Hoe werkt het?

In elke proefopstelling doorloop je 5 stappen:

  1. De voorbereiding
  2. De instrumenten
  3. Het experiment
  4. De lakmoesproef
  5. Het vrije experiment

Noteer je antwoorden op de vragen op papier of in een Word-bestand.

Succes!

Wat heb je nodig?

  • Een roman die je onlangs gelezen hebt
  • Pen en papier of een leeg Word-bestand
Ga naar stap 1

Stap 1: De voorbereiding

Wat betekenen personages voor de literatuuronderzoeker?
In deze proef onderzoeken we romanpersonages. Wat zijn dat precies, personages, en welke functie hebben ze in literatuur en voor de literatuuronderzoeker? Voor de onderzoeker is het interessant dat personages denken en handelen. Hun denken en handelen bepaalt het verhaal (wat er gebeurt), maar ook hoe je daarnaar kunt kijken. De schrijver bepaalt met de keuze voor bepaalde personages vanuit welk perspectief je als lezer kijkt.

Kijk maar eens naar de volgende scène uit De asielzoeker (2003) van Arnon Grunberg. Deze roman gaat over de Nederlandse vertaler Christian Beck, wiens vrouw op een dag besluit met een asielzoeker te trouwen. De nieuwkomer wordt consequent ‘de asielzoeker’ genoemd door de alwetende verteller:

De asielzoeker ontbloot zijn gebit voor de tweede keer die dag. Zijn grijns, valt Beck nu op, is een dreigement. Hij heeft niet voor niets in een gang gezeten.

“Ik neem grapefruit,” zegt de man, die Beck telkens weer, op de raarste momenten aan een aapje doet denken. (…)

Zijn vrouw kijkt guitig naar Beck, guitiger dan ze in weken heeft gekeken.

“Hij is slim, vind je niet?”

“Slim. Ja. Hij maakt een intelligente indruk,” zegt Beck. “Niet spraakzaam, wel intelligent. Alleen zijn gebit, daar moet je niet te lang naar kijken; om eerlijk te zijn, hoe korter daarnaar je kijkt hoe beter het is. Ravage is een understatement.” (p. 48)

Door wiens ogen kijk je in deze scène en wie wordt er bekeken? En wat maakt dat eigenlijk uit? Dat ontdek je in deze proef.

Personages werken beeldvormend
Het perspectief van personages biedt een blik op de wereld die in het verhaal beschreven wordt. Als lezers gebruiken we hun ogen en oren om de verhaalwereld te kunnen zien en horen. Ze tonen ons de cultuur, geschiedenis of politiek van de tijd waarin het verhaal speelt, maar ook van de tijd waarin het verhaal verteld wordt. Ze laten zien hoe bepaalde individuen of groepen tegen die wereld aankijken. Of hoe je naar die wereld zou kúnnen kijken.

Beelden en ideeën van personages komen uit de ‘echte’ wereld. En ze hebben mogelijk ook invloed op die wereld. Als lezer neem je soms iets over van de zienswijzen van personages, of je verzet je er juist tegen. Zo ga je mogelijk zelf handelen of denken in reactie op personages. De fictieve perspectieven van personages hebben dus een relatie met de werkelijke wereld. Als onderzoeker kun je daar twee dingen mee. Je kunt door analyse van de tekst bestuderen welke ideeën er in samenlevingen bestaan, gezien hoe personages denken en handelen. En je kunt onderzoeken of lezers zich daardoor zullen laten beïnvloeden. Lokt het verhaal een reactie uit, en hoe?

Veel literaire teksten zullen niet openlijk naar dat effect van beïnvloeding van de lezer zoeken. Het zijn geen folders van de dokter die je tot gezond eetgedrag aanzetten. Of politieke pamfletten die je ervan proberen te overtuigen voor een bepaalde partij te stemmen. In literatuur gaat dat beïnvloeden subtieler. Bijvoorbeeld in de scène uit De asielzoeker die je hierboven las. In deze scène evalueren Beck en zijn vrouw de asielzoeker. Beck vindt dat hij op een aapje lijkt. Hij oordeelt dat de man een slecht gebit heeft. Hij interpreteert de grijns van de nieuwkomer als een dreigement, zoals wanneer gorilla’s en honden hun tanden laten zien. Beck en zijn vrouw keuren hem dus alsof hij een dier is, een ‘aapje’. Ze lijken blij verrast dat de man intelligent is. Of althans de indruk wekt intelligent te zijn. De opmerking zegt meer over Becks verwachtingen over asielzoekers dan over het denkvermogen van zijn nieuwe huisgenoot. De keuring van de intelligentie en het gebit van de asielzoeker doen bovendien denken aan de manier waarop slaven werden beoordeeld op de slavenmarkt. Het gebit van de mensen die als slaven verkocht werden, werd geïnspecteerd om te zien hoe gezond zij waren. En hoeveel zij dus op zouden moeten brengen op de slavenmarkt. Wat Beck en zijn vrouw in deze scène van de asielzoeker vinden, zegt iets over de beeldvorming van asielzoekers (=ideeën over asielzoekers) zoals deze buiten deze roman bestaat.

