Docenten

Docentenhandleiding

LitLab bevat momenteel twee werkvormen: de Proeven en de Leesclubs. Deze pagina biedt een didactische verantwoording en een handleiding voor beide werkvormen.

1. Hoe gebruik ik de proeven van LitLab in mijn lessen?

De proeven van LitLab zijn voorzien van twee docentenhandleidingen. Hieronder treft u onder de uitklapbare menu’s de handleiding die beschrijft wat het doel en de opzet van de proeven in LitLab is. Ook zet die handleiding uiteen hoe de proeven in de les gebruikt zouden kunnen worden. Daarnaast is er een handleiding met antwoordmodellen per proef. Deze antwoordmodellen zijn afgeschermd met een wachtwoord. Wilt u toegang tot deze pagina? U kunt het wachtwoord per mail bij ons opvragen (info[at]litlab.nl). Vermeld daarbij alstublieft uw naam en de school waarop u lesgeeft.

Het antwoordmodel geeft vooral aan in welke richtingen de leerlingen oplossingen kunnen zoeken: het zijn meestal geen pasklare antwoorden en bij de meeste vragen zijn meerdere goede antwoorden mogelijk.

LitLab wil leren onderzoek te doen naar literatuur in de brede zin. LitLab is een digitaal laboratorium voor literatuuronderzoek op de middelbare school. LitLab vormt een schakel tussen leerlingen, docenten en onderzoekers en werd ontwikkeld aan de Universiteit Utrecht maar is het resultaat van samenwerkende onderzoekers van verschillende universiteiten. LitLab sluit aan op de voorkennis van leerlingen over de Nederlandse literatuur en hoe die gelezen kan worden, en maakt ze wegwijs in de wereld van onderzoek. LitLab is geschikt voor alle scholen die leerlingen kennis onderzoek willen laten doen naar Nederlandse literatuur en ze kennis willen laten maken met bestaand, recent onderzoek op dat terrein. Door middel van digitale experimenten kunnen bovenbouwleerlingen academisch onderzoek leren doen naar de Nederlandse literatuur in brede zin van het woord. We vatten het begrip literatuur dus in twee opzichten breed op: de proeven gaan over Middeleeuwse verhalen, maar ook hedendaagse popmuziek. We bestrijken een breed chronologisch terrein, en een breed scala van teksten.

Onderzoek met online bronnen en tools. De lessen sluiten aan bij recent academisch onderzoek en richten zich op het gebruik van digitale methoden en collecties die voor iedereen toegankelijk zijn. Toegang tot het onderzoeksmateriaal vormt op deze manier geen belemmering of voorwaarde om de proeven te kunnen maken. Leerlingen kunnen zelfstandig met de proeven aan het werk op een computer. Elke leerling heeft toegang tot internet nodig en een Worddocument of schrift om de antwoorden te noteren. Voor sommige proeven is aanvullend materiaal zoals koptelefoons of een roman nodig, dit staat per proef aangegeven.

Bedoeld voor bovenbouw havo-vwo. De proeven zijn bedoeld voor bovenbouwleerlingen van het havo en vwo. Er zijn verschillende niveaus, van 1 tot 3. Een hoger niveau duidt op onderzoek dat gedaan wordt met meer complexe theoretische begrippen of concepten: op niveau 1 kijkt een leerlingen bijvoorbeeld naar tekstkenmerken als de lay-out van een tekst om een analyse te maken, op niveau 3 naar tekstelementen die een abstract idee als ‘gender’ vormgeven. Advies is de niveau 1 proeven met 4 havo/4 vwo te doen, en de niveau 3 proeven voor vwo 5 en 6 te reserveren. De ervaring leert echter ook dat de niveau-aanduidingen slechts een richtlijn zijn. Docenten kunnen zelf het beste inschatten welk niveau geschikt is voor hun klas.

