Antwoordmodel

Antwoordmodellen per proef

niveau 3

Deze proef gaat over de beeldvorming van romanpersonages. Er wordt gebruik gemaakt van de Personagebank, een ‘literaire volkstelling’ van de Nederlandstalige literatuur. Deze online database is opgezet om zicht te krijgen op de diversiteit van personages in naoorlogse Nederlandstalige romans.

Leerlingen leren in deze proef personages onderzoeken door ze op verschillende manieren te beschouwen. Hiervoor kijken ze zowel naar specifieke personages uit romans als naar statistieken over een grote groep personages uit de Personagebank. Belangrijke onderzoeksvragen in deze proef zijn bijvoorbeeld: Representeert een personage een bepaalde groep? Wat doet het perspectief van een verhaal met de presentatie van bepaalde personages? Op wat voor manier worden bepaalde identiteiten verbeeld? Wat voor beeld wordt van een personage gegeven, of wat voor beeld geeft een personage van de wereld door erover te vertellen? Wat zeggen wereldbeelden of ideologieën van personages over de tijd waarin de roman geschreven is? Er wordt dus een connectie gemaakt tussen romanpersonages en de echte wereld.

Voor deze proef moeten leerlingen een recent gelezen roman meebrengen.

Leerdoel en concepten
Het leerdoel van deze proef is:

Leerlingen kunnen personages op verschillende manieren beschouwen: als verteller, als object van een vertelling en als representatie. Hierdoor zijn ze in staat de link te leggen tussen een roman en de wereld buiten de roman, en na te denken over de manier waarop roman en wereld daarbuiten elkaar mogelijk beïnvloeden.

De volgende concepten zijn belangrijk in deze proef:

  • personage
  • verteller
  • identiteit
  • representatie
  • beeldvorming
  • ideologie

Antwoordmodel
Het antwoordmodel geeft een indruk van het soort antwoord dat mogelijk is en de eisen waaraan een antwoord zou moeten voldoen, vaak toegelicht met een of meerdere voorbeelden. Er is doorgaans geen sprake van één goed antwoord, wel van juiste denkrichtingen of voorwaarden (een goede argumentatie, goed lezen etc.).

Stap 1

  1. In het antwoord zou het verschil in de sociale positie en eventuele cultuurverschillen tussen Beck en de asielzoeker moeten worden verwoord. Dat kunnen ook uiterlijke verschillen tussen beiden zijn, die symbool staan voor dieperliggende verschillen in bijvoorbeeld status. Ook moet in het antwoord duidelijk worden welke functie die verschillen in het verhaal hebben.
    Mogelijke denkrichting: de asielzoeker komt (waarschijnlijk) uit een land met minder economische welvaart dan Nederland en moet zich aanpassen aan een nieuwe omgeving en zich uiten in een nieuwe taal, Beck is in een vertrouwde omgeving. Dit zorgt voor een ongelijkheid, waardoor een zekere spanning tussen beiden ontstaat die gebeurtenissen in gang zet of dreigt te zetten.
    Doel van de vergelijkingen van antwoorden met medeleerlingen is de rol/invloed van de eigen, persoonlijke waarneming in beeld te krijgen. Die waarneming is subjectief en persoonsgebonden, maar kunnen verschillende waarnemers het over bepaalde zaken toch eens worden? En is op die manier zogenoemde ‘intersubjectiviteit’ te bereiken (=oordelen die door meerdere onderzoekers (‘subjecten’) gedeeld worden)?
  2. Uit het antwoord moet duidelijk worden dat de scène tot in detail bestudeerd is. Voorbeeld: ‘Het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke waarneming wordt in dit fragment niet expliciet benoemd, maar speelt misschien een meer onderhuidse rol. Beck lijkt vooral de lichamelijke kenmerken van de asielzoeker waar te nemen: hij kijkt naar zijn gebit, hij vindt hem op een dierlijke manier bedreigend. Becks vrouw let eerder op innerlijke kenmerken, zoals intelligentie. Ook zou je kunnen zeggen dat Beck het oordeel van zijn vrouw niet zo serieus neemt: met het woord ‘guitig’ en de droge taxering waarmee hij reageert, lijkt hij een onderscheid te maken tussen wat hij zelf een rationele visie op de asielzoeker vindt (hoewel die vooral gebaseerd lijkt op observaties over het uiterlijk van de asielzoeker) en de flirterige, emotionele visie van zijn vrouw.’ Vergelijking met medeleerlingen zet de leerlingen mogelijk op het spoor van patronen in waarnemingen, en dus op factoren die intersubjectiviteit tot stand brengen: waarnemers die uit een groep met overeenkomstige kenmerken komen (mannelijk medeleerlingen, of vrouwelijke), komen misschien eerder op dezelfde waarnemingen uit?

Stap 2

  1. Voorbeelden van goede antwoorden zijn (minimaal twee): vrijheid (van meningsuiting, van geloof), gelijkheid (tussen mannen/vrouwen, tussen mensen van verschillende geaardheid, in kansen), recht op onderwijs/bed-bad-brood/gezondheidszorg, geen doodstraf, etc.
  2. Uit een antwoord moet een beginnend inzicht spreken dat beelden normen in zich hebben en uitdragen, en bovendien reducerend werken. Denk aan foto’s van IS-strijders die hen reduceren tot in het zwart geklede mannen met geweren en wapperende vlaggen; de eindeloze stroom foto’s van het ‘fitgirl’-ideaal op Instagram die het beeldsignaal uitzenden dat vooral het lichaam van vrouwen ertoe doet; Suit Supply reclames die beelden verspreiden van vrouwen die ondergeschikt zijn aan de man; maar ook aan beelden die schietspelletjes bepaalde rolverdelingen laten zien (Amerikanen die Nazi’s / Vietnamezen / terroristen / zombies etc. overwinnen); en rolverdelingen in James Bond films (zowel politiek als gender) etc. De definities blijken mogelijk nog te vaag en te weinig specifiek om ze echt voor analyses te gebruiken, maar sturen de gedachten wel in de richting van bepaalde observaties.
  3. a) In het antwoord wordt de verteller losgekoppeld van Beck en worden tekstvoorbeelden gebruikt. Voorbeeld van een goede analyse: ‘Zijn grijns, valt Beck nu op, …’. Door het gebruik van ‘nu’ geeft de verteller aan dat Beck zich eerder niet zo bewust was van dreiging die er van de asielzoeker uitgaat. Als de verteller dan vervolgens meedeelt: ‘Hij heeft niet voor niets in een gang gezeten.’, dan weet je als lezer dat het personage Beck het een en ander bij elkaar op aan het tellen is. Twee keer de tanden ontbloten, in een gang gezeten hebben: het is voor het personage Beck genoeg reden om zich bedreigd te voelen.’
    b) Eigen antwoord, motivering is belangrijk. Door het laatste deel van de opdracht leren leerlingen observeren dat verteller en personage verschillende – en mogelijk zelfs tegenstrijdige – leeseffecten oproepen.

Stap 3

  1. Open vraag.
  2. In het antwoord worden de resultaten van de Personagebank in verband gebracht met mogelijke ideologieën in de echte wereld. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘Mannelijke personages komen vaker voor, en zijn ook nog relatief vaak een van de hoofdpersonages. Dit geeft het idee dat mannen belangrijker zouden zijn dan vrouwen, of meer noemenswaardige dingen beleven. En dat wekt de indruk dat mannen belangrijker zijn, of meer beleven – dus niet alleen maar zo beschreven worden in een roman, maar ook in werkelijkheid zo zijn.’
  3. Open vraag. Voorbeeld: ‘In de werkelijkheid is het aandeel van hogeropgeleiden veel lager dan in Nederlandstalige romans. Dit verschil tussen werkelijkheid en romans zou erop kunnen duiden dat de Nederlandse literatuur vooral voor en door hoger opgeleiden geschreven (en gelezen?) wordt. Verder is het opvallend dat vrouwelijke personages veel vaker jong (onder de 35) zijn dan mannelijke personages.’
  4. Open vraag. Voorbeeld: ‘Bij zowel mannen als vrouwen staan de scholier en student bovenaan de lijst. Bij vrouwen gevolgd door ‘huisvrouw’ en ‘prostituee’. Bij de mannen volgen na scholier en student maatschappelijk gezien veel aanzienlijkere beroepen dan huisvrouw en prostituee. Dit verschil maakt op de lezer een bepaalde indruk en kan hem/haar doen denken dat de werkelijkheid ook zo is.’
  5. Open vraag. Voorbeeld: ‘Ongewoon  veel personages wonen in Amsterdam. Als personages in het buitenland wonen, wonen ze veel meer dan je zou kunnen verwachten op basis van de werkelijkheid  in hoofdsteden.’
  6. Argumentatie is belangrijk in dit antwoord. Voorbeeld: ‘Op basis hiervan kun je weinig zeggen over de representatie, omdat de resultaten niet afgezet worden tegen de resultaten van alle personages samen.’ of ‘Ja, want de kenmerken van deze personages zijn opvallend. Het aandeel lageropgeleiden is groter bij personages van Noord-Afrikaanse afkomst dan bij alle personages samen en de meesten wonen in een grote stad. Dat zegt dus iets over hoe de groep Noord-Afrikanen in Nederland wordt gezien.’

Stap 4

Eisen: Een van de twee stellingen is gekozen, er wordt een standpunt ingenomen en onderbouwd met meerdere argumenten. De termen representatie en ideologie worden gebruikt. Geheel is ongeveer 500 woorden.

Stap 5

Vrije opdracht waarin leerlingen ofwel de man-vrouwverhoudingen omdraaien, of het perspectief veranderen in een scène uit een recent gelezen roman.

