pws_stap2

Stap 2: bronnen zoeken en opzetten onderzoek

Literatuur & Media

Onderzoek naar literatuur en het (digitale) mediatijdperk

Suggestie voor hoofdvraag:

Wat doen literaire uitgeverijen om hun auteurs via massamedia onder de aandacht van het grote publiek te brengen?

In deze masterscriptie van Saskia Veen, Goed of goed gehypet?, vind je aanknopingspunten voor het opzetten van zo’n onderzoek. Uit de scriptie kun je een concept/aantal concepten halen die de auteur gebruikt heeft om het onderzoek uit te voeren. Concepten zijn goed omschreven theoretische begrippen die je in je onderzoek gebruikt om iedereen die je onderzoek leest, precies duidelijk te maken waar je naar gekeken hebt. Die concepten horen in veel gevallen bij grotere theorieën. In dit geval is een centraal en bruikbaar concept ‘symbolische waarde’ (zie de samenvatting van de scriptie waarin dit concept genoemd wordt). Dat concept is afkomstig uit Bourdieu’s theorie over het bestaan van het literaire veld. Je kunt in dit lemma uit het Algemeen Letterkundig Lexicon nalezen wat dat concept precies inhoudt (let op: in dit lemma wordt de term ‘symbolisch kapitaal’ gebruikt) en het op die manier gaan gebruiken in je eigen onderzoek. Je kunt op onderzoek gaan door websites van uitgevers te bestuderen en door contact op te nemen met uitgeverijen. Je kunt bij je onderzoek ook duiken in het werk van instanties zoals het Letterenfonds, dat vaak samen met uitgeverijen allerlei activiteiten opzet om de Nederlandse literatuur in binnen- en buitenland te promoten.

Je kunt kiezen voor een kwalitatief onderzoek, waarbij je een klein aantal uitgeverijen of instanties of personen diepgravend en aan de hand van een aantal deelvragen onderzoekt, en bijvoorbeeld promotiematerialen materialen citeert om van je onderzoek verslag te doen. Of je kunt kiezen voor een kwantitatieve aanpak, waarbij je een vragenlijst door zoveel mogelijk relevante personen in laat vullen om de gegevens daaruit om te zetten in percentages, aantallen en getallen.

Suggestie voor een hoofdvraag:

Welke werkzaamheden hebben schrijvers naast het schrijven zelf, omdat ze door uitgeverijen betrokken worden bij de promotieactiviteiten?

In het artikel van Lenny Vos, ‘Literaire nevenactiviteiten van auteurs’(in: Vooys 28 (2010), 85-92) word je op het spoor gezet van activiteiten die auteurs ter promotie van zichzelf ondernemen. Uit het artikel kun je een concept/aantal concepten halen die de auteur gebruikt heeft om het onderzoek uit te voeren. Concepten zijn goed omschreven theoretische begrippen die je in je onderzoek gebruikt om iedereen die je onderzoek leest, precies duidelijk te maken waar je naar gekeken hebt. Die concepten horen in veel gevallen bij grotere theorieën. In het geval van het artikel van Vos is een centraal concept ‘symbolische productie’ (zie p. 86 van het artikel, waarin ze het concept introduceert), en dat concept is afkomstig uit Bourdieu’s theorie over het bestaan van het literaire veld. Je kunt in dit lemma uit het Algemeen Letterkundig Lexicon nalezen wat dat concept precies inhoudt (let op: in dit lemma wordt de term ‘symbolisch kapitaal’ gebruikt) en het op die manier gaan gebruiken in je eigen onderzoek. Om een idee te krijgen van het soort activiteiten dat je in kaart kunt brengen: kijk maar eens naar deze aflevering van De Wereld Draait Door. Vanaf 20:15′ zie je drie auteurs vertellen over de Literatour, de Boekenweek voor Jongeren.

Suggestie voor een hoofdvraag:

Welke rol krijgen lezers toebedeeld als uitgevers of auteurs gebruik maken van digitale media ter promotie van het boek?

Literaire uitgeverijen zijn er in Nederland in alle soorten en maten: grote en kleine, heel oude maar ook net nieuw gevestigde. In dit artikel ‘DasMag: het literaire tijdschrift als community’ (in: Spiegel der Letteren 56 (2014), 393-419) van Thomas Vaessens en Lara Delissen vind je meer informatie over de werkwijze van deze specifieke uitgeverij. Op dat artikel verscheen weer een reactie van Carel Peeters in Vrij Nederland op 7 november 2014 en van Kees ’t Hart, ‘Verlangen naar deelname’ (in: De Groene Amsterdammer van 11 november 2015) die je verder aan het denken kunnen zetten over de manier waarop een – potentieel elitaire, van de rest van de maatschappij afgezonderde uitgever – contact legt met het grote lezerspubliek. Het concept ‘community’ staat centraal in het artikel van Vaessens en Delissen, en dat kun je goed gebruiken in je onderzoek en je analyses. Zie voor een definitie het Algemeen Letterkundig Lexicon. In (de reacties op) het artikel van Vaessens en Delissen vind je nog meer invalshoeken voor je analyse: fancultuur bijvoorbeeld. Ben je specifiek daarin geinteresseerd, lees dan van Gaston Franssen en Rick Honings, ‘Literaire fancultuur in Nederland: bij wijze van inleiding‘ (in: Spiegel der Letteren 56 (2014), 243-247). Je kunt bijvoorbeeld de websites van die uitgeverijen uitpluizen om uit te zoeken via welke media en middelen contact met lezers wordt gezocht – kijk maar eens wat de in 2011 opgerichte uitgeverij Das Mag onder het tabblad ‘Over ons’ zelf opschrijft over de activiteiten van deze uitgeverij, zoals bijvoorbeeld besproken door Femke Essink in ‘Simultaan leesclubben: Das Magazin-Festival ‘ (in: TS. Tijdschrift voor tijdschriftstudies 16 (2013), 2-4). Op basis van al deze informatie stel je een lijst met punten op aan de hand waarvan je activiteiten van uitgevers en lezers gaat analyseren. Je kunt kiezen voor een kwalitatief onderzoek (waarbij je een klein aantal uitgevers en lezers diepgravend interviewt om te zien hoe het contact gelegd wordt). Of je kunt kiezen voor een kwantitatieve aanpak (waarbij je een vragenlijst door zoveel mogelijk relevante uitgevers en lezers in laat vullen om de gegevens daaruit om te zetten in percentages, aantallen en getallen).

Onderzoek naar effecten van e-books en e-readers op leesgedrag en de productie van literatuur

Suggestie voor een hoofdvraag: 

Hoe ontwikkelt zich het fysieke boek als reactie op het opkomen van andere media?

In het artikel ‘Overal literatuur, overal een boek‘ (in: Groene Amsterdammer 28 (2012)), wijst literatuurwetenschapper Kiene Brillenburg Wurth erop dat in de loop der tijden al een paar keer is voorspeld dat aan het drukken en lezen van boeken een einde zou komen. Andere media zouden het overnemen, en dat lijkt nu ook echt te gaan gebeuren nu er zoveel meer elektronisch wordt gelezen. Maar dat is schijn, betoogt ze, omdat uitgevers en auteurs juist met het boek weer allerlei nieuwe experimenten aan het doen zijn en er steeds boeken in nieuwe vormen verschijnen: in Nederland, maar ook in andere landen. Veel van de voorbeelden die Brillenburg Wurth geeft, komen bijvoorbeeld uit Engelstalige culturen. In het artikel gaat ze in op fysieke boeken die andere vormen krijgen – een encyclopedie die tot kunstobject wordt omgewerkt bijvoorbeeld – en betoogt ze dat veel van de schijnbaar nieuwe inhoudelijke ontwikkelingen – elektronische boeken die uit hypertext bestaan, willekeurig gelinkte delen van een boek – in papieren vorm al veel langer bestonden. Dat roept de vraag op of er misschien van andere media – websites, emails, films, strips – in moderne Nederlandse gedrukte romans meer en meer sporen terug te vinden zijn. Is het opnemen van verwijzingen naar andere media ook een manier om het fysieke boek te laten overleven, en met welke effecten gebeurt dit dan? Analyseer het mediumgebruik in een roman of serie romans naar eigen keuze, dat wil zeggen dat je van passages waarin dat mediagebruik aantoonbaar is, onderzoekt welke functies die passages op de roman als geheel hebben. Voor het omschrijven van die functies kun je gebruik maken van een passage uit een rapport dat Ronald Soetaert voor de Taalunie schreef. In een van de hoofdstukken geeft hij een heel bondige omschrijving van de verschillende functies die literatuur volgens theoretici als Mooij en Oversteegen kan hebben. Zie pagina 32 en 33 van Cultuur van het lezen (Den Haag 2006). Hebben de passages waarin naar andere media wordt verwezen, andere functies dan de passages waarin die verwijzingen niet voorkomen? Zo ja, wat voegen ze toe aan het boek? En zo nee, waarom komen ze dan in het boek voor? Je kunt bijvoorbeeld denken aan een boek als Marlene van Niekerk, De sneeuwslaper (2009), of nog wat radicaler denken en boeken onderzoeken waarin de oorspronkelijke vorm van het boek verlaten is. Bijvoorbeeld omdat van een boek een stripverhaal wordt gemaakt, zie Christine Hermann, ‘Kijken en bekeken worden – De avonden als stripverhaal‘ (in:  Internationale Neerlandistiek 49 (2011), 6-24). Wordt in dit geval het gebruik van het medium ‘boek’ verlaten voor ‘het stripverhaal’ om een ander publiek te zoeken, of om de tekst een andere functie te geven?