Plaats van leren onderzoeken in het onderwijs. De proeven 1) dragen bij aan de leerdoelen van de drie subdomeinen van het domein literatuur: literaire ontwikkeling, literatuurgeschiedenis en literaire begrippen. Elke proef bestrijkt een bepaalde periode uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis, en bieden zo een aanknopingspunt om de proef in een bepaald gedeelte van het jaarprogramma in te passen. De proeven zijn zo ontwikkeld dat ze los van elkaar kunnen worden gemaakt. Dat kan in oplopende moeilijkheidsgraad, maar noodzakelijk is dat niet. De volgorde kan ook door interesse van de leerlingen bepaald worden. Een proef beslaat 1 à 2 lesuren. Hoe lang een klas met een proef bezig is, hangt af van het niveau en of er gedeeltes als huiswerk worden meegegeven. In principe zouden stap 1 tot en met stap 3 in 1 à 2 lesuren moeten passen. De proeven kunnen ook over meerdere weken gespreid worden, als bijvoorbeeld gedurende 3 of 4 weken steeds 1 lesuur aan een proef besteed wordt. De proeven 2) dragen ook bij aan mondelinge vaardigheden en schrijfvaardigheden. In stap 1 tot en met 3 zitten overlegmomenten waarin leerlingen voor hun medeleerlingen resultaten onder woorden moeten brengen en leren discussiëren over hun onderzoeksopbrengsten. Het antwoordmodel kan hen helpen te beoordelen hoe goed hun antwoorden zijn. In stap 4 en 5 worden essays geschreven over het gedane literatuuronderzoek die als schrijfopdracht beoordeeld kunnen worden.

Voorbereiding door de docent. Naast deze algemene handleiding is er voor elke proef ook een handleiding in de vorm van een antwoordmodel beschikbaar. Hierin staat onder andere een korte beschrijving van het leerdoel van de proef en een antwoordmodel. Omdat leerlingen voornamelijk zelfstandig bezig zijn met de proeven, is gekozen de handleiding beknopt te houden. Om als docent goed voorbereid te zijn op de les, volstaat het om de proef zelf van tevoren door te nemen.

Rol van de docent. De ervaring leert dat leerlingen de proeven vrij zelfstandig uit kunnen werken. Na een korte instructie over de stappen die doorlopen moeten worden, kunnen ze zelf aan de slag. In de opdrachten zijn momenten ingebouwd waarin ze met medeleerlingen overleggen: bijvoorbeeld om de subjectiviteit van het eigen oordeel of de eigen onderzoeksresultaten al overleggend in zicht te krijgen. Het is handig om voor aanvang te bepalen welke leerling op dat soort momenten met welke leerling overlegt. Die leerlingen kunnen dan naast elkaar aan het werk worden gezet. De docent kan het onderzoeksproces van de klas ook begeleiden door tussentijds (dus tijdens de les) een kort evaluatie- of reflectiemoment in te bouwen. De leerlingen kunnen hun bevindingen terugkoppelen: plenair, of in speeddates in kleiner verband. Waar mogelijk, hebben we zelf bij de opdrachten al concrete suggesties gedaan voor de manier waarop docenten individuele leerlingen of groepen leerlingen kunnen begeleiden (bijvoorbeeld suggesties voor de manier waarop een klassikale discussie gestructureerd kan worden).

LitLab is didactisch gezien geïnspireerd op studies naar, en ervaringen met leren onderzoeken in andere schoolvakken: met name de exacte vakken & geschiedenis. Zie hierover bijvoorbeeld:

  1. Drie, J. van, & C. van Boxtel (2008). ‘Historical reasoning: Towards a framework for analyzing students’ reasoning about the past’. In: Educational Psychology Review, 20(2), 87–110.
  2. Hubers, Serge (2003). Individuele leertheorieën en het leren onderzoek in de Tweede Fase. Proefschrift Technische Universiteit Eindhoven.
  3. Rens, E.M.M. van (2005). Effectief scheikundeonderwijs voor ‘leren onderzoeken’ in de tweede fase van het vwo. Dissertatie Vrije Universiteit Amsterdam.
  4. Voet, M. & De Wever, B. (2017). Onderzoekend leren, wat is dat? Naar een concrete invulling voor het schoolvak geschiedenis. In: Hermes, 61, 12-18.
  5. Wansink, Bjorn (2017). Between fact and interpretation. Teachers’ beliefs and practices in interpretational history teaching. Proefschrift Universiteit Utrecht.