 

niveau 1

Deze proef gaat over woordgebruik. Woorden worden gezien als sporen van historische denkbeelden. Er wordt gebruik gemaakt van de Ngram-viewers van de DBNL en Google. Met deze tools kun je online databases met teksten doorzoeken op specifieke woorden, waarmee zichtbaar wordt hoe vaak een woord voorkomt in verschillende jaren.

In deze proef leren leerlingen iets over het verband tussen ontwikkelingen in taal, cultuur en geschiedenis. Met de Ngram-viewer kunnen leerlingen zicht krijgen op hoe vaak een woord gebruikt wordt in een corpus van teksten en wanneer het voor het eerst voorkomt. Deze taalontwikkelingen kunnen ze in verband proberen te brengen met cultuurhistorische ontwikkelingen. Onderzoeksvragen die bij deze analyse aan bod komen zijn bijvoorbeeld: Hoe komt het dat een bepaald woord eerder of vaker voorkomt dan een ander woord, en wat zegt dat over de tijd waarin dat woord gebruikt werd? Is er een historische verklaring te vinden voor het opkomen of verdwijnen van bepaalde woorden? Wat zegt de opkomst van een nieuw woord over de hedendaagse cultuur: wat voor ideeën gaan er achter een woord schuil? Belangrijk in deze proef is dus de wisselwerking tussen taal en de geschiedenis van de samenleving waarin die taal gebruikt wordt.

In deze proef moet een filmpje worden gekeken met geluid, een koptelefoon of speakers zijn dus noodzakelijk.

Leerdoel en concepten
Het leerdoel van deze proef is:

Leerlingen zijn in staat woordgebruik op grotere schaal te interpreteren. Ze kunnen een verband leggen tussen taal en geschiedenis door woordgebruik te zien als een spoor van ideeën en gebruiken.

De volgende concepten zijn belangrijk in deze proef:

  • corpus
  • digitaliseren
  • woordfrequentie

Antwoordmodel
Het antwoordmodel geeft een indruk van het soort antwoord dat mogelijk is en de eisen waaraan een antwoord zou moeten voldoen, vaak toegelicht met een of meerdere voorbeelden. Er is doorgaans geen sprake van één goed antwoord, wel van juiste denkrichtingen of de voorwaarden (een goede argumentatie, goed lezen etc.) van een argumentatie.

Stap 1

  1. Het antwoord bevat een relatief nieuw populair woord met een uitleg/onderbouwing over de mogelijke culturele betekenis van het woord. Leerlingen worden aangespoord na te denken over de manier waarop ze een onderzoek naar die culturele betekenis kunnen opzetten. Die term ‘culturele betekenis’ moeten ze dan operationaliseren, dat wil zeggen omzetten naar iets wat een onderzoeker daadwerkelijk kan onderzoeken. Aanname is dat ‘culturele betekenis’ bestaat, maar meten of doorgronden kun je het niet zonder bijvoorbeeld naar concrete fenomenen of gebeurtenissen te gaan kijken. Bij operationaliseren kunnen ze denken aan: onderzoek om te bepalen dat het gekozen woord vaak in combinatie met andere voorkomt (wat duidt op associaties die woorden oproepen). In het geval van selfie zullen dat bijvoorbeeld geografische locaties zijn (waar worden allemaal selfies gemaakt, hoe worden mensen opgeroepen selfies op bepaalde locatie te maken?), maar ook personen (waarom beroepen mensen zich op selfies met beroemdheden?). Door die combinaties komt in beeld waar er door wie om welke reden selfies gemaakt worden, en daarmee worden de contouren van de culturele betekenis zichtbaar en te onderzoeken.
  2. Een reflectie op (een aantal) ‘Woorden van het Jaar’ volgens van Van Dale, en het verband tussen de opkomst van die woorden en bepaalde media. Heeft de opkomst van Instagram (bestaat sinds 2010) of Snapchat (bestaat sinds 2011) bijvoorbeeld sporen nagelaten? Hoe snel hebben nieuwe media dus invloed op woordgebruik? En kun je ook woorden terugvinden die met de opkomst van bepaalde literaire genres te maken hebben? ‘Chicklit’ bijvoorbeeld, in gebruik sinds 1995: welke woorden zijn in het spoor daarvan in gebruik geraakt? Door dwarsverbanden tussen woorden en media te zoeken, kunnen deelvragen worden opgesteld en kan een onderzoek worden opgezet.

Stap 2

  1. Mogelijke criteria zijn: historische betekenis, zeldzaamheid, faam, kwetsbaarheid, esthetische kwaliteit. Uit het antwoord moet een beginnend inzicht blijken dat 1) archieven keuzes moeten maken en niet alles kunnen digitaliseren, 2) dat digitaliseren een duur en ingewikkeld proces is en 3) dat archieven met hun selectiecriteria voor digitalisering een stempel drukken op wat in een samenleving overgeleverd dan wel vergeten wordt.
  2. Criteria kunnen hier afwijken van die uit opdracht 1, omdat de blijvende waarde van literaire teksten aan iets anders wordt afgelezen dan de blijvende waarde van archiefstukken. In de meest extreme vorm: waar een archiefstuk bewaard en gedigitaliseerd wordt omdat er maar 1 exemplaar van is, kan voor digitalisering van literatuur juist het criterium ‘wijdverspreid en invloedrijk’ gelden. De vergelijking zet de leerling op het spoor van specifieke eigenschappen van het woordgebruik in literaire teksten, in vergelijking met andersoortige teksten. Een goed antwoord bevat dus ook een reflectie op de verschillen tussen literaire teksten en archiefstukken als bronnen voor onderzoek. Bij literaire teksten ligt het accent dus mogelijk op hun maatschappelijke of culturele invloed en gaat het louter om de tekst zelf. Bij een archiefstuk zijn vaak niet alleen de inhoud, maar ook bezitsgegevens (‘wie had dit document in het verleden in handen?’) van belang. Zulke overwegingen leiden tot verschillende criteria. 
  3. Dat hangt van je onderzoeksvraag af. Een goed antwoord toont inzicht in methodologische overwegingen en in de status van een corpus in tekstonderzoek: welke teksten moet ik selecteren voor welke vragen, en wat is de invloed van mijn corpus op de resultaten? We geven een voorbeeld: als je een vraag hebt die de ‘literariteit’ van een tekst wil onderzoeken (‘is deze tekst literair of niet?’), dan is het relevant en nodig om teksten van allerlei aard in je corpus op te nemen en dan te zien of je verschillen in woordpatronen waarneemt die te maken hebben met het al dan niet literair zijn van een tekst. In heel veel gevallen zal de literatuuronderzoeker vragen opstellen die niet samenhangen met de vraag ‘is deze tekst literair of niet?’ Veel onderzoekers gaan uit van de aanname dat de vraag ‘is deze tekst literair of niet?’ afhangt van opvattingen die per tijd kunnen verschillen en dus veranderen (bijvoorbeeld met smaak te maken hebben). Wat 20 jaar geleden niet als literatuur werd gezien, kan nu wel literatuur heten. Zij zullen dus vaker vragen maken op basis van een corpus waarvoor ze al bepaald hebben of het literair is of niet, en selecteren dan bijvoorbeeld literaire romans om vervolgens te kijken of ze binnen dat corpus patronen in woordgebruik kunnen vinden die antwoord geven op een onderzoeksvraag die heel specifiek gaat over patronen in romans.

Stap 3

  1. Door het corpus aan te passen, kun je onderzoek doen naar een bepaald type/genre teksten van het totale aanbod. De vraag moet dus samenhangen met onderzoek naar een bepaald corpus, of vergelijking daartussen.
  2. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘De reden dat macaroni zoveel eerder voorkomt dan cheeseburger, hangt mogelijk samen met het moment waarop beide gerechten voor het eerst bestonden: was macaroni er eerder dan de cheeseburger?  Ook de nabijheid van landen kan van invloed zijn: omdat Italië een stuk dichterbij Nederland ligt dan Japan, is het uitwisselen tussen die culturen en eetgewoonten veel eerder op gang gekomen. Zo is veranderend woordgebruik ook een indicator van globalisering. Eetgewoonten raken op een mondiale schaal met elkaar verweven en wekken niet meer zo veel verbazing als in de achttiende en negentiende eeuw.’
  3. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘Het woord macaroni komt voor in verschillende soorten teksten, in het begin vooral reisteksten die in Nederland onbekende fenomenen zoals eetgewoonten en eetgedrag aan lezers beschrijven. Het lijkt in de eerste helft van de negentiende eeuw geen echt nieuw woord meer te zijn, omdat de auteurs dan niet meer uitleggen wat het is. Hoeft niet, hun lezers weten het al.’
  4. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘Gehoorzaam komt vaker voor dan ongehoorzaam en braaf komt vaker voor dan stout. Dit duidt erop dat jeugdliteratuur een opvoedkundige functie heeft, en daarbij mogelijk vaker wenselijk gedrag van kinderen en jongeren als voorbeeld stelt dan ingaat op onwenselijk gedrag. Ook zie je dat het woord langzamerhand steeds meer gebruikt wordt in alleen dit type tekst. Mogelijk raakt het zo ook verouderd: als het op een gegeven moment alleen nog in literaire teksten wordt opgenomen, wat gebeurt er dan met een woord? Dat zou een mogelijke vervolgvraag in dit onderzoek kunnen zijn.’
  5. Er is een bepaalde tekstsoort en een of meerdere woorden gekozen waarover verwachtingen worden uitgesproken, waarna de resultaten van de Ngram-viewer geanalyseerd worden.