Suggestie voor hoofdvraag:

Hebben de  technische kwaliteiten van specifieke e-readers invloed op het lezen van literatuur?

In het artikel ‘The Best Ebook Reader’ (in: The Wire Cutter, mei 2017) test Nick Guy een aantal e-readers, om tot de conclusie te komen dat de Kindle van Amazon de beste is. Zoek in je omgeving lezers die veel gebruik maken van e-readers, en zet zelf een test op. Kijk goed welke criteria Guy gebruikt, en bedenk of je die aan zou willen vullen omdat hij bepaalde functies of gebruiksmogelijkheden van e-readers over het hoofd heeft gezien. Er zijn via Google Scholar heel veel andere studies met tests van e-readers te vinden waar je ideeën voor criteria voor je analyses aan kunt ontlenen, zie bijvoorbeeld A study of reading with dedicated e-readers van Miriam Schcolnik uit 2001. Al die functies van e-readers kunnen het leesproces beïnvloeden. In deze artikelen van Twyla Miranda, Reluctant Readers in Middle School: Successful Engagement with Text Using the E-Reader‘ (International Journal of Applied Science and Technology 1 (2011), 81-91) en Marianne Driessen, ‘Het nieuwe lezen: Van oppervlakkig klikken en scrollen naar aandachtig digitaal lezen’ (in: Levende Talen Magazine 8 (2013), 4-8) vind je daarvoor inspiratie. Beide auteurs bespreken hoe lees- en leergedrag wordt beïnvloed door de technische mogelijkheden. De koppeling die zij maken dus tussen techniek en lezen kun je ook leggen voor alle andere technische functies die je aantrof in de test van e-readers. Zo stel je een hele lijst van aandachtspunten op van functies van e-readers waar je lezers over kunt ondervragen: doen die functies daadwerkelijk iets met het leesproces? Selecteer en beperk je lezers op wat ze lezen om je hoofdvraag te beantwoorden. Zoek dus lezers die deze vragen over leesprocessen kunnen beantwoorden omdat ze literatuur lezen. Wordt het lezen van literatuur anders door de e-readers? Mocht je heel veel (meer dan 20) proefpersonen kunnen vinden (bijvoorbeeld door een oproep op Facebook?), kun je een kwantitatief onderzoek opzetten waarbij je gebruik maakt van een (online) enquête. Mocht je minder dan 20 lezers vinden, kies dan voor een kwalitatieve aanpak met een of meerdere interviews.

Suggestie voor hoofdvraag:

Als we lezen op e-readers mee zouden tellen, zou de lijst van best gelezen/verkochte boeken er waarschijnlijk anders uitzien omdat vaak naar de verkoop van gedrukte exemplaren wordt gekeken. Welke boeken worden er als e-books gelezen, welk aanbod aan Nederlandse romans is beschikbaar?

In het artikel ‘Amazon debuts a new bestseller list for books’ (in: Fortune mei 2017) beschrijft Leena Rao hoe het bedrijf Amazon.com tegenwicht probeert te geven aan de best sellers list die de New York Times wekelijks publiceert. Die lijst is erg invloedrijk: een vermelding op de lijst betekent dat een boek beter verkocht wordt. Rao geeft aan dat Amazon.com afwijkende criteria hanteert om tot een eigen lijst te komen: het bedrijf kijkt niet alleen naar verkoopcijfers, maar ook naar verkoop van e-books. In het hoofdstuk van Henk Voorbij uit E-books: op de drempel van een doorbraak, vind je een poging om de Nederlandse situatie rond e-books te beschrijven. Kijk met name naar het derde deel, en bekijk hoe Voorbij de situatie van voor 2014 (toen verscheen zijn studie) in kaart heeft gebracht. Kijkt hij ook naar het soort boeken dat als e-book verschijnt? Om je hoofdvraag te beantwoorden, zul je inzicht moeten krijgen in het aanbod van e-books. Voorbij’s hoofdstuk geeft daar voor romans verschenen voor c. 1950 wel enig zicht op – je kunt bijvoorbeeld het aanbod van de Digitale Bibliotheek Nederlandse Letteren (DBNL) bekijken. Moderne Nederlandse romans digitaliseert de DBNL echter niet, omdat dat allerlei copyright-problemen met zich mee zou brengen die vooralsnog niet goed oplosbaar zijn. Het aanbod van moderne Nederlandse romans wordt gecreëerd door uitgevers. Kijk op websites van grotere literaire uitgeverijen wat ze aanbieden, en check ook het aanbod van Openbare Bibliotheken. Wat valt je op? Om dit onderzoek uit te voeren, is het noodzakelijk een goede definitie van een e-book op te stellen (eventueel ontleend aan het hoofdstuk van Voorbij), zodat je bij alle uitgeverijen naar hetzelfde type aanbod kijkt. Ook is het nodig titels van e-books die je aantreft te classificeren: om categorieën te maken, zodat je meer dan alleen maar losse titels als onderzoeksgegevens krijgt. Je kunt bijvoorbeeld het onderscheid maken tussen fictie<->non-fictie. Een overzicht van mogelijke genres kun je ontlenen aan het Algemeen Letterkundig Lexicon. Als je je onderzoek zo aanpakt, ligt het voor de hand om een kwantitatieve onderzoeksopzet te kiezen, waarbij je het aanbod kunt typeren in getallen en percentages.

Suggestie voor hoofdvraag:

Wat doen uitgevers of bibliotheken om het e-book aantrekkelijk te maken voor lezers?

In de tentoonstellingscatalogus, Boek zoekt lezer: reclame uit de boekenwereld vanaf de 17de eeuw N. van Kool, M. Lommen, S. Stsiger, J. Mammen en K. van der Hoek (red.) (Amsterdam 2008), vind je een historisch overzicht van maatregelen van uitgevers om het fysieke, papieren boek te promoten. Voor de promotie van e-book zijn ook acties uitgedacht en opgezet: waaruit bestaan die, en om welke reden kiezen uitgevers of andere instanties zoals bibliotheken voor die maatregelen? In dit artikel Using E-Books and E-Readers to Promote Reading in School Libraries: Lessons from the Field van Ray Doiron (een verslag van de IFLA Conference uit 2011) vind je een verkenning van de mogelijkheden die schoolbibliotheken in Canada gebruiken om via de promotie van het e-book het lezen te bevorderen. Gebruik het artikel om inspiratie op te doen: welke soort activiteiten waren er in het verleden, welke activiteiten onderscheidt Doiron, en zie je bij Nederlandse bibliotheken of uitgevers andere of dezelfde soort? In het hoofdstuk van Henk Voorbij uit E-books: op de drempel van een doorbraak, vind je een heel volledig overzicht van wat met name Nederlandse bibliotheken maar ook bedrijven als Google doen om het e-book in Nederland te promoten. Dit overzicht stamt uit 2014, kun je inmiddels – met name ook door te kijken naar wat uitgevers doen – al nieuwe ontwikkelingen signaleren? Als je alle mogelijke promotiemogelijkheden in beeld hebt, kun je onderzoek gaan doen – via de websites van uitgevers en bedrijven als Amazon.com, auteurs, (openbare) bibliotheken, instanties als het Letterenfonds. Wat doen zij om lezers richting het e-book te trekken? Je kunt dit onderzoek de vorm van een kwalitatief of kwantitatief corpusonderzoek geven: kies je voor het analyseren van zoveel mogelijk boeken (bijvoorbeeld in een bepaald genre, om toch een inperking te maken) of voor zoveel mogelijk uitgevende instanties (uitgeverijen, andere bedrijven, auteurs, bibliotheken) dan kun je de resultaten kwantitatief verwerken en bijvoorbeeld conclusies trekken over promotiemogelijkheden die heel vaak of vrijwel niet benut worden. Je kunt ook kiezen voor een kwalitatief onderzoek, waarbij je een kleiner aantal promotieactiviteiten rond e-books in veel meer detail bestudeert.

Onderzoek naar multimediale literatuur

Suggestie voor hoofdvraag:

Hoe beoordeel je moderne multimediale poëzie?