Op basis van dat bestaande onderzoek willen we onderzoek naar literatuur aanbieden als:

1. een cyclisch, herhaalbaar, stapsgewijs proces;
2. vol ondergestructureerde problemen (=problemen die multi-interpretabel zijn, die niet met zekerheid op één manier opgelost kunnen worden);
3. met kennistransformatie (=constructief redeneren, integreren van kennis met als doel een eigen conclusie te vormen en te verdedigen);
4. en sociale interactie: complexe opdrachten vragen om feedback en aanwijzingen

In de proeven van LitLab werken leerlingen in iedere proef met een ander vraagstuk uit het hedendaagse literatuuronderzoek.  Eerst wordt hun bestaande kennis over de Nederlandse literatuur uitgebreid met een uitleg over de vragen, concepten en methoden die in onderzoek rond de specifieke vraagstelling van de proef gebruikt worden. Met de nieuw vergaarde kennis kunnen ze vervolgens zelf op onderzoek uit gaan. 

De proeven hebben een vaste structuur met vijf stappen.

reageerbuisRood1Stap 1: De voorbereiding (oriënteren)

Een inleiding in de materie door middel van concrete voorbeelden waarbij aangesloten wordt op de voorkennis. Het centrale vraagstuk wordt gepresenteerd. Aan het eind van stap 1 staan enkele vragen die leerlingen helpen de gegeven voorbeelden verder te verkennen en te doorgronden.

reageerbuisRood2Stap 2: De instrumenten (begrijpen)

De introductie van nieuwe begrippen of concepten die gaan dienen als onderzoeksinstrumenten, met een uitleg hoe deze concepten tot een antwoord op de in stap 1 geïntroduceerde onderzoeksvragen kunnen leiden. Aan het eind worden begripsvragen gesteld.

reageerbuisRood3Stap 3: Het experiment (testen en/of analyseren)

Een introductie op de digitale tool of het materiaal en een instructie voor het gebruik ervan. De opdrachten in deze stap laten de leerlingen experimenteren met de tool of het materiaal en laat ze verbanden leggen met de vragen uit de vorige twee stappen.

reageerbuisRood4Stap 4: De lakmoesproef (reflecteren/terugkoppelen)

Tijdens deze stap wordt de vorige stap geëvalueerd door middel van een grotere opdracht met meer eigen inbreng. Wat zeggen de resultaten? Zijn er conclusies te trekken? Argumentatie speelt in deze stap een belangrijke rol.

reageerbuisRood5Stap 5: Het vrije experiment (verdiepen)

In de laatste stap krijgen leerlingen meer vrijheid en ruimte om te reflecteren op het gebruik van de tool en tot meer diepgang in de materie te komen. Leerlingen kunnen in deze stap bijvoorbeeld naar eigen inzicht verder experimenteren en daarover schrijven, debatteren over gerelateerde onderwerpen of creatief schrijven.

 

Docenten die al met LitLab werkten, voorzien ons van praktische tips bij het gebruik ervan. We geven die hier door. Let op: die tips gaan niet over software of leermiddelen waarover de school moet beschikken om met LitLab te werken. Maar gebruikt u ze al, kunnen ze goed ingezet worden:

  1. monitor de voortgang van de leerlingen met LanSchool
  2. oogst en toon de resultaten van alle individuele leerlingen met bijvoorbeeld Socrative, MentiMeter, WoordWolk.nl
  3. pas een proef uit LitLab in een lessenreeks waarin andere sites die geschikt zijn voor literatuuronderwijs gebruikt worden, bijvoorbeeld: Literatuurgeschiedenis.nl, Digitale Bibliotheek Nederlandse Letteren, Lezen voor de lijst, Praten over romanfragmenten, Literatuurmuseum.nl, Koninklijke Bibliotheek Blogs.

LitLab promoot ook het maken van profielwerkstukken op het terrein van het schoolvak Nederlands. De onderzoeksvragen die in de proeven aan bod komen, zijn bij uitstek geschikt om verder uit te diepen in een profielwerkstuk. Op de profielwerkstukpagina staan voor alle proeven verschillende voorbeelden van onderzoeksvragen die aansluiten bij de proeven. Aan het eind van elke proef zit daarnaast een knop ‘Profielwerkstuk’ die leidt naar circa 50 andere, zeer gedetailleerd uitgewerkte instructies voor onderzoeksstappen. Leerlingen die geen proef gemaakt hebben, kunnen met die instructies ook tot de opzet en de uitvoering van een goed profielwerkstuk komen over een onderwerp dat niet door de proeven bestreken wordt.