Stap 4

Eisen: Een van de drie stellingen is gekozen en de stelling wordt onderbouwd of weerlegd. Het geheel is ongeveer 500 woorden.

Stap 5

Hier kiezen leerlingen een van de opties om naar eigen inzicht verder te werken met de ideeën en/of tools uit de proef. De omvang van het verslag kan op ongeveer 1 A4 worden gehouden, in de bijlages bij dat A4tje komen dan de grafieken die de analyses en conclusies onderbouwen.

niveau 2

Deze proef gaat over politieke speeches. Van wat voor woorden en stijlfiguren maken politici gebruik om het publiek te bereiken en effecten over te brengen? Om dit in kaart te brengen, wordt in deze proef een word cloud generator gebruikt die zichtbaar maakt welke woorden het vaakst in een tekst voorkomen.

Leerlingen leren in deze proef speeches te analyseren. Daartoe maken ze kennis met verschillende stijlfiguren die ze zelf in teksten kunnen vinden, maar ook met digitale analyses die een meer globale indruk geven van patronen in de stijl van een tekst. Belangrijke onderzoeksvragen in deze proef zijn bijvoorbeeld: hoe kunnen stijlfiguren ingezet worden om een speech levendig te maken? Wat proberen politici bij het publiek te bereiken met bepaald taalgebruik? Wat maakt de taal van een politicus kenmerkend? Kan een word cloud ingezet worden om patronen in taal bloot te leggen? Hoe komt het dat de media sommige politici vaker citeren dan andere?

Een koptelefoon of oortjes zijn handig in deze proef. De proef verwijst een aantal keer naar filmpjes die niet noodzakelijk zijn om de vragen te kunnen beantwoorden, maar wel toegevoegde waarde hebben.

Leerdoel en concepten
Het leerdoel van deze proef is:

Leerlingen kunnen een speech analyseren met behulp van stijlfiguren en word clouds. Ze kunnen reflecteren op de mogelijke effecten van stijlfiguren.

De volgende concepten zijn belangrijk in deze proef:

  • stijl
  • stijlfiguren
  • word cloud

Antwoordmodel
Het antwoordmodel geeft een indruk van het soort antwoord dat mogelijk is en de eisen waaraan een antwoord zou moeten voldoen, vaak toegelicht met een of meerdere voorbeelden. Er is doorgaans geen sprake van één goed antwoord, wel van juiste denkrichtingen of de voorwaarden (een goede argumentatie, goed lezen etc.) van een argumentatie

Stap 1

  1. Open vraag. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘Voor Thieme is een verbod op de bio-industrie een ultiem politiek doel. Door te verwijzen naar Cato, die uiteindelijk succes had met het blijven herhalen van zijn wens, geeft ze haar boodschap de lading mee dat ook haar volharding uiteindelijk tot succes zal leiden. Het zou effectief kunnen zijn, omdat iedereen telkens als zij spreekt, herinnerd wordt aan dit standpunt. Maar het effect van retoriek hangt niet alleen af van de tekst. Ook intonatie, timing en lichaamstaal spelen een rol. De invloed van die factoren kun je niet meten door alleen naar woordpatronen te kijken.’
  2. Een antwoord waaruit blijkt dat de leerlingen de analyse van Trumps speech hebben gelezen, met minimaal twee voorbeelden. Bijvoorbeeld: korte zinnen, veel herhaling.
  3. Voorbeelden: De lengte van zinnen, iets presenteren als feit of als mening, etc.

Stap 2

  1. Twee zinnen met daarin belangrijke delen uit het lemma van DBNL. Voorbeeld: ‘Stijl is een breed begrip voor de manier waarop iemand taal gebruikt (zowel schrijvend als sprekend). Al sinds de oudheid bestaan er stijlnormen (impliciete stijleisen waar je je beter aan kunt houden), maar ook het idee dat stijl persoonsgebonden is en ruimte laat om af te wijken van de normen.’ Vervolgens geeft de leerling iets weer over de vergelijking van het antwoord met een medeleerling.
  2. Twee zinnen met daarin een stijlfiguur. Mogelijke effecten zijn: het publiek op het verkeerde been zetten, een bepaalde nadruk leggen, overdrijven, iets verzwijgen, het publiek afleiden, humor. 

Stap 3

  1. Drie stijlfiguren met voorbeelden uit de tekst. Voorbeeld: ‘Er staan erg veel analogieën in de speech, bijvoorbeeld in de derde alinea waar de eerste vier zinnen allemaal beginnen met ‘(But) one hundred years later’. Aan het antwoord is een argument toegevoegd waarom er voor deze specifieke stijlfiguur is gekozen.
  2. Eigen antwoord. Voorbeeld: ‘De woorden die groot worden weergeven in de word cloud (en die dus vaak worden gebruikt) geven een duidelijke indruk van de inhoud. Woorden als freedom, justice en right geven het doel van de speech weer, woorden als negro en America laten zien waar de speech betrekking op heeft.’
  3. Het gedeelte over de American Dream gaat over het belang van vrijheid en gelijkheid en de mogelijkheid tot ‘upward mobility’ (de gedachte dat iedereen  alles kan bereiken met hard werken, door eigen inspanning). Het gedeelte over de functie van ‘dream’ in de speech kan bijvoorbeeld luiden: ‘De herhaling van het woord ‘dream’ benadrukt dat het gaat om iets wat er nog niet is, maar vanwege de link met de American Dream wordt de luisteraar wel op het idee gebracht dat ook deze droom gerealiseerd kan worden als iedereen er zijn best voor doet.  Alles is immers mogelijk in Amerika, zo schrijft die ‘American Dream’-gedachte voor.’
  4. Voorbeelden van stijlfiguren uit de speech en een toelichting waarin het effect besproken wordt. Voorbeeld: ‘Thieme gebruikt een analogie die versterkt wordt door alliteratie: ‘dat het door Samsom verfoeide Rechtse Rotbeleid en het door Rutte gehate Rode gevaar, in coalitievorm alleen averechts kan werken.’ De overeenkomstigheid tussen de twee eerste delen (‘het (…) Rotbeleid’ en ‘het (…) Rode gevaar’) benadrukt de wederzijdse negatieve houding van beide partijen, waardoor de conclusie die volgt (‘in (…) werken.’) sterker lijkt.’
  5. Een goed antwoord geeft blijk van enig inzicht in de problematiek van word clouds, en in de mate waarin ze onderwerpen in een tekst kunnen representeren. Ook is er in dit antwoord ruimte voor kritiek op word clouds. Welke aannames zitten erachter, en kunnen ze bij de verkeerde aannames ook misleidend zijn? Voorbeeld van een goed antwoord: ‘Er staan veel ‘functiewoorden’ in, zoals ‘het’, ‘van’, ‘een’ en veelvoorkomende werkwoorden ‘zijn’, ‘kunnen’.’ Zulke functiewoorden worden eruit gefilterd in de tekst van King, dus dat betekent dat de werking van deze word cloud taalafhankelijk is. Het roept ook de vraag op welke woorden het programma eruit filtert, en waarom. Voor aanvullend onderzoek zou je de tekst zelf kunnen lezen en daarbij zelf een inschatting maken van wat de belangrijke woorden zijn. Of je vraagt aan meerdere mensen om de tekst samen te vatten in enkele kernwoorden. Vervolgens vergelijk je die kernwoorden met de resultaten van de word cloud. 
  6. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘In de woordwolk van de Nederlandse site zijn de functiewoorden eruit gefilterd. Dit kan de Engelse variant niet met een Nederlandse tekst. De Nederlandse versie is daarom mogelijk geschikter voor een analyse van de inhoud van speeches.’

Stap 4

  1. Open vraag. Een goed antwoord bevat stijlfiguren uit de speech van Wilders met mogelijke effecten van die stijlfiguren, een vergelijking daarvan met stijlfiguren uit Thiemes speech, waarna het verband wordt gelegd tussen eventuele verschillen en de boodschappen van beide politici.
  2. Open vraag. Een goed antwoord bevat voorbeelden van wat in beide woordwolken te zien is en argumentatie of een woordwolk het wel of niet mogelijk maakt iets te zeggen over de stijl of politieke prioriteiten van beide politici.
  3. Het gebruik van ofwel stijlfiguren ofwel word clouds in stijlanalyse wordt geëvalueerd, in een beargumenteerd verhaal van ongeveer 300 woorden.

Stap 5

Vrije opdracht. Uit het geschreven resultaat moet blijken dat alle stappen van een van beide opdrachten gevolgd zijn.

niveau 1

Deze proef gaat over voordracht in de middeleeuwse vertelcultuur. De tekst die wordt bestudeerd is het mariamirakel Beatrijs uit 1374. In deze proef wordt ook gebruik gemaakt van de ‘scandeermachine’, een tool die ritmes in een tekst blootlegt en van de site Vogala. Deze site bevat ingesproken moderne voordrachten van Middelnederlandse teksten.

Leerlingen leren in deze proef iets over de rol van, en invloed van voordracht op teksten, en leren de performatieve functie van literatuur zien en aanwijzen in een tekst. Hiervoor gaan ze terug naar de vertelcultuur in de Middeleeuwen, bestuderen ze een originele Middelnederlandse tekst en beluisteren ze voordrachten. Rijm, metrum en vertelsituatie zijn de instrumenten waarmee ze kennis vergaren. Onderzoeksvragen in deze proef zijn: Wat zijn de kenmerken van performatieve literatuur van vroeger en vandaag? Hoe kunnen we te weten komen op welke manier teksten vroeger werden voorgedragen? Waaraan kun je zien dat een tekst voorgedragen werd? Belangrijkste leerdoel is al met al het zicht krijgen op de wisselwerking tussen de functie en de vorm van literatuur.