Recensenten hebben voor op papier gedrukte poëzie bepaalde kwaliteitscriteria. Je hebt die criteria vast leren kennen toen je in de klas poëzie besprak: criteria als het gebruik van metrum, stijlfiguren, woordspel etc. In het artikel ‘From Yijing to Hypermedia: Some Notes on Computer-mediated Literary Theory and Criticism‘ (in: Aesthetics and Contemporary Art. International Yearbook of Aesthetic 16 (2016), 114-125) stelt filosoof Jos de Mul de vraag hoe we multimediale poëzie moeten beoordelen. Multimediale poëzie is poëzie die niet alleen uit woorden, maar ook uit afbeeldingen en/of geluid bestaat: waarin dus meer dan een medium gebruikt wordt. De Mul geeft nog geen definitieve criteria voor de beoordeling ervan, maar stipt wel tal van punten aan waarop die poëzie beoordeeld zou kunnen worden. Lees ook het artikel ‘E-literatuur in het Nederlands: veel E-, weinig literatuur?’ van Jan Baetens en Dirk de Geest (in: Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis 14 (2007) op criteria na, zoek ook in het artikel ‘Grenzen aan het grenzeloze. Een verkenning van hypertekststrukturen in elektronische literatuur‘ van Jan Van Looy (in: Spiegel der Letteren 56 (2014), 335-358) naar aspecten van multimediale poëzie die je in je analyses en beoordeling kunt betrekken. Stel aan de hand van al deze artikelen een lijst met beoordelingscriteria op voor moderne Nederlandse multimediale poëzie. Om poëzie te verzamelen die je kunt beoordelen, kun je beginnen met een bekend voorbeeld uit de Nederlandse literatuur. Bijvoorbeeld het werk van Tonnus Oosterhoff, maar zoek ook maar eens op YouTube op ‘multimediale poëzie’ of zoek op SMS-gedichten (zie bijvoorbeeld Paul Van Cauwenberge en Carl De Strycker, In ultrakort bestek: het SMS gedicht (Gent 2012)). Je vindt daar zowel al bestaande, oudere poëzie in een nieuw multimediaal jasje, als ook nieuwe, meteen als multimediaal gecreëerde poëzie. Gebruik de term deformance om het totaal van criteria te omschrijven; hoe kun je die aan de hand van die criteria de poëzie beoordelen die je vond? Dit onderzoek is deels een corpusonderzoek: een deel van je werk gaat zitten in het verzamelen van voorbeelden van multimediale poëzie. Heb je je corpus eenmaal samengesteld, dan kun je een tekstanalyse maken – waarin je naast de tekst natuurlijk ook beeld en/of geluid meeneemt.

Suggestie voor hoofdvraag:

Hoe wordt in luisterboeken die van Nederlandse romans gemaakt zijn, gebruik gemaakt van het audio(visuele) medium om de leeservaring te beïnvloeden?

In zijn boek Iedereen is muzikaal: wat we weten over het luisteren naar muziek (Amsterdam 2009), betoogt musicoloog Henkjan Honing onder andere dat de ongeoefende, jonge luisteraar van muziek een specifieke beleving van muziek heeft, die zo zijn eigen waarden heeft (zie het hoofdstuk ‘Het oppervlakkige luisteren’). Hij maakt de vergelijking met het luisterboek: een ongeletterde lezer, een analfabeet, zal wel via een luisterboek toch literatuur tot zich kunnen nemen. De ervaren lezer Jörgen Apperloo, die over het luisterboek dit vlog maakte, heeft persoonlijk niet zoveel op met deze vorm van multimedialiteit. Maar wat doen de makers van luisterboeken van Nederlandse romans om de leeservaring van zo’n luisterboek anders te maken dan het lezen van een boek, en welke effecten beogen ze daarbij? Om een voorbeeld te geven: in het luisterboek dat van de roman Contrapunt van Anna Enquist gemaakt is, zijn tussendoor de Goldbergvariaties van Bach te horen, en dat heeft te maken met het onderwerp van deze roman (zie voor een korte typering van dat inhoudelijke verband de omschrijving van de uitgever). Gebruik de websites van uitgevers, maar ook sites als Passend lezen om te zien welke middelen worden ingezet. Dat kan gaan om het gebruik van muziek, maar ook om de keuze voor specifieke voordrachtskunstenaars: onlangs werd bijvoorbeeld In Europa van Geert Mak geheel voorgedragen door acteurs. Probeer zoveel mogelijk voorbeelden te verzamelen, en analyseer die. Eventueel kun je, om een scherp oog te krijgen voor keuzes die Nederlandse uitgeverijen maken, een vergelijking maken met het aanbod op de Engelstalige, Franstalige of Duitstalige markt. Zie je daar een ander type aanbod? Maak voordat je een vergelijking maakt, een voor jou bruikbare en relevante selectie van typen luisterboeken. Maakt het bijvoorbeeld uit of je aanbod voor kinderen, of laaggeletterde of juist zeer veel lezende lezers bekijkt? Het ligt voor de hand een keuze te maken tussen een kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksopzet: als je iets wilt zeggen over de frequentie waarmee bepaalde middelen (bijvoorbeeld muziek) wordt toegepast, kies je voor een kwantitatieve aanpak. Wil je bij een aantal luisterboeken in veel detail bekijken hoe tal van middelen zijn ingezet, of hoe precies met die middelen effecten bereikt zijn, dan kies je voor een kwalitatieve aanpak.

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke typografische middelen gebruikt(e )men om boeken/handschriften een ander uiterlijk te geven, en met welk effect?

In de tijden dat er nog geen digitale media waren, werden andere mogelijkheden aangegrepen – zie bijvoorbeeld deze verzameling van hartvormige boeken – om door een opvallende vorm de inhoud van het boek extra onder de aandacht te brengen. In dit artikel ‘De vorm: typografie in de Renaissance‘ (in: De Boekenwereld 21 (2004-2005)) over de verschillende mogelijkheden om pagina’s van vroegmoderne boeken typografisch gezien bijzonder te maken, geeft boekwetenschapper Paul Dijstelberge aan waarnaar je zoal kunt kijken als het om adverteermogelijkheden in en rond boeken uit de vroegmoderne periode gaat, en wat het betekent wat je ziet. De term ‘Renaissance’ en ‘vroegmodern’ worden overigens beide gebruikt om de periode na de middeleeuwen aan te duiden. We gebruiken hier de term  ‘vroegmodern’ om niet alleen de Renaissance maar ook de Verlichting in dit onderzoek te betrekken. Dat wil zeggen voor de Nederlandse Republiek de periode van c. 1570 tot 1800. Dijstelberge kijkt specifiek naar de typografie van boeken uit de Renaissance, dat wil zeggen naar de manier waarop ze gezet en gedrukt zijn: het lettertype, eventuele versierde initialen en andere vormen van bladversiering die werden aangebracht door drukkers om de blik van de lezer op hun vakmanschap te vestigen. In het Algemeen Letterkundig Lexicon kun je onder het lemma drukkunst nog meer informatie over ‘typografie’ vinden. Kijk voor meer informatie over type letters deze introductievideo. Bezoek met deze kennis gewapend de site van de Koninklijke Bibliotheek waar je afbeeldingen van vroegmoderne boeken kunt vinden (log in bij ‘Gratis landelijke toegang’). Selecteer een aantal boeken die onderling verband houden (bijvoorbeeld omdat ze in dezelfde plaats op hetzelfde moment gedrukt zijn) en maak die selectie tot het corpus waarop je hoofdvraag van je bovenstaande onderzoeksvraag toespitst. Je kunt er ook voor kiezen in je onderzoek niet alleen de typografie, maar ook de boekband mee te nemen: zie voor een overzicht deze pagina met bijzondere boekbanden waarmee de aandacht van de lezer getrokken werd. Zoals je ziet aan de collectie van de Koninklijke Bibliotheek, kan een vormaspect van het boek veel aandacht trekken en mogelijk is dat in de loop der eeuwen misschien wel steeds belangrijker geworden. In dit document kun je de termen vinden waarmee je aspecten van dergelijke boekbanden kunt beschrijven. Wil je je meer verdiepen in moderne varianten, begin dan bij het bestuderen van het werk van Irma Boomom te zien hoe zij vorm en inhoud met elkaar verweeft in moderne literaire uitgaven, en wat de effecten daarvan zijn. In het artikel Boeken bouwen. De indringende ontwerpen van Irma Boomvan Petri Leijdekkers (in: Ons Erfdeel 52 (2009), 79-86) vind je een analyse van Booms werk. Zoek vandaaruit naar andere moderne vormgevers en hun werk. Ben je vooral geïnteresseerd in effecten van vormgeving in (moderne) poëzie, neem dan Leegte, leegte die ademt. Het typografisch wit in de moderne poëzie (Nijmegen 2006) van Yra van Dijk of ‘Schrijven na Auschwitz, na apartheid, na de digital turn: hedendaagse ‘geëngageerde’ poëzie als ‘consequentie van een tijd’ in Nederlands en Afrikaans‘ (in: Tydskrif vir Letterkunde 52 (2015), 94-112) van Yves T’Sjoen; of Marieke Winkler en Laurens Ham, ‘Een plek waar we met z’n allen hebben afgesproken. Over ‘Unica’ van Lucebert en hedendaagse zines‘ (in: Dietsche Warande & Belfort 157 (2012), 275-283) als je vertrekpunt. Ben je juist geïnteresseerd in Middelnederlandse teksten en typografische bijzonderheden van handschriften, begin dan je zoektocht naar geschikte bronnen met het lezen van Wim van Anrooijs Handschriften als spiegel van de middeleeuwse tekstcultuur (Leiden 2005) en Meervoudige teksten. Talige spelvormen in middeleeuwen en vroegmoderne tijd(Hilversum 2014); of lees Bart Besamusca, Boeken uit Brugge – Over de materiële context van de Middelnederlandse literatuur(Utrecht 2017) om te zien welke typografische kenmerken van handschriften je kunt onderzoeken. Het ligt voor de hand je onderzoek uit te voeren nadat je een corpus hebt geselecteerd: een verzamelingen boeken met specifieke typografie of boekbanden die je onderling goed kunt vergelijken op bepaalde aspecten.