2. Hoe gebruik ik de leesclubs van LitLab in mijn lessen?

In het literatuuronderwijs op middelbare scholen gaat veel aandacht uit naar herkennend lezen: leerlingen worden gestimuleerd een boek naar hun eigen belevingswereld te halen. Onderzoek naar literatuurdidactiek geeft daar alle reden toe: uit onderzoek van Marloes Schrijvers, Tanja Janssen en Gert Rijlaarsdam blijkt dat een persoonlijk-ervaringsgerichte literatuurdidactiek tot zelfinzicht en sociaal inzicht kan leiden, en Marc Verboord heeft laten zien dat mensen die worden opgeleid volgens een lezersgerichte aanpak op latere leeftijd vaker en met meer plezier lezen.

Dikwijls wordt de leerlinggerichte, herkennende didactiek geplaatst tegenover een analytisch-interpretatieve of cultuurgeoriënteerde benadering, die in onderzoek als van Verboord en Schrijvers en anderen naar voren komt als minder effectief. Dat wordt mede verklaard vanuit de ontwikkeling die een jonge lezer doormaakt. In literatuur over leessocialisatie (vergelijk Appleyard, voor de Nederlandse situatie Theo Witte) wordt aangenomen dat een lezer vroeg in de ontwikkeling voornamelijk identificerend en mimetisch leest, en pas daarna kan ontdekken dat een literaire tekst een construct is dat iemand heeft gemaakt, dat problemen opwerpt, dat niet eenduidig is, dat vragen en interpretaties nodig heeft van jou als lezer. Die meer ervaren lezers kenmerken zich door een ‘vraaggestuurde’ leeshouding: zij zijn zich bewust van de kwesties die het gelezene oproepen en zijn geïnteresseerd in het afwegen van verschillende duidingen (zie bijvoorbeeld Andringa).

De leesclubs van LitLab zijn ontwikkeld vanuit de overtuiging dat we leerlingen al vroeg in hun ontwikkeling niet alleen zouden moeten laten zien wat zij al kennen, maar ook perspectieven laten ontdekken waar zij nog nooit over na hadden gedacht. Immers: de waarde van literatuur ligt ook in het vermogen lezers uit te nodigen om de wereld op een andere manier te bekijken, om buiten de eigen kaders te denken, om de werkelijkheid op z’n kop te zetten. Met zulke momenten van ontregeling of blikverruiming stelt de literatuur ons voor vragen, over zowel de tekst als de wereld die daarin verbeeld is. De leesclubs creëren  een situatie waarin leerlingen gestimuleerd worden om met elkaar antwoorden te vinden op zulke vragen. Het doel is ook dat leerlingen daarmee een vraaggestuurde en onderzoekende houding ontwikkelen ten aanzien van literaire teksten. Zo raken de leesclubs aan de meer algemene doelstellingen van dit ‘laboratorium voor literatuuronderzoek op de middelbare school’.

De leesclubs van LitLab willen deze doelen bereiken door gesprekken op gang te brengen waarin zowel de persoonlijke leeservaringen als interpretatieve problemen en sociaal-culturele vragen aan de orde komen. De didactiek is geïnspireerd door onderzoek van Aidan Chambers, Marjolein van Herten en Gertrude Cornelissen: hun onderzoek maakte duidelijk dat het praten over boeken lezers helpt om literatuur beter te kunnen begrijpen, waarderen en beoordelen. De website www.pratenoverromanfragmenten.nl is eveneens opgezet vanuit de overtuiging dat het praten over literatuur bijdraagt aan de literaire socialisatie van leerlingen. Waar deze website echter kiest voor een lezersgerichte benadering, combineren de LitLab leesclubs steeds discussievragen die gaan over de manier waarop de leerlingen zich in de tekst herkennen met vragen die leerlingen uitnodigen zich vanuit nieuwe kaders inhoudelijk in de tekst te verdiepen. Met dat verschil in focus leggen beide sites verschillende accenten, maar dat betekent beslist niet dat ze elkaar uitsluiten. Integendeel, juist vanwege die verschillende focus en aanpak kunnen ze elkaar aanvullen in een (nog te ontwikkelen) leerlijn die praten over literatuur als didactiek serieus neemt binnen het lees- en literatuuronderwijs.