Bij deze proef is een hoofdtelefoon vereist.

Leerdoel en concepten
Het leerdoel van deze proef is:

Leerlingen kunnen een verband leggen tussen de functie en de vorm van literatuur, door iets te leren over performativiteit en literaire kenmerken die daarbij horen. Ze maken kennis met een oorspronkelijke Middelnederlandse tekst en kunnen creatief reflecteren op het geleerde.

De volgende concepten zijn belangrijk in deze proef:

  • (eind)rijm
  • metrum
  • vertelsituatie
  • performatieve literatuur

Antwoordmodel
Het antwoordmodel geeft een indruk van het soort antwoord dat mogelijk is en de eisen waaraan een antwoord zou moeten voldoen, vaak toegelicht met een of meerdere voorbeelden. Er is doorgaans geen sprake van één goed antwoord, wel van juiste denkrichtingen of de voorwaarden (een goede argumentatie, goed lezen etc.) van een argumentatie

Stap 1

  1. Een antwoord met de volgende strekking: ‘Het handschrift op de website van de KB is de enige overgebleven papieren tekst in het Middelnederlands van de Beatrijs. Dat gaat dus om een specifieke tekst. Het verhaal is echter veel breder bekend door mondelinge overdracht.’ Doel is de leerlingen het verschil tussen een tekst (specifieke overdracht van een verhaal, in materiële vorm van bijvoorbeeld manuscript of boek) en een verhaal duidelijk te maken. En te laten zien dat een verhaal ‘plooibaar’ is: elke tekst/materiële vorm levert een verhaal in bepaalde vorm weer, en die vorm kan meer en minder ingericht zijn op de voordracht van de tekst.
  2. Een beargumenteerd standpunt. Voorbeeld: ‘Ik denk dat het te achterhalen is, omdat er misschien wel dingen bij de tekst staan die aanwijzingen geven over hoe het voorgedragen zou moeten worden. Het is niet mogelijk te achterhalen wat voordrachtskunstenaars daadwerkelijk deden.’ Sommige zaken zullen onderzoekers heel moeilijk aan de hand van één tekst kunnen achterhalen (hoe lang duurde bijvoorbeeld de voordracht van 1000 regels?). Maar met slim combineren van gegevens komen ze toch een heel eind. Als bronnen zoals dagboeken bijvoorbeeld vermelden dat het voorlezen van tekst x (in een handschrift dat we nu nog kennen, met aantal regels dat we kennen) een avond duurde, is het tempo van vertellen in te schatten. Als we tenminste aannemen dat voordragen voorlezen benaderde: de voordrachtkunstenaar zich aan de tekst hield. Kortom een onderzoeksgebied met veel onzekerheden, maar ook wel de mogelijkheid om via deduceren en combineren tot groter inzicht te komen.

Stap 2

  1. Een antwoord bevat drie voorbeelden, zoals: luisterboeken, poetry slams, spoken word, rapmuziek, liederen met poëtische teksten, toneel. In al deze gevallen verrijkt performativiteit of voordracht de tekst. Er kunnen verschillende redenen gegeven worden voor de keuze voor voordracht. Bijvoorbeeld: performatieve genres zoals spoken word en rapmuziek zijn vaak persoonlijke expressies. In die gevallen kun je de tekst eigenlijk niet los zien van de auteur/ performer: hij of zij moet aanwezig zijn. In het geval van luisterboeken gaat het vooral om een andere ervaring van een verhaal. Veel mensen kunnen zich beter laten meeslepen door een verhaal wanneer het voorgelezen wordt dan wanneer zij het zelf lezen. 
  2. Een antwoord bevat twee voorbeelden, zoals: dynamiek (hard en zacht praten), stemmetjes nadoen, tempowisselingen, gebaren, lichaamstaal, mimiek, accenten. Daarnaast bevat een goed antwoord een zekere gevoeligheid voor de contextgebondenheid en talige afhankelijkheid van zulke kenmerken van communicatie. Vooral dynamiek, gebaren, mimiek en lichaamstaal worden als sterk cultuurgebonden ervaren. Die aspecten zullen dus ook veranderen als verhalen over grenzen verteld worden. 

Stap 3

  1. Het antwoord moet minimaal drie elementen bevatten, bijvoorbeeld: ‘Het schrift is moeilijk te lezen, maar het lukt een beetje. Wat me opvalt is dat de eerste letter van de regel los van de rest van het eerste woord staat. Ook staan de rijmende regels niet onder elkaar, de tekst loopt gewoon door. De ‘d’ is geschreven als een ‘o’ met een haakjes naar linksboven.’ 
  2. Eigen antwoord, bijvoorbeeld: ‘De rijmende regels staan niet onder elkaar, wat erop duidt dat het als doorlopende tekst moest worden voorgedragen.’
  3. Een nieuw gedeelte start telkens met een versierde grote letter.
  4. Bijvoorbeeld een van de volgende: r. 26: ‘ic wille u segghen’, r. 30 ‘dat seggic u’, r. 81 ‘Nu hoert hoeter na verginc’
  5. Eigen antwoord, met daarin een vergelijking tussen beide patronen. Uit het antwoord moet blijken dat de leerling begrijpt hoe metrum werkt en hoe je het kunt analyseren. Een goed antwoord reflecteert inzicht in dat performatieve teksten metrum bewust inzetten om bepaalde woorden nadruk te geven, of om de tekst als geheel een zekere cadans te geven. 
  6. Eigen antwoord, bijvoorbeeld: ‘Het is iets beter te begrijpen, omdat de spelling van het Middelnederlands soms niet overeenkomt met de klank die nu aan die lettercombinatie gekoppeld wordt. Bijvoorbeeld bij ‘coer’ = koor.’
  7. Eigen antwoord, bijvoorbeeld: ‘Ik hoor de rijm en het metrum wel, maar niet overal even goed. Verder wisselt de voordrager van tempo en spreekt met emotie, bijvoorbeeld wanneer zij tot Maria bidt.’
  8. Eigen antwoord met daarin opvallende verschillen en de voordelen van beide versies, bijvoorbeeld: ‘Wilminks vertaling is veel vrijer, maar behoudt het rijm en metrum. De letterlijke vertaling doet dat niet en heeft dus minder performatieve eigenschappen.’

Stap 4

Eisen: Een van de drie stellingen is gekozen, er wordt een standpunt ingenomen en onderbouwd met meerdere argumenten. Geheel is ongeveer 500 woorden.

Stap 5

Leerlingen kiezen een van beide opdrachten, die resulteren in een creatieve uiting met presentatie in de klas. Bij opdracht 1 is het belangrijk dat leerlingen hun vertaling laten rijmen en metrisch maken, en aandacht besteden aan de manier waarop ze die vertaling voordragen. Hun presentatie doen ze ‘live’. Opdracht 2 resulteert in een filmpje, waarbij leerlingen een eigen gedicht of verhaal voordragen. Dit filmpje wordt vertoond in de klas en ingeleverd, samen met een korte toelichting over de performativiteit van het verhaal of gedicht.

niveau 2

De proef gaat over boeken als objecten, met de overgang van het handschrift naar het gedrukte boek als uitgangspunt. Online scans van oude drukken worden gebruikt om deze overgang te onderzoeken.

Leerlingen leren in deze proef oude drukken met handschriften vergelijken. Onderzoeksvragen in deze proef zijn: Waarin verschillen gedrukte boeken van handschriften? Welke vormkenmerken blijven juist behouden, en waarom? Hoe beïnvloedt het medium ‘boek’ het lezen van een tekst?

Voor deze proef is een koptelefoon nodig.

Leerdoel en concepten
Het leerdoel van deze proef is:

Leerlingen begrijpen dat niet alleen de inhoud van een tekst, maar ook het medium waarin het wordt overgedragen belangrijk is omdat het medium beïnvloedt welke betekenis je geeft aan wat je leest. Ze kunnen vroege drukken van handschriften onderscheiden en reflecteren op de verschillen.

De volgende concepten zijn belangrijk in deze proef:

  • katern
  • katernsignatuur
  • verluchtigen

Antwoordmodel
Het antwoordmodel geeft een indruk van het soort antwoord dat mogelijk is en de eisen waaraan een antwoord zou moeten voldoen, vaak toegelicht met een of meerdere voorbeelden. Er is doorgaans geen sprake van één goed antwoord, wel van juiste denkrichtingen of de voorwaarden (een goede argumentatie, goed lezen etc.) van een argumentatie.

Stap 1

  1. Uit het antwoord moet blijken dat de leerling ziet dat het een proces is met heel veel stappen. Met name in de fase dat de tekst gezet worden (de letters gekozen worden) kan de tekst af gaan wijken: de zetter kan de originele tekst van de auteur verkeerd lezen, kan variaties maken in de lay-out of andere spelling gaan hanteren. Op al die zaken (wat staat er precies in de tekst, maar ook: hoe is de lay-out van een tekst) baseren literatuuronderzoekers hun analyses en conclusies. Mogelijk ten onrechte dus als het om oude boeken gaat, want het kan zaken betreffen die veroorzaakt worden door het drukproces. Om vast te stellen of iets met opzet of per ongeluk gebeurd is tijdens het drukken, is veel kennis van het drukproces nodig.
  2. Voorbeelden van overeenkomsten zijn: beide mediarevoluties werkten democratiserend, beide veranderden onze manier van lezen, beide veranderden onze samenleving ingrijpend. Als onderzoek kun je kijken naar zaken als de lengte van teksten, naar de opmaak en naar het gebruik van nieuwe tekens (ter aanvulling op de letters van het alfabet). De vergelijking maakt ook duidelijk dat de introductie van nieuwe media niet altijd dezelfde effecten hoeft te hebben. In handgeschreven manuscripten vind je bijvoorbeeld heel veel afkortingen, die in de gedrukte boeken meer en meer vervangen werden door volledig uitgeschreven woorden. Een nieuw medium betekent dus niet per definitie een kortere tekst. Zo helpt de vergelijking je aanknopingspunten te vinden voor je analyses, maar ook scherp te kijken naar wat er daadwerkelijk gebeurt om niet te snel tot generalisaties of hele grote aannames te komen.