Suggestie voor hoofdvraag:

Wat gebeurt er op het kruisvlak van literatuur en computergames/andere digitale spelvormen met narrativiteit?

In het boek Hamlet on the Holodeck. The future of narrative in cyberspace (Cambridge 1998) schetste de literatuuronderzoek Janet Murray wat er zou gebeuren door het oprukken van computergames en andere digitale media die mensen al spelenderwijs in niet-bestaande werelden trekken. Computergames en digitale media zouden een belangrijke functies van literatuur – het verbeelden van een fictieve wereld – over kunnen nemen, met als voordeel dat gebruikers van computerspelen tijdens het leren kennen van het verhaal waarop de game drijft, van perspectief kunnen wisselen. Alsof je als toeschouwer bij het kijken naar een toneelvoorstelling van Hamlet opeens vanuit diens perspectief, dan wel bijvoorbeeld vanuit het perspectief van zijn moeder naar de voortrollende actie kijkt. Zo’n perspectiefwisseling kan in literatuur ook plaatsvinden, als de schrijver bijvoorbeeld voor verschillende personale perspectieven kiest, maar het effect zou mogelijk worden versterkt in een game, waarin je als het ware echt in de huid van zo’n personage kunt kruipen. Haar boek, dat al weer enige decennia oud is en veel ontwikkelingen voorspelt die al dan niet zijn uitgekomen, roept tal van vragen op over de verhouding tussen games/andere digitale spelvormen en literatuur. In hoeverre zijn games/andere digitale spelvormen en literatuur ook in de Nederlandse literatuur al met elkaar verbonden? Zijn er Nederlandse computergames die leunen op verhalen uit de Nederlandse literatuur, of is er Nederlandse literatuur waarin het fenomeen van games/andere digitale spelvormen een grote rol speelt? Om dit exploratieve onderzoek uit te voeren – ‘exploratief’ wil zeggen dat je een stand van zaken in kaart gaat brengen – kun je op zoek naar dergelijke boeken, bij uitgevers en auteurs nagaan in hoeverre zij ontwikkelingen in de games/andere digitale spelvormen volgen en hoe dit hun narratieve aanpak beïnvloedt. Zie bijvoorbeeld recente ontwikkelingen rond het fenomeen AltLit. Maar je kunt ook makers van computergames interviewen om te zien of en hoe zij door het lezen van literatuur beïnvloed zijn. In dit artikel ‘Game Analysis: Developing a Methodological Toolkit for the Qualitative Study of Games’ (in: The International Journal of Computer Game Research 6 (2006)) van Mia Consalvo en Nathan Dutton kun je een analysemodel voor games vinden dat je kan helpen om te zien hoe ‘narrativiteit’ in games/digitale spelvormen een rol speelt. Narrativiteit is ook een belangrijk kenmerk van literatuur. Raadpleeg het Algemeen Letterkundig Lexicon voor een beknopt analysemodel van dit kenmerk.

Suggestie voor hoofdvraag:

Hoe wordt moderne Nederlandse poëzie in plaats van leesmateriaal een performance, en met welke effecten?

Van poëzie zou je misschien denken dat die teksten vaak alleen, in eenzaamheid, wordt gelezen. Een dichter zegt veel in weinig woorden, de lay-out van de bladspiegel is je soms tot hulp bij het begrijpen van het gedicht: allemaal reden om heel geconcentreerd en gefocust te lezen. In het artikel ‘We hebben toch een stem die we graag willen laten klinken? Poëzie op het podium sinds “Poëzie in Carr锑 (in: Ons Erfdeel 57 (2014), 1-6), beschrijft Kila van der Starre dat dat zeker niet altijd zo geweest is in de Nederlandse literatuur. In 1838 verscheen bijvoorbeeld deze bundel: Gedichten, in het bijzonder gedicht voor declamatie, met daarin onder meer werk van Willem Bilderdijk die bekend stond om zijn avondvullende voordrachtsessies. Tien jaar later, in 1848, verscheen een wetenschappelijk studie van Lulofs waarin de kunst van het declameren wordt ontleend en geanalyseerd. Lulofs kijkt daarin onder andere terug op de eeuwenoude traditie van het reciteren van gedichten die al in de klassieke tijd bestond. Maar na de 19e eeuw werd poëzie meer en meer leesstof voor de individuele lezer, betoogt Van der Starre. Tot in 1966 de Nacht van de Poëzie werd geïntroduceerd door Simon Vinkenoog. Sindsdien is poëzie ook weer performance. Waar ontstaat in Nederland poëzie buiten het gedrukte boek, als performance, en wat voegt de performance toe aan die poëzie? Van der Starre schetst enkele grote ontwikkelingen (poetry slam bijvoorbeeld, of YouTube-filmpjes waarin poëzie wordt voorgedragen). Ga na wat er nog meer gebeurt, en met welk effect. Dat kun je op drie manieren doen: ofwel inzoomen op een of een aantal manifestaties van poëzie als performance (bijvoorbeeld op een festival) om die in veel detail te bestuderen. Hoe zit de programmering van zo’n festival in elkaar, welke elementen van die programmering verhogen het performance-gehalte, en hoe en met welk effect? Kun je ook bezoekersreacties vinden om je te helpen dat effect te analyseren? Of je kunt een groter aantal manifestaties nemen en die op een aspect analyseren: bijvoorbeeld het gebruik van beeld of muziek tijdens performances. Interessant wordt je onderzoek als je bijzondere manifestaties weet te vinden: bijvoorbeeld performances gericht op een speciale doelgroep (jongeren, multicultureel publiek, etc.). Je analyses van die performances kun je beschouwen als een (heel uitgebreide) tekstanalyse waarin je ook andere media meeneemt. Ook kun je voor ‘discours-analyse’ kiezen: in welk groter verband van maatschappelijke debatten of ontwikkelingen is de performance te duiden? Dat kunnen bijvoorbeeld politieke of culturele discourses zijn: zijn er instanties die subsidies geven voor bepaalde performances, en waarom doen ze dat? Ook kun je kiezen voor een analyse van poëzie die bijvoorbeeld duidelijk door muziek geïnspireerd is en daardoor bijzondere vormen heeft aangenomen. Daardoor is die poëzie misschien ook te analyseren alsof het muziek is, omdat poëzie en muziek in bepaalde opzichten op dezelfde manier en volgens dezelfde patronen gemaakt worden. Lees daarover Geert Buelens, ‘Aspiring towards the condition of music‘. Enkele notities over het strategische gebruik van muziek in de poëzie (in: Geert Buelens, Oneigenlijk gebruik (Nijmegen 2008, 89-101)).

Literatuur & Identiteit

Onderzoek naar identiteitsvorming in en door romans

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke groepsidentiteit is inherent aanwezig in een roman als Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, De asielzoeker van Arnon Grunberg, De belofte van Pisa van Mano Bouzamour of Het gym van Karin Amatmoekrim, en welke passages in die roman tonen dat aan?

In het artikel ‘Reframing Memory: Between Individual and Collective Forms of Constructing the Past (in: Performing the Past: Memory, History and Identity in Modern Europe, K. Tilmans, F. van Vree en J. Winter (red.) (Amsterdam 2010), 35-50) betoogde literatuuronderzoeker Aleida Assmann dat mensen niet in de ‘first person singular’ leven (en dus in de ik-vorm denken, handelen en leven) maar deel uitmaken van een groep. Die groepen worden onder meer gevormd doordat ze herinneringen aan het verleden delen. Die herinneringen aan het verleden kunnen van generatie op generatie erg verschillen. Over bijvoorbeeld het koloniale verleden van Nederland en Vlaanderen zullen jouw opa en oma misschien andere gedachten hebben dan jij. Dat komt bijvoorbeeld doordat ze er op school en in hum omgeving andere verhalen en standpunten over dat verleden hebben gehoord. Denk maar aan de  discussie over de inrichting van een slavernijmuseum dat een andere kant van dat koloniale verleden zal belichten (zie bijvoorbeeld deze column van Peter de Kortvan Dal in De Volkskrant van 19 juli 2017).

