracht: wat vind je van de tool en hoe moeilijk of makkelijk was het om een stijl te veranderen of te imiteren
  1. Schrijf zelf een (politieke) speech over een onderwerp dat je aanspreekt. Imiteer een politicus wiens stijl eerder in deze proef aan bod is gekomen: Martin Luther King, Donald Trump, Geert Wilders, Ella Vogelaar of Marianne Thieme. (Je schrijft in het Nederlands, maar kunt nog steeds stijlkenmerken van King of Trump overnemen.)
  • Schrijf een toelichting bij je speech waarin je expliciet maakt wat je hebt gedaan om de stijl te imiteren.
  • Wissel je speech uit met een klasgenoot, en probeer te achterhalen welke stijl zij of hij heeft geprobeerd te imiteren. Beargumenteer je keuze. De klasgenoot doet hetzelfde met jouw werk.
  • Wissel weer terug en lees wat de ander van jouw werk dacht. Komt dit overeen met je eigen toelichting in opdracht b?

Analyseer de retoriek van politici

In deze proef heb je kritisch leren kijken naar de teksten van politici. Hoe proberen ze jou met retorische middelen in te pakken? Welke stijlfiguren gebruiken ze, en welk effect hebben die retorische middelen? Nu je weet hoe je speeches kunt ontleden, kun je complexere vragen gaan stellen. In je profielwerkstuk heb je de ruimte om zo’n grotere vraag uit te werken. Hieronder doen we een suggesties voor zo’n onderzoek. Klik op de vraag voor enkele voorbeelden van speeches.

  • Hoe en met welke retorische middelen profileert Jesse Klaver (GroenLinks) zich ten opzichte van de gevestigde partijen?

Vergelijk de speeches van Klaver met die van andere politici. Bekijk ter inspiratie dit filmpje van de Volkskrant. Zoek vervolgens op YouTube of op de site van GroenLinks naar speeches van Klaver. Dit kun je natuurlijk ook met een andere politicus of politica doen. Helemaal interessant wordt het als je niet alleen naar de inhoud van de speech kijkt (logos), maar ook naar de houding van de spreker (ethos) en diens stijl van praten (pathos). Kijk naar deze uitleg van die begrippen van oud-advocaat en journalist Khalid Kasem in zijn Taalbaas Masterklas om te zien wat je daarmee zou kunnen doen.


Ben je benieuwd naar andere mogelijkheden voor het schrijven van een profielwerkstuk over literatuur? Klik dan eens op de ‘Profielwerkstuk’-knop en lees enkele suggesties voor grotere onderzoeksvragen die je in een profielwerkstuk kunt uitdiepen.

Proeven_respons