Stap 2

  1. Een antwoord met de volgende strekking: ‘De pagina’s staan zowel op de achterkant als voorkant van het a4’tje en lijken erg willekeurig verdeeld en vaak ook nog omgedraaid. Er moet van tevoren dus erg goed nagedacht worden welke pagina op welk gedeelte van een katern gedrukt wordt, om de goede volgorde en goede leesrichting te krijgen.’ De leerlingen zien zo nog preciezer hoe foutgevoelig het drukproces was, en hoe goed je dus moet opletten als onderzoeker of je met een bewuste afwijking (waar je waarde aan kunt hechten in je analyse) dan wel een onbewuste fout (die je misschien beter kunt negeren) te maken hebt.
  2. Het katernsignatuur staat onderaan (A2). Daarnaast is er helemaal onderaan rechts een zogenaamde ‘custode’ te zien. Dat is het eerste woord van de volgende pagina, daar neergezet als controle voor de drukker. Of de pagina’s in de goede volgorde gezet werden en een lopende tekst werd afgedrukt in de juiste volgorde, kon zo eenvoudig gecontroleerd worden. Voor de onderzoeker vormen ze een belangrijk aanknopingspunt, want fouten in het zetten kom je er snel meer op het spoor.
  3. Kleuren werden in manuscripten bijvoorbeeld gebruikt om bepaalde woorden meer op te laten vallen, om overgangen tussen tekstdelen te markeren. Ze stuurden de lezer dus tijdens het lezen in bepaalde richtingen: de gekleurde delen vragen om meer aandacht van de lezer, zou je kunnen zeggen. In vroeggedrukte boeken heeft men mogelijk wel dezelfde sturing aan het leesproces willen geven. Dat zou je kunnen onderzoeken door de lay-out van die boeken te bekijken, maar ook door onderzoek te doen in bronnen die we over het ontstaan van vroeggedrukte boeken hebben. Gutenberg bijvoorbeeld werkte heel lang tot hij de in zijn ogen perfecte opmaak van de bijbel had, en in zijn administratie hebben onderzoekers veel informatie gevonden over beslissingen die hij nam en de motivatie daarvoor (beter leesbaarheid van letters, maar ook grotere zichtbaarheid van bepaalde delen van een tekst). Dus niet alleen de boeken zelf, maar ook de bronnen rond de boeken zijn een bron van informatie.

Stap 3

  1. Uit de vergelijking blijkt met name dat nieuwe ontwikkelingen nooit radicale breuken met het verleden zijn:  de nieuwe druktechniek gingen niet gepaard met grote veranderingen in de bladspiegel of in het uiterlijk van een tekst. Door te bedenken of die observatie overeenkomst met wat ze al dachten, kunnen leerlingen bestaande voorkennis bewust koppelen aan nieuwe indrukken.
  2. Leerlingen doen hier hun eigen observaties, en kunnen die onderbouwen met wat ze weten over tekstkenmerken die verluchtiging dan wel leesbaarheid tot doel hebben.
  3. Er zijn verschillen te constateren: de tekst is niet volledig regelmatig, soms zijn kleine inktvlekken te zien, en er zijn heel veel illustraties. Maar overeenkomsten zijn er ook. Op basis van deze observaties zou een onderzoeksvraag geformuleerd kunnen worden als: is de relatie tussen tekst en medium door de eeuwen heen heel constant geweest, of juist heel veranderlijk?
  4. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘Hij gebruikt roodgekleurde letters naast zwarte en gebruikt verschillende lettergroottes. Grote letters vallen meer op, maar versierde initialen nog meer en zouden dus meer aandacht kunnen trekken. Het is de vraag waarom hij deed wat hij deed: waren andere keuzes (bijvoorbeeld een versierd initiaal) te duur, verwachtte hij veel effecten van kleurgebruik (bijvoorbeeld omdat veel andere titelpagina’s uit die tijd alleen maar in zwart gedrukt zijn)? Dat hangt natuurlijk ook af van wat lezers gewend waren. Indertijd waren bijna alle manuscripten in gotisch schrift geschreven (simpel gezegd: in letters met heel veel krullen en haken). Letters in romein (het lettertype dat we nu veel gebruiken) waren uitzonderlijk, en vielen dus op. Nu is dat precies andersom, en vallen moderne lezers vooral gotische tekstgedeelten erg op. Door dergelijke factoren erbij te betrekken, kunnen deelvragen opgesteld worden en onderzoek uitgevoerd worden dat de eerste observaties van deze titelpagina ondersteunt of bevestigt.

Stap 4
Eisen: Een van de drie stellingen is gekozen, er wordt een standpunt ingenomen en onderbouwd met meerdere argumenten. Geheel is ongeveer 500 woorden.

Stap 5

Een tekst van minimaal 1 A4 waarin de vraag helder beantwoord wordt, en wordt verwezen naar de twee teksten die bij de opdracht horen.

niveau 3

Deze proef gaat over nationalisme in popmuziek. Er worden verschillende clips via YouTube beluisterd en bekeken. Om deze proef te kunnen doen, hebben leerlingen dus een koptelefoon nodig.

Leerlingen leren in deze proef iets over de manieren waarop nationalisme tot uiting kan komen in woord en beeld, toegepast op Nederlandse popmuziek. De centrale vraag is dan ook: wat is het verband tussen een tekst of beeld en het beeld dat we van Nederland hebben? Hoe wordt een nationaal gevoel verbeeld? Wat betekent een tekst, wat associëren we ermee en wat zijn de historische wortels ervan?

Leerdoelen en concepten
Het leerdoel van deze proef is:

Leerlingen kunnen uitingen van nationalisme in populaire cultuur herkennen en analyseren en begrijpen waar nationale symbolen voor dienen.

De volgende concepten zijn belangrijk in deze proef:

  • nationaal symbool
  • nationalisme
  • stereotype

Antwoordmodel
Het antwoordmodel geeft een indruk van het soort antwoord dat mogelijk is en de eisen waaraan een antwoord zou moeten voldoen, vaak toegelicht met een of meerdere voorbeelden. Er is doorgaans geen sprake van één goed antwoord, wel van juiste denkrichtingen of de voorwaarden (een goede argumentatie, goed lezen etc.) van een argumentatie.

Stap 1

  1. Eigen antwoord, bijvoorbeeld: ‘De Britse samenleving ziet zichzelf mogelijk graag als onafhankelijk, als een belangrijk land dat geen onderdeel van een unie moet zijn om zijn plek in de wereld te hebben.’ Belangrijk is dat leerlingen zien dat onderzoek naar iets ongrijpbaars als ‘een nationaal gevoel’, operationalisering nodig heeft. Dus het concreet maken van fenomenen/verschijnselen die onderzocht kunnen worden, en die iets zeggen over het niet concrete gevoel van nationalisme.
  2. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘Het Verenigd Koninkrijk zet zich af tegen de rest van Europa, door de vreemdheid van andere (Oost-)Europese landen te benadrukken (vampieren in Roemenië, bijvoorbeeld). Daarmee maakt het lied duidelijk dat het ‘normale’ Britse volk niet in het geheel van de EU past. Ondanks alles heeft het VK de EU wel nodig, dus hoewel ze zich anders voelen, blijven ze er toch bij.’

Stap 2

  1. Strekking van een goed antwoord: ‘Rond de tijd dat België ontstond, werd deze historische roman geschreven, en kreeg de enorme status die deze nu heeft omdat er behoefte was aan het vormen van een nationale identiteit. Het werd steeds meer gelezen als onafhankelijkheidskreet van de Vlamingen, en heeft een plek gekregen in heel Vlaanderen, met standbeelden, bewerkingen, naamgevingen etc.’
  2. Onder andere België, Noorwegen, Zweden, Finland, Tsjechië, Bulgarije maken gebruik van een leeuw als nationaal symbool. Die leeuw ziet er bij alle landen vaak net iets anders uit: heeft attributen (zoals een nationale vlag) die die specifieke leeuw aan een bepaald land koppelt, of staat in een iets andere pose. Landen eigenen zich het symbool dus toe, maar modificeren het ook (passen het ook aan) om het precies weer te laten geven waar dat specifieke land voor staat.