Wat gebeurt er nu als je deze scène leest? Verwoorden de personages een bepaald wereldbeeld? En moeten we deze scène daardoor afkeuren? Of geeft de roman met zo’n scène juist kritiek? Literatuuronderzoekers proberen dergelijke wereldbeelden in de literatuur te analyseren en te duiden. Ze gebruiken hun analyse om een interpretatie te geven en te onderbouwen. Hoe, dat ontdek je in deze proef. 

Opdrachten

  1. In welke (sociaal-culturele) opzichten verschillen de personages van de Nederlandse Beck en de Noord-Afrikaanse asielzoeker mogelijk van elkaar? Beïnvloedt dat verschil het verhaal? Onderbouw je antwoord met voorbeelden uit de tekst, en vergelijk je antwoorden met die van medeleerlingen. Over welke zaken worden jullie het eens, en over welke niet en wat zegt dat?
  2. Bekijk het ook eens vanuit de invalshoek van mogelijke man-vrouwverschillen. Worden die verschillen benoemd in dit fragment, en beïnvloeden ze het verhaal? Geef ook hier zo precies mogelijk aan waar je wat leest. Wissel je antwoorden uit met vrouwelijke en mannelijke klasgenoten. Zijn er verschillen?

In deze stap heb je met het voorbeeld uit De asielzoeker geproefd van hoe personages beeldvormend werken (dus je ideeën over asielzoekers beïnvloeden). In de volgende stap krijg je enkele instrumenten aangereikt om dit probleem systematisch te onderzoeken.

Stap 2: De instrumenten

Een vraag, instrumentarium en een methode
Als je een antwoord wilt vinden op wetenschappelijke vragen, moet je eerst weten wat precies je vraag is. Daarna heb je instrumenten nodig waarmee je heel precies kunt beschrijven wat je onderzoekt: eenduidige begrippen of concepten die het voor jezelf, maar ook voor anderen duidelijk maken waar je naar kijkt. Zoals je een pipet of een reageerbuis gebruikt om de aanwezigheid van een scheikundige stof aan te tonen, zo gebruik je concepten om vat te krijgen op teksten. Daarnaast heb je een methode nodig, een systematische manier om tot nieuwe kennis te komen. Iedereen die met die methode werkt, gebruikt dezelfde instrumenten. Kennis die je met die instrumenten opdoet, kan daardoor gestapeld en vermeerderd worden. Ook kun je beter discussiëren met elkaar als je dezelfde methode gebruikt. Alle stappen die je als onderzoeker neemt, zijn immers voor je discussiegenoten inzichtelijk en begrijpelijk

De vraag uitgediept: de wie, wat en hoe-vraag
Het begrip of het concept dat we in deze proef bij de kop hebben is dat van ‘personage’. In deze proef onderzoeken we niet alleen wat personages doen, maar ook wie ze zijn, hoe wij als lezers met hen kennismaken en wat dit alles uiteindelijk zegt over de beeldvorming die optreedt. Het is voor die beeldvorming immers van belang of een verhaal verteld wordt door een blanke man (zoals in
De asielzoeker) of door de asielzoeker die bij hem thuis komt. Dezelfde gebeurtenissen beschreven vanuit verschillende perspectieven leveren vaak volstrekt andere verhalen op. Daarom zijn naast de wat-vraag ook de wie- en de hoe-vraag relevant.