De identiteiten van groepen zijn in romans goed zichtbaar als die bijvoorbeeld in de ‘wij-vorm’ geschreven zijn, maar dat is maar hoogst zelden het geval in moderne Nederlandse romans. Die zijn vaak in de ik-vorm geschreven of kiezen een van de personages als dominante focalisator (dat wil zeggen dat je als lezer door de ogen van dat personages alles waarneemt). Dan lijkt het alsof personages voor zichzelf denken en handelen, en toch kunnen ze – zonder dat dit expliciet wordt gemaakt – toch een groep vertegenwoordigen en standpunten van die groep vertolken. Kijk maar eens naar deze bespreking met daarin ook een fragment van Thierry Baudets roman Voorwaardelijke liefde (2014), waarin Aafke Romeijn onverholen seksisme tegen vrouwen verwoord vindt en zich als vrouwelijke lezer tegenover de man Baudet (en diens medestanders) plaatst. Vaak zijn de signalen nog subtieler. Hoe kun je ze, door heel zorgvuldig te lezen en je af te vragen welke groep de hoofdpersonages representeren, op het spoor komen in bepaalde passages? Een roman die dit punt thematiseert is Saskia de Costers Ik en wij (2013). Die kun je lezen om te zien hoe expliciet relaties tussen ik-wij-verleden worden gelegd binnen een bepaalde familie. Wellicht zet dat je op het spoor van minder zichtbare relaties in de door jou onderzochte roman. Je kunt dit uitwerken als kwalitatief onderzoek, op basis van een tekstanalyse.

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke rol speelt identiteitsvorming en engagement in literatuur?

In het essay ‘Radicaal relationisme. Het andere engagement in de jongste Nederlandse literatuur‘ (in: De Gids 28 (2015)) betogen literatuuronderzoekers Yra van Dijk en Merlijn Olnon dat in de nieuwste Nederlandse romans – ze noemen bijvoorbeeld Nina Weijers De consequenties  – het engagement De term 'engagement' verwijst hier grofweg naar de wens van schrijvers om in de maatschappij een rol van betekenis te spelen met hun boeken, en die boeken niet los van die maatschappij te schrijven. van de schrijvers zichtbaar is omdat in die boeken gestreefd wordt naar de constructie van een wij-identiteit. Die neemt weliswaar bijzondere vormen aan, maar de romans zijn wel degelijk te lezen als zoektocht van de hoofdpersonen naar die wij-identiteit/wij-identiteiten die een maatschappij niet kan missen: er zou anders geen sprake zijn van een maatschappij, maar van een groep los van elkaar functionerende individuen. Bijzonder zijn de romans omdat ze relaties op een eigen, specifieke manier presenteren: zo maakt de hoofdpersoon in Nina Weijers’ De consequenties foto’s van iedereen die ze ontmoet, en worden de relaties dus via dat medium zichtbaar. Ook is er vaak sprake van een meervoudig personaal vertelperspectief: wat er gebeurt, kom je als lezer te weten omdat het verhaal vanuit meerdere personages verteld wordt. Welke middelen grijpt bijvoorbeeld Daan Heerma van Voss – in het essay van Van Dijk en Olnon genoemd als een van de schrijvers in wiens boeken radicaal relationisme zichtbaar is – aan in zijn roman De Vergeting en welke rol spelen identiteitsvorming en engagement in dit boek? Vergelijk het boek eventueel met Franz Kafka’s Die Verwandlung (1912) om je analyses aan te scherpen. Informatief zijn ook andere bijdragen aan de discussie waarvan het artikel van Van Dijk en Olnon deel uitmaakt. Zie bijvoorbeeld het essay van Joost de Vries waarmee de discussie begon, de reactie van Joost de Vries op het essay van Van Dijk en Olnon, deze blogpost van Kim Schoof en dit essay van Sven Vitse.

Deze discussie over mogelijk afnemend engagement van schrijvers komt voort uit het verleden: in de middelnederlandse en vroegmoderne periode, zeg maar grofweg tot 1850, stond maatschappelijke betrokkenheid bij schrijvers voorop. Wil je je meer in de historische wortels van het fenomeen verdiepen, lees dan van Sarah Adams en Kornee van der Haven ‘Er is geen recht voor ons …’ Van Hogendorps abolitionistisch toneelstuk Kraspoekol (1800) als proces tegen de slavernij‘ (in: Internationale Neerlandistiek 54 (2016), 1-17) om te zien over welke maatschappelijke issues schrijvers zich zoal in literatuur uitspraken. Zoek vervolgens op de periodepagina’s van de DBNL (Middeleeuwen, 17e eeuw, 18e eeuw, 19e eeuw) naar andere teksten waarmee je een vergelijkbaar onderzoek kunt uitvoeren. Je kunt dit uitwerken als kwalitatief onderzoek, op basis van een tekst- of discours-analyse.

Je kunt voor je onderzoek ook een geheel andere insteek nemen, en je focussen op de discussie die over migrantenauteurs gevoerd wordt: zijn zij gebonden aan het schrijven over hun migranten-identiteit, en doen deze auteurs dat? Lees ter inleiding van Henriette Louwerse, ‘Zwartrijders in de Nederlandse literatuur: het motief van de queeste in de migrantenliteratuur’ (in: Perspectieven voor de internationale neerlandistiek in de 21ste eeuw. Gerard Elshout et al. (red. ) (Woubrugge 2001, 169-178)) en neem een na 2001 verschenen roman van een migrantenauteur om te zien hoe hij/zij met het probleem omgaat dat Louwerse in de inleiding van het artikel schetst: welke vorm van engagement kunnen zij tonen met de Nederlandse en Vlaamse samenleving als er de verwachting is dat zij hun eigen migranten-identiteit als uitgangspunt en inzet van hun auteurschap nemen? Over de problematische kanten van die migrantenidentiteit schreef de socioloog Jan Willem Duyvendak het bruikbare artikel ‘Een seksueel geëmancipeerde natie. Over nativisme en moderne zeden‘ (in: Seks in de nationale verbeelding, Agnes Andeweg (red.) (Amsterdam 2015, 179-191)): dat artikel laat goed zien tegen welke verwachtingen en mogelijkheden migranten opbotsen als zij literatuur gaan schrijven. Ben je geïnteresseerd in de historische wortels van die debatten, lees dan Bert Paasman, ‘Een klein aardrijkje op zichzelf, de multiculturele samenleving en de etnische literatuur‘ (in: Literatuur 16 (1999), 324-334) om een auteur of tekst te vinden die je wilt onderzoeken.

Suggestie voor een hoofdvraag:

Hoe bepaalt vriendschap de identiteit van romanpersonages?

In het artikel ‘Adellijke vriendschap en verwantschap rond 1600: de familie Van Arnhem‘ (in: Historisch Jaarboek voor Gelderland 106 (2015), 135-169) bespreekt Sophie Reinders zogenaamde alba amicorum: vroegmoderne boekjes waarin vrienden elkaar in literaire taal duidelijk maken wat hun vriendschap inhoudt. De alba waren – voor jonge mannen en vrouwen – een belangrijk middel om netwerken van vriendschap op te bouwen, en om in die netwerken de eigen en groepsidentiteit vorm te geven. Reinders bespreekt in dit artikel het onderzoek van Luuc Kooijmans naar de aard van vroegmoderne vriendschap. Door Kooijmans onderzoek is duidelijk geworden dat vroegmoderne vriendschappen draaiden om nut en noodzaak: verwanten en andere vrienden waren er vooral als sociaal netwerken. Vrienden zorgden voor elkaar in tijden van nood. Tegenwoordig definiëren we vriendschap juist vaak in termen van onbaatzuchtigheid. Een vriend wordt geacht een vriendschap niet uit eigenbelang te onderhouden. Analyseer een roman, of een serie romans naar keuze, op het thema ‘vriendschap’. Hoe bepaalt vriendschap de identiteit van de hoofdpersonages in de door jouw gekozen roman(s)?

Onderzoek naar nationale identiteit

Suggesties voor hoofdvragen:

Hoe wordt het land Nederland of Vlaanderen in literatuur of in aan literatuur verwante genres verbeeld?

In het artikel ‘Denken over het vaderland: theorie en praktijk‘ (in: Historisch Tijdschrift Holland 49 (2017), 52-61) schetst literatuuronderzoekster en filosofe Lotte Jensen de standpunten van twee groepen onderzoekers. De modernisten menen dat Europese ‘natie’ pas na 1800 gingen ontstaan, de traditionalisten menen dat de 19e-eeuwse naties diepere wortels hebben (wat zoveel wil zeggen dat ze in aanleg al voor 1800 bestonden). In dit artikel van Marijke Meijer Drees, ‘Patriottisme in de Nederlandse literatuur (ca. 1650-ca. 1750)‘ (in: De nieuwe taalgids 88 (1995), 247-260) wordt onderzocht wat die diepere wortels kunnen zijn, als je naar literatuur kijkt. Welke gedachten over een ‘Nederlandse natie’ komt in die historische literatuur al voor? Haar conclusies zijn dat het woord ‘natie’ niet gebruikt werd, maar dat het woord ‘vaderland’ wel vaak valt. Een Amsterdamse dichter kan met dat woord ‘Amsterdam’ bedoelen, weer andere dichters denken bij hun vaderland aan de gewesten Holland en Brabant. Maar dat idee van vaderland viel dus niet per se samen met de toenmalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Ook kom je in zeventiende- en achttiende-eeuwse literatuur vaak beelden tegen als de Nederlandse leeuw, de Nederlandse (melk)koe: symbolen van strijdlust en welvaart. Dit artikel van Meijer Drees stamt uit 1995, en ondertussen is heel veel literatuur uit de zeventiende en achttiende eeuw gedigitaliseerd en doorzoekbaar geworden op de termen die Jensen en Meijer Drees aandragen. Zoek op de site van de Digitale Bibliotheek Nederlandse Letteren en die van Early Dutch Books Online naar een aantal geschikte teksten (gedichten, pamfletten) waarin je ofwel die Nederlandse leeuw of koe, ofwel het woord vaderland tegenkomt en analyseer die teksten aan de hand van de artikelen van Jensen en Meijer Drees om antwoord te krijgen op je hoofdvraag. Afhankelijk van het aantal teksten dat je verzamelt, kun je dit onderzoek als een wat uitgebreidere discours-analyse dan wel als een tekstanalyse opzetten. Als je historische teksten gaat lezen – misschien vind je wel materiaal uit de Middeleeuwen (1200-1550), of anders de vroegmoderne periode (1550-1800), heb je hulp nodig van heel specialistische woordenboeken om de teksten te ontcijferen. Die woordenboeken vind je op de site van het Instituut voor Nederlandse taal. Voor de vroegmoderne periode gebruik je het WNT, voor de middeleeuwse het MNW. Als je op ‘Start de applicatie’ klikt, kun je daarin gaan zoeken. Hier vind je een kort filmpjedat inzicht geeft in de geschiedenis van het Nederlands ter achtergrondinformatie. Hulp bij het lezen van middelnederlands vind je hier in 10 lessen.