In een leesclub van LitLab discussiëren leerlingen in een groepje over een (volledig) boek dat ze gelezen hebben door een virtueel kaartspel te spelen. Ze fileren het boek in vier stappen:

  1. Opwarmen: enkele quizvragen helpen de leerlingen de boekinhoud op te frissen en met elkaar in gesprek te raken.
  2. Begrijpen: leerlingen formuleren zelf vragen over zaken uit het boek die zij niet begrijpen. (Uit onderzoek van Tanja Janssen blijkt dat de leeropbrengst en waardering van gelezen teksten hoger zijn als leerlingen gestimuleerd worden om zelf vragen te genereren over de tekst en zo meer eigenaarschap verkrijgen.)
  3. Herkennen en Verdiepen: de leerlingen discussiëren over het boek met behulp van twee stapeltjes met kaartjes waarop vragen zijn geformuleerd. Het linkse stapeltje bevat vragen gericht op herkenning en identificatie (‘feest der herkenning’), terwijl het rechtse stapeltje de leerlingen naar het boek laat kijken vanuit andere – cultuurhistorische, maatschappelijke, filosofische – kaders (‘stof tot nadenken’). De discussievragen zijn open maar stimuleren de leerlingen wel om hun antwoorden te onderbouwen met argumenten of verwijzing naar de tekst. Beide stapeltjes bevatten 8 kaartjes in oplopende complexiteit.
  4. Beoordelen: de leerlingen brengen nu zelf een oordeel uit over een boek. Op basis van onderzoek van Van Herten en Cornelissen verwachten we dat hun oordeel wordt verdiept door de gezamenlijke discussie over het boek.
  • Een docent kan ervoor kiezen om met de hele klas hetzelfde boek te lezen, maar kan ook groepjes maken van leerlingen die verschillende boeken doorwerken (bijvoorbeeld op basis van leescompetentie en interesse).
  • De LitLab leesclubs kunnen heel goed dienen als een voorbereiding op het mondelinge tentamen literatuur, en kunnen op die manier een summatieve toets zijn.
  • Een docent kan er ook voor kiezen om een toetsmoment te koppelen aan een leesclub. Daarbij kan het gesprek zelf worden beoordeeld, bijvoorbeeld via een rubric gericht op zowel inhoudelijke diepgang als gespreksvaardigheden. Het gesprek kan ook opgenomen worden en door een groepje leerlingen worden geanalyseerd en beoordeeld. Andere docenten zullen ervoor kiezen om de groepsdiscussie te gebruiken als een opstap naar een product dat leerlingen moeten maken. Zo’n product kan een verslag zijn, of creatieve opdracht: leerlingen kunnen bijvoorbeeld een filmpje over het boek maken naar aanleiding van hun gesprek.
  • Een leesclub vraagt om een passende fysieke omgeving. Zet leerlingen bijvoorbeeld bij elkaar in een aparte ruimte, zet tafels en stoelen in een open opstelling, hang ‘niet storen’-bordjes op de deur etc. Zo’n ‘rituele’ setting kan leerlingen houvast geven en een juiste houding activeren. De ideale groep telt 4 tot 6 deelnemers.
  • De leesclubs van LitLab zijn zo ontworpen dat de leerlingen de kaartjes met discussievragen op een tablet of smartphone kunnen omdraaien. Ze geven het apparaat door bij elke beurt en laten het verder gewoon op tafel liggen.
  • Als het spel op de telefoon van een van de leerlingen gespeeld wordt, instrueer hen dan om de telefoon op de vliegtuigstand te zetten nadat de pagina geladen is. Zo voorkom je dat het spel onderbroken wordt door binnenkomende berichten.
  • Als het gebruik van smartphones of andere apparaten in de les een bezwaar is, is het een optie om de leesclub in een fysieke vorm aan te bieden. Daarvoor zijn printbare versies beschikbaar, zie het uitklapmenu onder ‘Printbare leesclubs’ hieronder.