In deze proef stellen we dus 3 vragen over personages:

  1. Wie zijn ze?
  2. Wat doen ze?
  3. Hoe presenteren zij het verhaal?

Het instrumentarium uitgediept: representatie, verteller, wereldbeeld
Onderzoekers beschouwen de personages die ze bestuderen niet als specifieke personen, maar als representaties van een grotere groep: de groep ‘vrouwen’, of ‘mannen’, ‘migranten’, ‘vaders’, ‘politici’ enzovoort. De personages zijn weergaven – in taal of beeld – van individuen die symbool komen staan voor een bepaalde groep. De individuele asielzoeker uit
De asielzoeker is zo de representatie van de grotere groep ‘asielzoekers’. Door personages te beschouwen als representaties, kun je beschrijven hoe literatuur vorm beelden aanreikt over groepen, en die groepen een identiteit geeft. Beeldvorming draait om die groepidentiteiten: we kunnen een mening vormen over ‘de asielzoeker’ omdat we een beeld hebben, of denken te hebben, van de groep asielzoekers. 

Hoe die representaties door de verteller aan de lezer gepresenteerd worden, is van invloed op de beeldvormende werking van personages. Is een personage zelf aan het woord, zoals bij een ik-verteller? Of worden ze beschreven door de bril van een anonieme, alwetende verteller? Dat maakt veel uit voor de manier waarop personages de lezer helpen een beeld op te bouwen van de verhaalwereld. Maken we vanuit verschillende perspectieven kennis met de wereld die het verhaal biedt, dan is de kans groot dat het verhaal je niet één wereldbeeld wil laten kennen (een ideologie) maar juist een brede of kritische blik op de wereld wil bieden (je een ideologie kritisch wilt laten beschouwen).

Representatie
‘Een uitbeelding, weergave, voorstelling in taal of beeld van een persoon of ding. Zo’n voorstelling draagt een symbolische lading: ze creëert ook een beeld van de groep waartoe het uitgebeelde behoort.’

Verteller
‘De persoon of het ding dat ons via een tekst bericht over het doen en laten van de personages in een verhaalwereld: wie spreekt?’

Ideologie
‘Het kader van ideeën, overtuigingen, normen en waarden waar doorheen wij de wereld ervaren (vaak zonder dat we het weten).’

Denk nog eens terug aan het citaat uit De asielzoeker. Door wat de blanke Christian Beck denkt en doet, ontstaat een ‘representatie’ van de asielzoeker. Een beeld dat verder gaat dan het individu, en de groep van ‘de asielzoeker’ gaat bepalen. Dat beeld is selectief . Hij is een ‘aapje’ dat een intelligente indruk maakt. Deze representatie kunnen we duiden vanuit een bepaalde ideologie. Dan geeft wat Beck doet en denkt simpelweg weer dat er in de Nederlandse of Westerse samenleving het idee leeft dat ‘asielzoekers’ of migranten aapjes zijn, of slaven. Maar door de manier waarop Grunberg over Beck schrijft, kun je ook denken dat hier sprake is een parodie op de ideologie die asielzoekers terugbrengt tot ‘aapjes’. Want is het verhaal niet uiteindelijk via het personage Beck verteld om vooral het accent te leggen op de beperkte blik die de blanke man op het leven van de asielzoeker heeft? Zijn het niet vooral Becks acties en gedachten die – als representatie van die blanke man – tot nadenken aanzetten over de ideologie die de blanke man erop nahoudt? Op deze manier kun je met termen als ‘representatie’ en ‘ideologie’ analyseren wat er in Grunbergs romans gebeurt.

Opdrachten

  1. Noem twee voorbeelden van overtuigingen, normen of waarden die onderdeel van een ideologie kunnen zijn en waar we in onze Westerse samenleving belang aan hechten. Vergelijk ze zo mogelijk met antwoorden van andere leerlingen. Komen jullie op hetzelfde uit, of niet? En wat zegt dat?
  2. Noem een voorbeeld van beeldvorming of representatie van een bepaalde groep en gebruik de definities die je in stap 2 aantrof. Helpen die definities bij het maken van goede beschrijvingen?
  3. De asielzoeker ontbloot zijn gebit voor de tweede keer die dag. Zijn grijns, valt Beck nu op, is een dreigement. Hij heeft niet voor niets in een gang gezeten.

    a. Lees bovenstaande zinnen van het fragment uit De asielzoeker nogmaals met de volgende gedachte: de verteller maakt de lezer in deze passage duidelijk dat Beck de asielzoeker plotseling als bedreiging gaat zien. Analyseer met behulp van tekstvoorbeelden hoe de verteller dat doet.
    b. Denk je dat deze manier van vertellen de lezer wil meenemen in het voelen van de dreiging? Waarom wel/niet? Beargumenteer waarom representaties omdat ze op deze manier verteld en gemaakt worden volgens jou wel of geen invloed hebben op de lezer.