Ben je vooral geïnteresseerd in het beeld van het vaderland zoals dat in (moderne of historische) Vlaamse literaire teksten te vinden is, neem dan het artikel van Geert Buelens, ‘“En redders zult gij zijn van heel het Vaderland!” De artistieke en culturele beeldvorming van en herinnering aan de Eerste Wereldoorlog als een Vlaamse, Belgische of internationale aangelegenheid sinds 1914Eerste Wereldoorlog als een Vlaamse, Belgische of internationale aangelegenheid sinds 1914′ (in: Volkskunde 2 (2015), 151-176) of Piet Couttenier, ‘Nationale beelden in de Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw’ (in: Nationalisme in België. Identiteiten in beweging 1780-2000. Kas Deprez en Louis Vos (red.) (Antwerpen 1999, 60-69)) als je vertrekpunt. Buelens bijvoorbeeld beschrijft 4 fasen van ontwikkeling. Je kunt een fase selecteren die je het meest interesseert. Zoek dan aanvullende bronnen om te zien of wat hij constateert voor de bronnen die hij zelf raadpleegde, ook geldig is voor de bronnen die jij zelf opgespoord hebt. Wil je het breder trekken dan literatuur, lees dan van Feike Dietz, Laurens Ham en Saskia Pieterse, Gezellig, indianen verdrijven bij een kopje chocolademelk(in: De Groene Amsterdammer 140 (2015), 42-43), waarin bordspelletjes als Monopoly bekeken worden als dragers van verhalen, en ideeën over nationale identiteit. Je kunt in het verlengde daarvan ook kijken naar een bordspel als Ik hou van Holland(verkocht en aangeprezen als ‘identity game’) en dat analyseren op narratieven (dat wil zeggen: (historische) verhalen over de Nederlandse identiteit waarin die van generatie op generatie door verhalen zijn overgedragen). Ook een optie is de verfilming van die historische verhalen (zoals de film Nova Zembla of Michiel de Ruyter) analyseren, of populaire muziek waarin over de Nederlandse of Vlaamse identiteit wordt gezongen.

Suggestie voor hoofdvraag:

Kun je aan vertalingen van moderne Nederlandse (kinder)boeken aflezen wat buitenlandse lezers als ‘Nederlandse nationaliteit’ zien?

In het artikel ‘De kerk als een slagroomtaart. Een multimodale vertaalanalyse van veranderende kindbeelden in de Zweedse vertaling van Nijntje in de sneeuw’ (in: Internationale Neerlandistiek 50 (2012), 4-19) laat Sara van Meerbergen zien hoe Zweedse vertalingen van het kinderboek Nijntje in de sneeuw werden aangepast om ze meer geschikt te maken voor de Zweedse samenleving. Bepaalde karaktereigenschappen van de Nederlandse Nijntje werden in tekst en beeld veranderd om die aansluiting tot stand te brengen. Door die aanpassingen te bestuderen, kun je ook zien wat – in Zweedse ogen – typische karaktereigenschappen van Nederlandse hoofdpersonages zijn. In dit geval werden die karaktereigenschappen aangepast, maar vertalers kunnen er ook voor kiezen om karaktereigenschappen en gedragingen van personages, locaties in het verhaal, historische context etc. in het verhaal toe te lichten. Door een voorwoord te schrijven, aantekeningen toe te voegen of een inleiding te schrijven. Gebruik de terminologie die Van Meerbergen in het artikel introduceert om andere vertalingen van Nederlandse literatuur te bestuderen om aan de hand daarvan vast te stellen wat buitenlandse lezers als ‘typisch Nederlands’ ervaren. Je kunt bij je onderzoek ook gebruik maken van buitenlandse recensies, waarin deze aspecten van de vertaalde tekst vaak ook genoemd worden. We geven je vast een beginnetje voor onderzoek naar de recente Engelse vertaling van De avonden van Gerard van het Reve, en de Amerikaanse ontvangst van Het diner van Herman Koch. Je kunt dit onderzoek opzetten als een kwalitatief onderzoek, met tekstanalyse en/of discourseanalyse.

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke identiteitsvorming vindt plaats in Nederlandse kinderboeken?

In het artikel ‘Kinderen van het volk. Tien raakvlakken tussen jeugdliteratuur en volkscultuur‘ van Piet Mooren (in: Literatuur zonder leeftijd 59 (2002), 372-397) wordt duidelijk gemaakt dat we kinderliteratuur serieus moeten nemen als het gaat om de impact die die literatuur op de Nederlandse samenleving heeft, en de kennis over de Nederlandse samenleving die via die literatuur wordt overgedragen. In schijnbaar simpele teksten zoals Annie M.G. Schmidts Jip en Janneke leren kinderen niet alleen de Nederlandse taal kennen, maar ze doorgronden ook de gewoonten en gebruiken die specifiek zijn voor de Nederlandse samenleving.

Sanne Parlevliet laat in het artikel ‘Oude verhalen voor jonge lezers: Over bewerkingen van literaire klassiekers’ (in: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 121 (2011), 71-86) zien dat Nederlandse kinderen van nu vaak via die kinderliteratuur ook veel kennis verwerven over verhalen over het verleden van Nederland. Kinderliteratuur leert kinderen dus niet alleen iets over de huidige Nederlandse identiteit, maar ook over de historische wortels daarvan. Parlevliet bekijkt onder andere een aantal bewerkingen van de middelnederlandse tekst Reinaert de Vos: van een sluwe dief en bedrieger wordt de vos in de modernere verhalen voor kinderen omgevormd tot de ideale, brave burgervader. In een ander stuk van Sanne Parlevliet maakt ze nog explicieter het punt dat in historische verhalen voor Nederlandse kinderen duidelijke opvattingen vervat zitten over hoe zij tegen het Nederlandse verleden aan kunnen kijken. Ze analyseert bijvoorbeeld kinderboeken over de slavenhandel in het artikel ‘Is that us? Dealing with the ‘Black’ Pages of History in Historical Fiction for Children (1996-2010) ‘ (in: Children’s Literature in Education 47 (2016), 343-356). De negerhut van Oom Tom is wellicht het bekendste boek over dat onderwerp, en wil je je daarin specifiek verdiepen, dan is ‘De Hollandsche negerhut. Cécile Goekoop de Jong van Beek en Donk (1866-1944)‘, van Jacqueline Bel een goed vertrekpunt (in: Schrijvende vrouwen, Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen 1880-2010. Jacqueline Bel en Thomas Vaessens (red.) (Amsterdam 2010, 39-42)). De Tsjechische onderzoekster Jana Štěpánová zoekt het in ‘Invloed van multiculturalisme op hedendaagse Nederlandse jeugdliteratuur‘ (Praag 2011) nog wat dichterbij bij huis. Zij beschrijft in dit proefschrift of, en hoe, Nederlandse kinderen in kinderliteratuur het ideaal van een samenleving met multiculturele identiteiten voorgeschoteld krijgen. Gebruik met name deze laatste bron om je onderzoek vorm te geven. Štěpánová beschrijft de situatie tot circa 2011. Wat is er daarna in de Nederlandse kinderliteratuur gebeurd wat je identiteitsvormend zou kunnen noemen? Spits die vraag toe op bijvoorbeeld ‘multiculturele identiteit’ om je onderzoek in te perken. Je kunt kiezen voor een kwalitatieve tekstanalyse van een enkele tekst, maar ook voor een kwalitatieve analyse van een corpus van teksten dat je op bepaalde kenmerken selecteert en bij elkaar zoekt.

Onderzoek naar de rol van de identiteitsvormende werking het landschap, de provincie en de stad in en door literatuur 

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke rol spelen in boeken verbeelde steden voor de identiteitsvorming van de bewoners van die steden, dan wel alle lezers van dat boek?