Stap 3

  1. Eigen antwoord bestaande uit drie typerende woorden, bijvoorbeeld: nuchter, geen hiërarchie, vrijheid, blank (op een enkeling na), sportliefhebbers, vol, tradities.
  2. Eigen antwoord met weer drie woorden, en een uitleg over de verhouding met de clip uit de vorige vraag. Voorbeeld: ‘Tegenstellingen, vrijheid, divers. In dit lied ligt de nadruk meer op diversiteit en tegenstellingen dan in Vijftien miljoen mensen, waardoor er naast kenmerkende Nederlandse tradities ook meer negatieve kanten van Nederland aan bod komen zoals gierigheid, ongastvrijheid en criminaliteit.’
  3. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘In deze tweede versie wordt weer nadruk gelegd op tegenstellingen, maar gaat er meer over de verhouding tussen Nederland en de rest van de wereld: grenzen, vrijheden en racisme.’
  4. Mogelijke thema’s: nadruk op geschiedenis, met ook duistere kanten, Nederland in verhouding met de rest van de wereld (klein land, maar toch significant), vrijheden, openheid, veel regeltjes. Ook kan opgemerkt worden dat Vijftien miljoen mensen meer van de andere liedjes verschilt, doordat het (etnische) diversiteit en verhouding met de rest van de wereld niet behandelt.
  5. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘In het gedicht van Nasr blijkt de negatieve kant van de wetteloosheidsideaal uit het liedje op een andere manier: het gaat niet meer om kleine regeltjes die genegeerd worden, maar om basiswaarden (niet doden) die aan de kant geschoven worden voor andere idealen of willekeur. Ook de gelijkheid en daarmee afkeer van hiërarchie blijkt zowel uit lied als gedicht, maar wederom benadrukt het liedje daar de positieve kanten van en het gedicht de negatieve.’
  6. Voorbeeld van een goed antwoord: ‘Veel rappers en zangers gebruiken dezelfde symbolen, zoals tolerantie, wetteloosheid, vrijheid. Sommigen onder hen zijn kritisch op die symbolen, anderen dragen ze nadrukkelijk uit. Dat heeft ook met perspectief te maken: de ervaring van ‘Nederlanderschap’ van Typhoon – met zijn Surinaamse achtergrond – zal anders zijn dan die van Eric van Tijn. Bovendien zijn alle teksten uit deze stap van mannelijke artiesten, in het genre van de popmuziek. Het zou goed kunnen dat andere genres en andere groepen andere symbolen aanspreken.’

Stap 4

Eisen: In ongeveer 500 woorden wordt de stelling ‘De Nederlander bestaat zou ook eens moeten worden bekeken vanuit het man-vrouwperspectief’ besproken. Een van de drie voorgestelde clips wordt in het verhaal betrokken.

Stap 5

  1. Ondernemerschap.
  2. Een analyse waarin historische gegevens over De Ruyters leven naast elementen uit de trailer worden gelegd. Onderdeel hiervan kan zijn: Michiel de Ruyter is, naast admiraal, ook zelfstandig ondernemer geweest.
  3. Eisen: een analyse van ongeveer 500 woorden waarin wordt beschreven hoe de Bataafse mythe doorklinkt in de film Michiel de Ruyter.

Niveau 1

Deze proef gaat over de Boertige Liederen van G.A. Bredero. Er worden verschillende liederen geanalyseerd. Om deze proef te kunnen doen, hebben de leerlingen een laptop/computer/tablet nodig, een koptelefoon of oortjes en internetverbinding.

Leerlingen leren in deze proef hoe de context van historische teksten te gebruiken om de betekenis die de liederen indertijd gehad kunnen hebben, te achterhalen. Door op zoek te gaan naar die betekenissen, krijgen ze zicht op de centrale vraag van deze vraag: hoe functioneerden liedjes zoals die van Bredero in de zeventiende eeuw? Hoe haakten ze in op al bestaande teksten om de lezers van een spel van verwijzingen en hergebruik van beelden en gedachten te sturen en te onderwijzen? Om deze vraag te beantwoorden, worden verschillende analytische instrumenten uit de historische letterkunde uitgelegd en toegepast, en gebruik gemaakt van een grote online verzameling van liedteksten en online woordenboeken.

Leerdoelen en concepten

Het leerdoel van deze proef is:

Leerlingen kunnen liederen van Bredero vinden en analyseren en begrijpen hoe de liederen functioneerden in hun historische context. Leerlingen zijn in staat om te reflecteren op de methodische grenzen van literatuurhistorisch onderzoek. 

De volgende concepten en analytische instrumenten zijn belangrijk in deze proef:

  • Historische context
  • Onderhandeling
  • Dubbelzinnigheid

Antwoordmodel

Stap 1

  1. ‘15 miljoen mensen’ is in de eerste versie een reclame van de Postbank. In de tweede versie is de tekst van het lied veranderd om prinses Beatrix te bedanken voor haar jaren als koningin. De beelden uit de eerdere versie werken door in de latere versie, en geven die latere versie betekenis. Een voorbeeld van een terugkerend beeld: de diversiteit van de ‘15 miljoen mensen’. In de tweede versie wordt het de verdienste van Beatrix dat ze al die verschillende mensen samenbond. Immers, wie de eerste versie kent weet dat dit niet eenvoudig was: immers al die (eigenzinnige) Nederlanders ‘schrijf je niet de wetten voor’. Andersom werkt het ook, het eerste lied krijgt ook betekenis als je het tweede kent: de eigenzinnigheid van die 15 miljoen mensen uit de eerste versie valt misschien wel te relativeren als je je indenkt dat ze zich wel massaal achter één koningshuis scharen.

Stap 2

  1. Uit het antwoord moet blijken dat de leerling de Liederenbank zinvol heeft gebruikt. Met dit instrument kun je bijvoorbeeld de volgende vragen beantwoorden:
    • werd na Bredero’s lied de melodie populairder?
    • week het onderwerp van Bredero’s lied af van andere liederen die op diezelfde melodie geschreven werden?
    • welke intertekstuele relaties gaat Bredero aan met zijn keuze voor deze melodie?

Stap 3

  1. Uit het antwoord moet blijken dat de leerling gtb.inl heeft gebruikt om het woord ‘Modde’ te vertalen, ook moet uit het antwoord blijken dat de leerling een conclusie heeft getrokken uit deze betekenis. Gtb.inl geeft de volgende definitie ‘Scheldnaam voor eene vrouw, inzonderheid — naar het schijnt — voor een vuil, lomp en onhandig vrouwmensch; waarschijnlijk is deze definitie niet onafhankelijk van het door hem vergeleken eng. modder, dat verklaard wordt als a foolish young girl. De afleiding van modde is niet nauwkeurig op te geven, van zelf brengt men het in verband met modden; is de vorm modde (in de Hollandsche volkstaal) ontstaan uit *modden? Thans is het woord in de algemeene taal verouderd.’ Dit betekent dat het lied in ieder geval over een ‘vuil, lomp en onhandig vrouwmensch’ gaat.
  2. Uit het antwoord moet blijken dat de leerling gtb.inl heeft gebruikt en zich heeft verdiept in de achtergronden van de Boertige Clucht van Breugel. Het is denkbaar dat het zeventiende-eeuwse publiek de satirische toon en positionering ten opzichte van de ‘onbeschaafde’ boeren bij Bredero herkende door een tekst als deze. Mogelijke overeenkomsten tussen de teksten:
    1. Beide teksten hebben een satirische lading, mogelijk gericht aan een stedelijk publiek.
    2. Ook in de Boertige Clucht speelt het lied-genre een rol.
    3. Beide teksten hebben boeren in de hoofdrol.
  3. De Geïntegreerde Taalbank geeft twee betekenissen weer wanneer zowel in het MNW als het WNT gezocht wordt. De betekenis uit het MNW luidt ‘Modder, slijk, slik, drek’. Die negatieve connotatie zal meeklinken in de jongere betekenis van het woord. Een goed antwoord bevat een dergelijke signalering.
  4. Bij deze opdracht zijn verschillende antwoorden mogelijk. De leerling kan vaststellen dat het wel meeviel met het aantal verwijzingen naar dit verhaal en dus dat Bredero hier geen beroep deed op een bekend beeld maar in plaats daarvan een min of meer originele metafoor dacht te gebruiken. De leerling kan ook vaststellen dat andere teksten ook naar deze legende verwijzen en beargumenteren dat het verhaal wel degelijk een bekend referentiepunt was in deze tijd. Dat laatste moet men misschien ook afleiden uit het feit dat de term ‘Rosbaijer’ in dit lied niet toegelicht wordt en dus moeten tijdgenoten geweten hebben waar het naar verwees.
  5. Dit is een open vraag waarin de leerling vrij is een eigen mening te formuleren op het geleerde.  Belangrijk is wel dat uit het antwoord een globaal inzicht blijkt in de satirische of identiteitsvormende functie voor het (stedelijke) publiek van Bredero’s liedjes.

Stap 4

Eisen: Een van de drie stellingen is gekozen en de stelling wordt onderbouwd of weerlegd in een gestructureerd betoog. Het geheel telt ongeveer 500 woorden.

Stap 5

Deze stap bevat vrije opdrachten, die vooral naar eigen inzicht beoordeeld dienen te worden.

Niveau 2

Deze proef gaat over de toekenning van het label ‘literaire kwaliteit’ door docenten, recensenten, uitgevers en andere lezers. De proef richt zich in het bijzonder op twee recente onderzoeksprojecten en -publicaties: The Riddle of Literary Quality aan het Huygens Instituut en The Bestseller Code aan Stanford University.

Leerlingen maken in deze proef kennis met de veldtheorie van Pierre Bourdieu. Op basis daarvan leren ze de sociale processen op de boekenmarkt te begrijpen en bekritiseren. Daarnaast reflecteren leerlingen op mogelijke manieren waarop je onderzoek kunt doen naar literaire kwaliteit, als kenmerk van een tekst of als label dat toegekend wordt. Ze toetsen hun eigen intuïties en reageren op recent literatuurwetenschappelijk onderzoek naar literaire kwaliteit. Deze proef vereist soms dat leerlingen met elkaar overleggen en vormt zo mogelijk een voorbereiding voor een klassikaal debat.

Belangrijke onderzoeksvragen zijn: hoe wordt het label ‘literaire kwaliteit’ toegekend? Welke rol spelen tekstkenmerken in de onderhandeling over wat literatuur genoemd mag worden? En: hoe operationaliseer je onderzoeksvragen naar literaire kwaliteit?