In het schooljaar 2018/2019 werkt LitLab samen met De Inktaap. Deelnemende klassen kunnen de leesclubs van LitLab gebruiken ter voorbereiding op het juryrapport dat ze zullen schrijven over de genomineerde boeken. Ga voor meer informatie naar https://inktaap.nl/.

Gebruikt u liever geen tablets of smartphones in de les maar wilt u wel werken met de leesclubs van LitLab? Dan kunt u gebruik maken van de printbare versies van de leesclubs die u hieronder als pdf-bestand kunt downloaden. Druk het bestand dubbelzijdig af (liefst in kleur en op zwaarder papier) en snij de kaartjes eruit met een snijmachine. Verstrek voorafgaand aan het gesprek de spelregels en de inleiding (pagina 1 en 2 van het bestand) aan de leerlingen en zorg ervoor dat de quiz- en discussievragen in oplopende volgorde gelegd worden.

De printbare leesclub zijn gratis beschikbaar onder de Creative Commons licentie ‘Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0 Internationaal’. cc-by-nc-sa

Voor de leesclubs over Schuld van Walter van den Berg en Dagen van gras van Philip Huff heeft Anneroos Schoeman, docente Nederlands, twee werkboeken gemaakt die verwerking van deze romans aanbieden voor de vierde klas van het vmbo en binnen de didactiek van LitLab. De werkboeken inclusief een begeleidende docentenhandleiding zijn hieronder te downloaden.

  • Andringa, E., ‘Strategieën bij het lezen van literatuur’. In: Spiegel 13-3 (1995), p. 7-33.
  • Appleyard, J.A., Becoming a Reader. The Experience of Fiction from Childhood to Adulthood. Cambridge: Cambridge University Press 1991.
  • Chambers, A., Introducing books to children. Londen 1977.
  • Cornelissen, G., Maar als je erover nadenkt… Een jaar literatuuronderwijs in groepen 7 en 8 van de basisschool. Delft: Stichting Lezen Reeks 27, 2016.
  • Herten, M. van, Learning communities, informal learning and the humanities. An empirical study of book discussion groups. Heerlen: Proefschrift Open Universiteit 2015.
  • Janssen, T. & Braaksma, M., ‘Literatuur leren lezen door vragen stellen; effect op verhaalwaardering’. In: Levende Talen Tijdschrift 8-3 (2007), p. 11-18.
  • Janssen, T., Literatuur leren lezen in dialoog. Lezervragen als hulpmiddel bij het leren interpreteren van korte verhalen. Amsterdam: Vossiuspers UvA 2009.
  • Schrijvers, M., &. Janssen, T. & G. Rijlaarsdam, ‘Dat een boek kan veranderen hoe je naar de wereld kijkt. De impact van literatuuronderwijs op zelfinzicht en sociaal inzicht van bovenbouwleerlingen in havo en vwo’. In: Levende Talen Tijdschrift 17 (2016), p. 3-13.
  • Verboord, M., Moet de meester dalen of de leerling klimmen? De invloed van literatuuronderwijs en ouders op het lezen van boeken tussen 1975 en 2000. Proefschrift Universiteit Utrecht 2003.
  • Wit, M. de, ‘Lezen doe je met elkaar. Leeskringen en groepsmondelingen’. In: Levende Talen Magazine 104 (2017) 8: 3-9.
  • Witte, Th., Het oog van de meester. Een onderzoek naar de literaire ontwikkeling van havo- en vwo-leerlingen in de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen. Delft: Stichting Lezen Reeks 12, 2008.

3. Hoe geef ik feedback op de site?

Hebt u gewerkt met LitLab in uw lessen? Dan horen we graag uw ervaringen en feedback. U kunt daarvoor gebruikmaken van ons feedbackformulier of een mail sturen naar info@litlab.nl.

4. Meedenken?

Wilt u meedenken over en/of meewerken aan de ontwikkeling van LitLab? Of zoekt u naar inspiratie voor manieren waarop u LitLab in uw lesprogramma kunt passen? Kom dan eens naar een van onze workshops voor en met docenten(-in-opleiding).