In deze stap maakte je kennis met analytische termen – instrumenten – waarmee je je onderzoeksvraag over beeldvorming en personages systematisch kunt beantwoorden. Nu je een methode hebt om beeldvorming in literatuur te gaan onderzoeken, kun je in de volgende stap gaan experimenteren met concreet materiaal.

Stap 3: Het experiment

Tijdens het experiment kun je zelf aan de slag met de instrumenten die je in de vorige stap hebt leren kennen. In deze proef staat ‘de Personagebank’ centraal. Dit is een database met typeringen van personages uit Nederlandstalige romans. Deze database wordt gebruikt door onderzoekers die samenwerken met gewone lezers. Via een website kunnen lezers gegevens invullen over personages uit boeken die zij gelezen hebben. Het gaat om typeringen van sociale eigenschappen, zoals geslacht, etnische achtergrond, beroep etc. Doel van het onderzoek is om de diversiteit van de Nederlandstalige literatuur in kaart te brengen: hoeveel mannelijke versus vrouwelijke personages spelen in die literatuur een rol, hoeveel lageropgeleiden versus hogeropgeleiden? Enzovoorts.

Door al deze gegevens op te slaan in een database, doen de onderzoekers als het ware  een ‘literaire volkstelling’. Zij beschouwen de literatuur als een fictieve samenleving en daarvan willen ze de sociale verhoudingen blootleggen. Om vervolgens te kunnen analyseren wat die fictieve wereld zegt over de wereld buiten die romans, en over beeldvorming. In deze proef ga je de resultaten van het onderzoek bestuderen om zelf iets te weten te komen over de literatuur en de beeldvorming die die literatuur laat zien.

Opdrachten

  1. Ga naar de site van de Personagebank en bestudeer de lijst met alle romans. Zit er een boek tussen dat jij hebt gelezen? Bestudeer de informatie over de personages en vergelijk die gegevens met jouw eigen herinnering van deze personages. Geeft de informatie een zorgvuldig beeld van deze karakters?
  2. Bekijk de pagina met Resultaten. Lees het tekstje onder ‘Gender’ (geslacht) en bestudeer de tabellen. Wat heeft de ongelijke man/vrouw-verdeling onder de personages volgens jou met ‘ideologie’ te maken?
  3. Bestudeer de grafieken ‘Leeftijd’ en ‘Opleidingsniveau’ onder het kopje ‘Demografie’. Wat valt je op? Wat concludeer je op basis daarvan?
  4. Lees het tekstje onder ‘Arbeid’ en vergelijk de top 10 meest voorkomende beroepen bij de mannen en de vrouwen. Wat valt je op? Kun je ook hier een conclusie uit trekken?
  5. Bestudeer de kaart onder ‘Woonplaats’ en onderzoek waar zich de meeste verhalen afspelen. Wat valt je op, en wat betekent dat mogelijk?
  6. Ga naar de lijst van alle personages en zoek op ‘Noord-Afrika’ (let op: hoofdlettergevoelig). Kun je op basis hiervan iets zeggen over de representatie van personages uit deze regio in Nederlandstalige romans? Waarom wel of niet?

In deze stap paste je de instrumenten, ‘ideologie’ en ‘representatie’ toe op concreet onderzoeksmateriaal. Aan de hand van personagetyperingen in een database deed je uitspraken over de diversiteit en representatie van de Nederlandse literatuur. In de volgende stap neem je een stap terug en beschrijf je je bevindingen.

Stap 4: De lakmoesproef

Met de lakmoesproef test je wat je te weten bent gekomen tijdens het experiment. Wat levert het op om met begrippen als ‘representatie’ naar literatuur te kijken? En wat vond je van het onderzoek naar diversiteit zoals  de Personagebank dat mogelijk maakt? Levert zo’n database de mogelijkheid om op grotere schaal iets te zeggen over representaties in de literatuur?