Voor de laatste stap van deze proef is het nodig dat leerlingen onlangs een roman hebben gelezen.

Leerdoel en concepten

Het leerdoel van deze proef is:

Leerlingen begrijpen dat ‘literaire kwaliteit’ niet noodzakelijk een statisch tekstkenmerk is, maar als label onderdeel is van een onderhandeling tussen bepaalde spelers op het ‘literaire veld’. Dat inzicht stelt hen in staat om zowel individueel als in discussies kwaliteitsoordelen van anderen kritisch af te wegen en om een eigen mening te vormen over een literaire tekst.

De volgende concepten zijn belangrijk in deze proef:

  • Literaire kwaliteit
  • Literair veld
  • Poortwachter
  • Symbolisch kapitaal

Antwoordmodel

Het antwoordmodel geeft een indruk van het soort antwoord dat mogelijk is en de eisen waaraan een antwoord zou moeten voldoen, vaak toegelicht met een of meerdere voorbeelden. Er is doorgaans geen sprake van één goed antwoord, wel van juiste denkrichtingen of de voorwaarden (een goede argumentatie, goed lezen etc.) van een redenering.

Stap 1

  1. Het antwoord omschrijft Weijts opvatting dat het label ‘literaire kwaliteit’ zoals dat is vastgelegd in de literaire canon waardeloos is, en dat goede boeken – voor scholieren althans – die boeken zijn die aansluiten bij de hedendaagse belevingswereld van de lezer. Overigens is het voor discussie vatbaar of Weijts het klassieke idee van ‘hogere literatuur’ echt loslaat, of dat hij het alleen geen geschikt criterium vindt voor de leeslijst van scholieren.
  2. Het antwoord bevat drie verschillende kenmerken van teksten. De kenmerken kunnen uiteenlopend zijn, zo lang het aannemelijk is dat ze tot een positief oordeel over een tekst leiden. Mogelijk geven leerlingen zowel voorbeelden van tekstkenmerken als voorbeelden van emotionele of intellectuele effecten van een boek: spanning, realistisch plot, een directe/ beeldende /grappige stijl, relevant onderwerp, metrum, consistente structuur, ontroerend, blik verruimend, biedt een nieuwe kijk op actueel onderwerp, herkenbaarheid van personages etc. Daarnaast blijkt uit het antwoord duidelijk dat de leerling serieus heeft overlegd met een medeleerling. Doel van dat overleg is om de leerling te laten inzien dat de kenmerken persoonlijk kunnen zijn, maar dat het evenwel mogelijk is om ze expliciet te maken.

Stap 2

  1. Uit het antwoord blijkt dat de leerling de uitleg begrepen heeft en kan werken met de aangeleerde termen. Voorbeelden van kenmerken zijn:
    1. Literaire kwaliteit wordt toegekend aan boeken of auteurs die op het literaire veld als ‘literair’ gelden.
    2. Literaire kwaliteit is een label dat wordt onderhandeld door poortwachters van het literaire veld, zoals uitgevers, recensenten, jury’s van literaire prijzen.
    3. De literaire kwaliteit van een werk hangt samen met het ‘symbolisch kapitaal’ van de auteur, het genre of de uitgever.

    Daarnaast blijkt uit het antwoord duidelijk dat de leerling serieus heeft overlegd met een medeleerling. Het doel van de vergelijking is ten eerste om de leerlingen elkaar te laten helpen om de theorie te begrijpen. Ten tweede leert deze vergelijking dat het nog steeds ingewikkeld is om literaire kwaliteit te definiëren: zelfs met strakke definities bestaat er mogelijk discussie over wie of wat als literair gezien wordt.

  2. Het antwoord moet een beginnend inzicht laten zien in de sociale onderhandeling die voorafgaat aan de toekenning van het label ‘literaire kwaliteit’.  De leerling laat zien te begrijpen dat zijn/ haar eigen kenmerken vooral met de tekst te maken hadden, en dat de geboden uitleg ‘literaire kwaliteit’ eerder als een sociaal-economisch construct presenteert.Verder laat de leerling idealiter zien dat hij of zij in staat is om de geformuleerde kenmerken of criteria kritisch te evalueren als ‘methodische concepten’. Dit antwoord dient als een opmaat tot een ‘operationalisering’ van de onderzoeksvraag naar literaire kwaliteit. De leerling noemt niet alleen zijn of haar voorkeur, maar geeft ook tenminste één overtuigend argument waarom de gekozen kenmerken het meest geschikt zijn voor het onderzoek.
  3. Uit het antwoord blijkt dat de leerling begrepen heeft dat de auteur van het artikel argumenten voor zijn pleidooi dat Dylan literatuur schrijft, vooral baseert op kenmerken van Dylans teksten zelf. Day is een factor waarmee Bourdieu niet direct rekening houdt. Toch is het artikel in termen van Bourdieu’s theorie te analyseren: de auteur is een deskundige op het terrein van Dylan, die van de Volkskrant een podium heeft gekregen om dit pleidooi te houden. Hij is deskundige, of zelfs fan, en heeft er dus belang bij lezers te overtuigen van de literaire kwaliteiten van Dylan’s werk.

 

Stap 3

  1. Uit het antwoord blijkt dat de leerling de inzet van het artikel begrepen heeft. Letterlijk citeren van één van de vragen uit het artikel mag worden goed gerekend: ‘Waarom wordt Koorts door niet-lezers slechter gewaardeerd dan de andere boeken van Noort?’ Ook goed, of zelfs beter, zou zijn als leerlingen weten te abstraheren van de tekst en de meer algemene vraag parafraseren. Bijvoorbeeld zo: ‘Wat is het verband tussen de reputatie van een auteur en de beoordeling van haar werk door lezers en niet-lezers van haar werk?’
  2. Uit het antwoord blijkt dat de leerling begrijpt dat in dit resultaat mogelijk de crux zit van symbolisch kapitaal: het feit dat sommige romans hoog gewaardeerd worden ongeacht of respondenten die romans daadwerkelijk gelezen hebben, betekent dat zoiets als reputatie, symbolisch kapitaal, een belangrijke rol speelt in de toekenning van literaire kwaliteit. Auteurs uit de eerste groep romans – het type Koorts van Saskia Noort – kennen een laag symbolisch kapitaal; auteurs uit de tweede groep bezitten dat kapitaal wel. Op de vraag of tekstkenmerken een rol spelen, geeft dit artikel geen uitsluitsel. Wel doet het artikel uitspraken die voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. Ten eerste suggereert het feit dat romans van ‘grote schrijvers’ als A.F.Th. van der Heijden hoe dan ook hoog gewaardeerd worden, ook door niet-lezers, dat de tekst zelf geen rol speelt in de waardetoekenning. Maar anderzijds laat het artikel ook zien dat respondenten die Noort daadwerkelijk gelezen hebben, de tekst wel hoger waarderen dan niet-lezers. Deze niet-lezers reageren bevooroordeeld, uitsluitend op basis van Noorts reputatie. Mogelijk stellen ze hun oordeel dus bij na lezing van het boek. Dat resultaat laat zich dan ook interpreteren als een argument vóór de hypothese dat tekstkenmerken wel degelijk een rol spelen. Idealiter blijkt uit het antwoord een beginnend inzicht in deze problematiek.
  3. Uit het antwoord blijkt dat de leerling de geleerde concepten kan inzetten om een bijdrage aan het debat over literaire kwaliteit te kunnen duiden. Daarnaast kan de leerling zich met de geleerde instrumenten positioneren ten opzichte van de mening van Weijts. Een goed antwoord bevat bijvoorbeeld de vaststelling dat Weijts hier de mechanismen achter de klassieke opvatting van literaire kwaliteit aanvalt: volgens hem moeten we af van de ouderwetse indeling van kwaliteit op basis van ‘vergeelde murmelaars van vroeger’. Met andere woorden: hun symbolische kapitaal is achterhaald volgens Weijts. De tekst zelf moet weer leidend zijn, en vooral de relatie van tekst tot leerling. Een argument tegen Weijts’ pleidooi kan zijn dat de invloedrijke methode van Lezenvoordelijst al uitgaat van een goede aansluiting tussen tekst en leerling. Een argument vóór zijn opvatting kan zijn dat literaire kwaliteit inderdaad maar een construct is, dat voortdurend opnieuw ‘geconstrueerd’ kan of moet worden op basis van nieuwe normen.
  4. Uit het antwoord blijkt dat de leerling de website Lezenvoordelijst kritisch bekeken heeft en geprobeerd heeft om de criteria te vinden achter de niveau-indeling. In grote lijnen lijkt de site een evenredig verband te zien tussen leesniveau enerzijds en (mate van) complexiteit van de vertelling, intertekstualiteit, gelaagdheid, aantal open plekken anderzijds. Er wordt een onevenredig verband verondersteld tussen leesniveau enerzijds en herkenbaarheid, conventionaliteit, sensatie, voorspelbaarheid van de vertelling.
  5. Zoals voorgeschreven in de opdracht moet dit antwoord een onderzoeksopzet bevatten van zo’n 100 woorden waarin drie aspecten ‘methode’, ‘operationalisering’ en ‘resultaten’ geschetst zijn. De leerling is verder vrij in zijn onderwerpkeuze, zo lang het onderzoek gericht is op de toekenning van het kwaliteitslabel ‘literatuur’.