In het artikel ‘Van maagden en poorten Stadsmetaforen in historische toneelstukken ‘ (in: Nederland stedenland. Continuïteit en vernieuwing. Ed Taverne e.a (red.) (Rotterdam 2012), 179-193) beschrijft literatuuronderzoeker Bart Ramakers zogenaamde ‘stedemaagden’: dat zijn afbeeldingen van jonge vrouwen die een bepaalde stad symboliseren (verpersoonlijkingen van een stad dus). Zulke verbeeldingen kwamen in Nederlandse toneelstukken uit de zestiende/zeventiende eeuw veel voor en moesten de inwoners van de stad een idee geven van de sterktes en waarden van hun stad. Die ‘stedemaagden’ droegen vaak attributen om die sterktes en waarden zichtbaar te maken, en waren duidelijke signalen voor de lezers/toeschouwers. Als zij op het toneel staan en beschreven worden, of zelfs handelende personages zijn, spiegelen zij de inwoners van de stad een duidelijk ideaal voor.

Vaak zijn de signalen subtieler, zowel in historische als moderne literatuur. Gebruik het artikel van Ramakers, en de terminologie die hij daarin hanteert, om de identiteitsvormende werking van steden te analyseren in andere literaire bronnen. Nuttig voor het vinden van bruikbare termen is ook het artikel van Arie Jan Gelderblom, ‘De maagd en de mannen. Psychokritiek van de stadsuitbeelding in de zeventiende en achttiende eeuw‘ (Mannen en maagden in Hollands tuin. Interpretatieve studies van Nederlandse letterkunde 1575-1781 (Amsterdam 1991, 78-93)), Louis Peter Grijp, ‘De Rotterdamse Faem-Bazuyn. De lokale dimensie van liedboeken uit de Gouden Eeuw‘ (in: Volkskundig bulletin 18 (1992), 23-78),  Hubert Meeus, ‘Dye vermaerde coopstat van Antwerpen’ (in: Nederlands in culturele context (Woubrugge 1995, 221-242) en Ton van Strien, ‘Het beeld van een stad. Amsterdam in Antonides’ Ystroom‘ (in: Daer omme lachen die liede. Opstellen over humor in literatuur en taal voor Fred de Bree. Ton van Strien en Roel Zemel (red.) (Amsterdam 2005, 123-130)). Kijk als je een geschikt historisch toneelstuk wilt vinden op de Leidse site van Ceneton, waar je ruim 700 volledig stukken vindt. Kies je voor zo’n bron, kun je dwarsverbanden gaan leggen met het vak Geschiedenis. Kijk bijvoorbeeld naar het stuk Bergen op Zoom uit 1624 door Jacob Vleugel. Een historische gebeurtenis waarin die stad een belangrijke rol speelde is aanleiding geweest dat stuk te schrijven, en bepaalt mede de identiteit die de stad in het stuk aangemeten krijgt. Vind je het lastig zo’n toneelstuk in een oude, Gotische letter te lezen, kies dan voor een stuk waar een editie met moderne letters van beschikbaar is, zoals het Beleg van Leiden van Jacobus Zevecotius uit 1626. Nog meer hulp is beschikbaar als het toneelstuk dat jij uitzoekt in de DBNL in een geëditeerde vorm te vinden is, dat wil zeggen voorzien is van tal van aantekeningen en commentaren, zoals Gerbrand Adriaansz. Bredero’s Moortje. Deze zoekfunctie van de DBNL, de zogenaamde ‘Atlas’, is voor het zoeken van een geschikte tekst zeer handig. Je kunt daar op plaatsnaam moderne en historische teksten vinden die over die plaats gaan, en in hun geheel in de DBNL te vinden zijn. Zoeken naar echt modern aanbod (de DBNL kan door copyright-problemen Nederlandse werken die na c. 1950 verschenen zijn niet opnemen) kun je vinden via Lezen voor de lijst. Je kunt dit onderzoek ook vergelijkend maken, en daarmee je profielwerkstuk ook over Engelse, Franse of Duitse literatuur uitstrekken. Neem dan bijvoorbeeld een achttiende-eeuwse Nederlandse roman als de Sara Burgerhart (1782) en de Engelse tegenhanger daarvan, Pamela: or, Virtue Rewarded (1740) van Samuel Richardson en kijk welke rol de verbeelding van de stad in die romans speelt. Wil je het kleiner maken, kun je ook naar elementen uit de stad kijken die in literatuur verbeeld worden, zoals huizen of bomen of grachten. Zie ter inspiratie voor een dergelijke onderzoek Barbara Kalla, Huisbeelden in de moderne Nederlandstalige poëzie (Gent 2012). Het ligt voor de hand het onderzoek dat je uitvoert kwalitatief van aard te maken, dat wil zeggen dat je middels tekstanalyse heel diep inzoomt op beelden en beschrijvingen die je in de door jouw gekozen tekst aantreft. Je kunt kiezen voor analyse van een enkele tekst, of van een door jou geselecteerd onderzoekscorpus.

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke rol spelen bepaalde (culturele) industrieën (zoals de haven in Rotterdam of Antwerpen, of het Delfts blauw in Delft) zoals beschreven in boeken voor de bewoners van die steden, dan wel alle lezers van dat boek?

De identiteit van sommige steden wordt in grote mate bepaald door wat ze produceren. In het verleden was dat zeker het geval (Leiden ‘lakenstad’, bijvoorbeeld), maar ook nu nog bestaan er banden tussen steden en wat daar gemaakt wordt (denk maar aan Hilversum als plek waar veel mediaproducties vandaan komen). In het artikel ‘De relatie tussen plaats en cultuur. Nederlandse culturele industrie vanuit langetermijnperspectief’ (in: Nederland stedenland Continuïteit en vernieuwing. Ed Taverne, L. de Klerk, Bart Ramakers & Sebastian Dembski (red.) (Rotterdam 2012, 194-205)) schetsen de historici Robert Kloosterman & Maarten Prak hoe die band eruit zag in de loop der eeuwen. Zoek daarna in de Atlas van de DBNL naar een geschikte bron die je meer zicht geeft op de relatie tussen literatuur, de lokale industrie en identiteitsbesef. We geven een voorbeeld, uit de kinderliteratuur: in dit verhaal Carolien, het koetje uit Delft van Adam Thomas Bertram, geschreven tussen 1940 en 1950, wordt voor kleine kinderen op visuele wijze (dus met tekeningen erbij) uitgelegd hoe een bepaald, geschilderd object, namelijk een beschilderd koetje zoals dit:

handbeschilderde Delftse koe uit de 18e eeuw

sinds lang gestalte geeft aan de identiteit van Delft. Dat dat al ‘sinds lang’ gebeurt, wordt duidelijk in de manier waarop de maker van het koetje wordt afgebeeld: als een zeventiende-eeuwse schilder. Dit voorbeeld maakt meteen duidelijk dat je als je dit onderwerp kiest, links kunt leggen met het vak Geschiedenis. Hoe zag de aardewerkindustrie er voor Delft uit, welke economische rol speelde die voor de stad? En qua beeldvorming? Waarom werd nu juist die koe bijvoorbeeld een belangrijk symbool voor de Delftse stad? Je komt dan op het onderzoeksterrein van de imagologie, beeldvorming. Relevante studies daarvoor zijn bijvoorbeeld: Tessa Ver Loren van Themaat, ‘Symbolische bouwstenen voor identiteitsbesef? Het succes van Holland-symbolen op gebruiksvoorwerpen’ (in: Quotidian 3 (2012), 53-72) en voor de historische situatie Marijke Meijer Drees, ‘Patriottisme in de Nederlandse literatuur (ca. 1650-ca. 1750)’ (in: De Nieuwe Taalgids 88 (1995), 247-260). Het ligt voor de hand het onderzoek dat je uitvoert kwalitatief van aard te maken, dat wil zeggen dat je middels tekstanalyse heel diep inzoomt op beelden en beschrijvingen die je in de door jouw gekozen tekst aantreft. 

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke rol spelen in literatuur verbeelde provincies/regio’s voor de identiteitsvorming van de bewoners van die provincies, dan wel alle lezers van dat boek?

In 1623 verscheen in Middelburg de bundel Zeeuwse nachtegaal. De onderzoekers P.J. Meertens en Piet Verkruysse nemen aan dat die bundel met gedichten en liederen het antwoord was op de ‘Hollandse suprematie’: de talrijke goede bundels met gedichten, toneel en liederen die al waren geproduceerd door auteurs uit het gewest Holland, zoals Constantijn Huygens, Pieter Cornelisz. Hooft en Joost van den Vondel. Onder aanvoering van Jacob Cats wilden ook de Zeeuwen van zich laten horen. In de loop der eeuwen is die regionale identiteit (van de Friezen, de Limburgers, de Groningers etc.) in de Nederlandse literatuur vaak onderwerp en focus gebleven.