Opdrachten

  1. Schrijf een essay van 1 A4 waarin je een onderbouwde mening geeft over een van de volgende stellingen en waarin je de termen ‘representatie’ en ‘ideologie’ gebruikt zoals die in stap 2 gedefinieerd zijn:
    • De Personagebank toont aan dat er een gebrek is aan diversiteit in de Nederlandstalige literatuur.
    • De sociale verhoudingen in de literatuur vertellen ons veel over onze hedendaagse samenleving.
    • De eigenschappen van personages die de Personagebank verzamelt, geven een goed beeld van hoe die personages daadwerkelijk zijn in de romans.

In de lakmoesproef beschreef je je conclusies van deze proef. Je paste nogmaals de instrumenten toe om systematisch argumenten te geven voor of tegen een van de stellingen. In de volgende stap kijk je verder en ga je op een vrijere manier aan de slag met dit onderwerp.

Stap 5: Het vrije experiment

In het vrije experiment is er ruimte om naar eigen inzicht verder onderzoek te doen met de instrumenten en tools die we in deze proef gebruikt hebben. Daarnaast is het vrije experiment een ruimte voor creatief schrijven. We geven je richtlijnen om creatief te reflecteren op de thema’s die in deze proef aan de orde kwamen.

Opdrachten

  1. Neem een scène uit een roman die je onlangs gelezen hebt en waarin zowel vrouwelijke als mannelijke personages voorkomen. Herschrijf deze scène zo dat de mannelijke rollen en vrouwelijke rollen omgedraaid zijn. Wat is het effect voor de representaties in deze scène?
  2. Neem een scène uit een roman die je onlangs gelezen hebt en kies een nieuw vertelperspectief op deze scène. Je kunt daarvoor een nieuwe verteller of personage in het leven roepen. Herschrijf de scène zo dat de personages in een ander licht komen te staan, of dat je als lezer nieuwe informatie over hen te weten komt. Wat is het effect voor de representaties in deze scène?
  3. Voeg zelf ook een personagebeschrijving toe aan de Personagebank. Ga naar het invulformulieren vul het ISBN-nummer in (dat vind je bij de streepjescode op de achterflap, of in het colofon). Vul vervolgens het formulier in. Zo lever je een waardevolle bijdrage, omdat je jouw lezerservaringen koppelt en toevoegt aan het grote beeld dat de Personagebank probeert te krijgen. Beschrijf nu in 300 woorden welke problemen je had bij het invullen en geef daarbij antwoord op de vraag: in hoeverre geeft het ingevulde formulier een zorgvuldig beeld van de personages, en welke aspecten van hun identiteit passen niet binnen zo’n karakterisering in een paar meerkeuzemenu’tjes?

Verder lezen


Onderzoek representaties in romans

In de proef over personages heb je kennis gemaakt met termen als ‘verteller’, ‘ideologie’ en ‘representatie. Met die instrumenten kun je aan de slag om beeldvorming in de literatuur te gaan onderzoeken. Je kunt systematisch gaan onderzoeken hoe bepaalde identiteiten worden verbeeld, zoals mannen of vrouwen. Of je kunt bepaalde beroepen bestuderen, zoals boeren, bankiers, artsen, wetenschappers etc. Hieronder geven we enkele mogelijke onderzoeksvragen. Klik op de vragen voor enkele suggesties voor relevante romans.

  • Hoe worden kunstenaars gerepresenteerd in de Nederlandse literatuur?
Emy Koopman Orewoet 2016
Niña Weijers De consequenties 2014
Joost Zwagerman Gimmick! 1989
Jan Wolkers Turks Fruit 1969
Jan Cremer Ik, Jan Cremer 1964
  • Hoe worden migranten gerepresenteerd in de Nederlandse literatuur?
Mano Bouzamour De belofte van Pisa 2013
Öczan Akyol Eus 2012
Karin Amatmoekrim Het gym 2009
  • Hoe wordt homoseksualiteit verbeeld in de Nederlandse literatuur?
Maartje Wortel Ijstijd 2014
Tom Lanoye Sprakeloos 2009
Astrid Roemer Over de gekte van een vrouw 1982
Harry Mulisch Twee vrouwen 1975
Gerard Reve De Taal der Liefde 1972
Andreas Burnier Het jongensuur 1969

 

Verder lezen


Ben je benieuwd naar andere mogelijkheden voor het schrijven van een profielwerkstuk over literatuur? Klik dan eens op de ‘Profielwerkstuk’-knop en lees enkele suggesties voor grotere onderzoeksvragen die je in een profielwerkstuk kunt uitdiepen.