Stap 4

Eisen: Een van de twee stellingen is gekozen en de stelling wordt onderbouwd of weerlegd in een gestructureerd betoog. Het geheel telt ongeveer 500 woorden. De termen ‘literair veld’,  ‘poortwachter’ en ‘symbolisch kapitaal’ zijn op een zinvolle manier geïntegreerd in het betoog.

Stap 5

  1. De leerling heeft duidelijk andere recensies uit het NRC Handelsblad bestudeerd en de vormgeving overgenomen. Verder blijkt uit de tekst dat de leerling drie kenmerken als leidraad heeft gehouden in zijn of haar boekbespreking.
  2. Uit het antwoord blijkt een beginnend inzicht in de consequenties die kleven aan de inzet van de computer bij de operationalisering van de onderzoeksvragen uit deze proef. Mogelijke aspecten die de computer kan meten:
    • Variëteit in woordgebruik
    • Zinslengte
    • Onderwerpkeuze
    • Bondigheid van de titel

    Aspecten die de computer minder gemakkelijk of niet kan meten:

    • Geloofwaardigheid van personages
    • Emotionele effecten van de tekst
    • Herkenbaarheid van het plot

    Verder laat de leerling idealiter zien dat het idee van het literaire veld in deze benadering genegeerd wordt: alle aanwijzingen voor commercieel succes zouden in de tekst te vinden zijn. De recensent benoemt dit expliciet in de volgende zin:

    The authors acknowledge, but do not give much credit to, the influence of reviews, splashy covers, big-name blurbs, and marketing budgets; in their scheme of success, postproduction doesn’t matter—the things that really make a book a best-seller are already embedded within the text.

Niveau 3

Deze proef richt zich op Nederlandse volksliederen, waaronder: Het Wilhelmus en Wien Neerlandsch bloed. Er bestaat een lange onderzoekstraditie naar deze tekst, onder andere over de vraag wie de auteur is van het Wilhelmus, of hoe de liederen hebben gefunctioneerd als vehikel van Nederlandse natievorming. Deze proef besteedt aandacht aan de teksten zelf, maar biedt vooral een kader om de functie van dergelijke teksten in de Nederlandse geschiedenis te duiden. In de proef maken leerlingen kennis met verschillende momenten waarop het Wilhelmus toegeëigend is, bekritiseerd, of op een andere manier onderwerp van discussie is geweest. De proef biedt bovendien een mooie voorbereiding op een klassikaal debat over het Nederlandse volkslied.

Leerdoel en concepten

Het leerdoel van deze proef is:

Leerlingen begrijpen dat volksliederen, het Wilhelmus in het bijzonder, een grote gevoelswaarde kennen en daardoor een bron van controverse (geweest) zijn in de samenleving. Ze zijn in staat om deze controverse te beschrijven en te duiden. Daarnaast hebben ze kennis van mogelijke invalshoeken (zoals tekstgericht, of gericht op tekstreceptie) en digitale hulpmiddelen (zoals krantendatabase Delpher) om een klein onderzoek op te zetten naar de functie van het volkslied door de tijd heen.

De volgende concepten staan centraal in deze proef:

  • Apostrof
  • Toe-eigening
  • Identificatie

Antwoordmodel

Het antwoordmodel geeft een indruk van het soort antwoord dat mogelijk is en de eisen waaraan een antwoord zou moeten voldoen, vaak toegelicht met een of meerdere voorbeelden. Er is doorgaans geen sprake van één goed antwoord, wel van juiste denkrichtingen of de voorwaarden (een goede argumentatie, goed lezen etc.) van een redenering.

Stap 1

  1. Uit het antwoord blijkt dat de leerling globaal begrijpt welke kwesties er speelden in 1817 en 2013. Mogelijke verschillen:
    • In 1817 werd het nieuwe volkslied van bovenaf opgelegd, geschreven door één dichter. Het Koningslied uit 2013 wilde de suggestie wekken dat het door en van alle Nederlanders was: er werkten veel zangers en schrijvers aan mee, en mensen konden zelfs bijdragen insturen.
    • In 1817 was het nieuwe volkslied het resultaat van een gewonnen prijsvraag. In 2013 wees het comité de schrijvers aan.
    • In 2013 moest het lied concurreren met andere liederen en parodieën van het originele lied op YouTube. Die mogelijkheden waren er in 2013 niet.

    Mogelijke overeenkomsten:

    • Zowel in 1817 als 2013 leefde de kwestie rond het nieuwe volkslied sterk onder de mensen.
    • Zowel in 1817 als in 2013 voldeed het lied niet aan de wensen van de mensen.
    • Geen van beide liederen konden het Wilhelmus niet vervangen.
  2. Het is niet noodzakelijk dat het antwoord een relevante of een concreet uitvoerbare onderzoeksvraag weergeeft. Uit het antwoord moet een bewustzijn blijken dat de (historische) omgang met het Wilhelmus of met volksliederen allerlei vragen oproept. Voorbeelden:
    • Hoe veranderde de publieke opinie over het Wilhelmus door de eeuwen heen?
    • Welke functie heeft het volkslied gespeeld in de relatie tussen het volk en het Koningshuis tijdens de Tweede Wereldoorlog?

Stap 2

  1. Uit het antwoord moet blijken dat de leerling de term ‘toe-eigening’ kan toepassen op een concrete casus. Verder toont het idealiter inzicht in het feit dat het Wilhelmus ook door het Koningshuis geclaimd wordt. Met deze exclusieve aanspraak op het volkslied stelt Beatrix een specifieke functie van het lied voorop: het wordt een lied dat uitsluitend bedoeld lijkt om de koning(in) toe te zingen. De reactie van toenmalig Kamerlid Frans Timmermans geeft treffend weer dat het volkslied voor hem een andere betekenis heeft: ‘Het Wilhelmus is van ons allemaal’.
  2. Uit het antwoord moet blijken dat de leerling de term ‘identificatie’ kan toepassen op een concrete casus. Voorbeeld van een goed antwoord is: ‘De auteur beschrijft zijn ervaring dat hij zich niet kan identificeren met het Wilhelmus omdat het lied uit een tijd stamt waarin zijn familiewortels nog niet in Nederland lagen. Daarom pleit hij voor een nieuw volkslied, dat ook identificatie mogelijk maakt voor Nederlanders die een kortere geschiedenis in ons land hebben meegemaakt.’

Stap 3

  1. Het antwoord moet laten zien dat de leerling de tekst goed bestudeerd heeft, en met name op het gebruik van de apostrof. De verschillende aanspreekvormen verwijzen naar de volgende rollen: ‘ik’ = Willem van Oranje; ‘Gij’ =  God; ‘gij’ = de zangers van het lied, de ‘onderzaten’; ‘U’ = God; ‘u’ = de zangers van het lied, de ‘onderzaten’. Als zanger  val je samen met de ik-figuur, die dus de persoon van Willem van Oranje aanneemt in het Wilhelmus.
  2. Het antwoord laat zien dat de scholier begrijpt dat dit lied een ander perspectief kiest. Hier wordt de vorst toegezongen, en vraagt de zanger om bescherming van God. Deze meer nederige houding ten opzichte van God lijkt een uitvloeisel van het dominante negentiende-eeuwse protestantisme: het is niet langer de vorst die spreekt en handelt. De hoogste macht wordt hier in handen gelegd van God.
  3. Het antwoord laat inzicht zien in de functie van de stijlfiguur van de apostrof in het Koningslied. Een goed antwoord kan elementen van de volgende overweging bevatten: ‘Meijer laat zien dat het gebruik van de aanspreekvormen ‘ik’ en ‘jij’ leiden tot een ‘verregaande identificatie’ met de aangesprokene, de Koning. Ze noemt het opvallend dat dit lied met de keuze voor ‘je’ uitdrukking geeft aan een informele relatie tussen koning en ‘onderdaan’. Die informele relatie staat op gespannen voet met de gebruikelijke meer formele verhouding tot de Vorst. Meijer analyseert verder dat deze aanspreekvormen patroniserend werken en exemplarisch zijn voor de huidige tijd, waarin alle relaties persoonlijk worden.’
  4. Het antwoord geeft een zinnige beschrijving van de aanspreekvormen in een van de gegeven alternatieve koningsliederen. Helemaal goed is een antwoord waarin die aanspreekvorm bovendien vergeleken is met de besproken volksliederen uit deze proef.
  5. Het antwoord bevat verwijzingen naar of beschrijvingen van een krantenartikel in Delpher waarin duidelijk een van de twee liederen onderwerp van discussie is. Een goed antwoord laat zien dat de leerling in staat is om met de geleerde kennis een nieuwe casus in de geschiedenis van beide volksliederen te duiden. Daarnaast laat de leerling in het antwoord zien ervaring te hebben opgedaan met het zoeken in een digitale database als Delpher.
  6. Een goed antwoord toont het vermogen om de geleerde kennis te vertalen in een nieuwe, gefundeerde onderzoeksvraag. Verder moet het antwoord rekenschap geven van de mogelijke methodische of inhoudelijke implicaties van de vraag: welke stappen moeten er gezet worden, welk materiaal is nodig om de vraag te beantwoorden, is dat materiaal beschikbaar, hoe kun je dat materiaal systematisch analyseren? Inzicht in een of meer van deze vragen leidt tot een goede waardering.

Stap 4

Eisen: Een van de drie stellingen is gekozen en de stelling wordt onderbouwd of weerlegd in een gestructureerd betoog. Het geheel telt ongeveer 500 woorden. De termen ‘apostrof’, ‘identificatie’ en ‘toe-eigening’ zijn op een zinvolle manier geïntegreerd in het betoog.

Stap 5

Deze stap bevat vrije opdrachten, die vooral naar eigen inzicht beoordeeld dienen te worden.