In het artikel ‘De identiteit van de Nederlandse literatuur‘ (in Neerlandica Extra Muros 34 (1997)) rafelt cultuurwetenschapper Joep Leerssen het fenomeen ‘Nederlandse literatuur’ uit: bestaat wat we als eenheid zien, ‘de Nederlandse literatuur’, in werkelijkheid niet eerder als een stelsel van regionale literaturen? Een bundel als de Zeeuwse nachtegaal kan vanuit het regionale gezichtspunt gezien worden als Zeeuws, maar de bundel vindt zoals je ziet ook een plek in een modern overzicht van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Leerssen wijst op de term ‘invention of tradition’ van Eric Hobsbawm en op Terence Ranger, die een goede analyse geeft van wat er in dergelijke processen gebeurt: ‘”traditie” is niet zozeer een estafettestokje dat met-de-tijd-mee wordt doorgegeven, van generatie op generatie, dan wel een retrospectieve activiteit tegen-de-tijd-in: mensen blikken terug in de geschiedenis, proberen hun eigen antecedenten te vinden, graven rond in het verleden op zoek naar de delfstof die wij ‘traditie’ noemen.’

Dat de Zeeuwse nachtegaal nu naast ‘Zeeuws’ ook ‘ Nederlands’ is, valt daardoor te verklaren: de bundel was oorspronkelijk bedoeld als ‘vlag’  waarmee in het zeventiende-eeuwse literaire landschap de Zeeuwse dichters zichzelf kenbaar maakte. In de loop der eeuwen is hij daarnaast, of misschien wel vooral, onderdeel geworden van de hele Nederlandse literatuur uit de Gouden Eeuw, en alle hoogtepunten die die literatuur voortbracht. In je onderzoek kun je op zoek naar bronnen die voor bepaalde provincies in Nederland een identiteitsvormende functie hebben gehad. In beperkte mate biedt ook hier weer de Atlas van de DBNL hulp bij het zoeken, want als je namen van provincies invult, word je op het spoor gezet van titels als Jacobus Revius’ Over-ysselsche Sangen en Dichten (gedrukt in Deventer, in 1630). Heb je eenmaal zo’n aanknopingspunt, kun je gaan uitzoeken wat die bundel nu nog betekent voor de provincie Overijssel, en in de loop der eeuwen betekend heeft. Het artikel van Leerssen biedt je dan houvast: welke traditie is er rond die bundel gevormd en ontstaan? Is het ‘provinciale’ van de bundel benadrukt in de loop der eeuwen, of is de bundel een symbool geworden voor iets waar heel Nederland voor staat? Kijk bijvoorbeeld naar herdrukken van de bundel, of naar de manier waarop hij in literatuurgeschiedenissen besproken is, of de manier waarop Revius als dichter besproken is in biografische woordenboeken (zie hier voor een overzicht daarvan). Of zoek in oude kranten, gedigitaliseerd door de Koninklijke Bibliotheek en te doorzoeken met Delpher, naar vermeldingen van de bundel waar jij onderzoek naar doet om te zien hoe die bundel aan het grote krantenpubliek in de loop der tijd al dan niet gepresenteerd is. Het ligt voor de hand het onderzoek dat je uitvoert kwalitatief van aard te maken, dat wil zeggen dat je middels discours-analyse in kaart brengt welke gedachten en ideeën er in de loop der eeuwen rond de door jouw gekozen tekst zijn ontstaan. Nog complexer ligt dit onderwerp voor de Middelnederlandse periode: in deze lezing De ruimte van het boek. Literaire regio’s in de Lage Landen doet Frank Willaert een poging enkele grenzen in kaart te brengen van gebieden die zich kenmerken door een specifieke literaire productie. In de middeleeuwen is van provincies nog geen sprake, en daarom spreekt hij over regio’s. Zoek op de pagina van de Atlas van de DBNL met Middelnederlandse literatuur naar geschikte teksten van Vlaamse auteurs waaraan je de hypothese (=veronderstelling die met nader onderzoek te bewijzen valt) van Willaerts lezing toetst dat die teksten specifieke eigenschappen en kenmerken hadden (zie p. 30-32 van zijn lezing voor die hypothese) en stel door middel van tekstanalyse vast of je Willaerts hypothese kunt bevestigen.

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke rol verspeelt de verbeelding van het landschap in romans als Chris Stoop, Dit is mijn hof en Boven is het stil van Gerbrand Bakker?

In het artikel ‘Lage landen, verre horizonten. De verbinding van natuur, landschap en ‘Nederlandse’ identiteit in internationaal perspectief‘ betoogt de historicus Karel Davids dat Nederland, net zoals veel andere landen, in de loop van de 19e eeuw meer en meer van de eigen identiteit aan het landschap ging ontlenen. Hij verwijst in het begin van het artikel kort naar het gedicht ‘Herinnering aan Holland’ van de dichter Hendrik Marsman, dat voor veel Nederlanders een goede typering geeft van het gevoel dat de aanblik van een ‘typisch Nederlands’ landschap hun geeft:

Denkend aan Holland

zie ik breede rivieren

traag door oneindig

laagland gaan …

Het kan internationaal gezien geen opmerkelijke trend zijn, maar duidelijk is dat in veel 19e, 20e en 21e-eeuwse Nederlandse romans het landschap een grote rol speelt in het identiteitsbesef van de hoofdpersonages. Zo draait in Chris Stoops Dit is mijn hof (2015) alles om een boerderij in Zeeuws-Vlaanderen die in een gebied ligt dat door nieuwe planologische ontwikkelingen bedreigd wordt. De hoofdpersoon ervaart die ontwikkelingen niet alleen als bedreiging van het land, maar ook als bedreiging voor hem persoonlijk. Kies een roman uit waarin het landschap een grote rol  speelt (maak bijvoorbeeld een keuze door gebruik te maken van Lezen voor de lijst, of kies een roman die je voor je leeslijst al las, en analyseer alle passages waarin het landschap in die roman een rol speelt. Je kunt dit artikel ‘Een landschap tussen hemel en hel, inleiding bij de afdeling ‘Nederland door het oog van de camera’ van Karel Dibbits over de verbeelding van het Nederlands landschap in films doorlezen om te zien welke rollen dat zoal kunnen zijn, en hoe een verbeelding van het landschap er (filmisch) te beschrijven is. In Ton Lemaire, Filosofie van het landschap(Amsterdam 1970) krijg je tal van mogelijkheden aangereikt om passages over landschappen te interpreteren als passages die te verbinden zijn met identiteitsbesef: zowel het identiteitsbesef van hoofdpersonages als ook van lezers die een populaire en gewaardeerde roman als Chris Stoops Dit is mijn hof waarderen om het gevoel van identiteit die de landschapsbeschrijvingen hun biedt. Het ligt voor de hand het onderzoek dat je uitvoert kwalitatief van aard te maken, dat wil zeggen dat je middels tekstanalyse heel diep inzoomt op beelden en beschrijvingen die je in de door jouw gekozen tekst aantreft. Geschikte teksten kom je bijvoorbeeld op het spoor door gebruik te maken van de Atlas van de DBNL.

Literatuur & Maatschappij

Onderzoek naar literatuur en auteurs in het Nederlandse straatbeeld

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke keuzes maken verschillende gemeenten in het plaatsen van gedichten of gedeelten van gedichten op gebouwen in hun stad, en wat voegt de keuze van de locatie en de manier waarop die regels zijn afgebeeld toe aan de betekenis van de versregels?

Op de website Straatpoëzie.nl kun je een door onderzoekster Kila van der Starre samengesteld overzicht vinden van poëzie in de openbare ruimte. Je kunt ze analyseren aan de hand van Bornsteins theorie (zie hoofdstuk 1 van Material Modernism. The Politics of the Page) (Ann Arbor 2006), die onderscheid maakt tussen de ‘linguïstische code’ (= de tekst zelf) en de ‘bibliografische code’ (= de manier/plaats waarop de tekst is afgedrukt). Lees ook dit interview met Kila van der Starre om zicht te krijgen op de soorten betekenissen die je op het spoor zou kunnen komen.

We geven een voorbeeld van de manier waarop je een poëziefragment kunt analyseren. Op de gevel van het Ministerie van Defensie op de Haagse Kalvermarkt, is de eerste regel van de zesde strofe van het Nederlandse volkslied het Wilhelmus afgebeeld: ‘MIJN SCHILT ENDE BETROUWEN/SIJT GHIJ, O GODT MIJN HEER’:

Het is de combinatie van de locatie (de bibliografische code) en de inhoud van de regels (de linguïstische code) die interessant is: het Wilhelmus-citaat is religieus, christelijk van aard: in die regels belijdt de ik-figuur van het Wilhelmus, Willem van Oranje, dat hij op God vertrouwt. Het hele Wilhelmus is indertijd (zo rond 1570) geschreven vanuit de wens dat Willem van Oranje de leider zou worden van de Opstand tegen Spanje, en de leider van de Noord-Nederlandse Republiek. Het ministerie is een gebouw van de Nederlandse overheid en het belangrijkste gebouw van de overheidsdiensten die verantwoordelijk zijn voor de verdediging van de Nederlandse staat. Met de keuze om dit citaat op dit overheidsgebouw te plaatsen, lijkt de overheid een uitspraak te doen over de verhouding tussen kerk en staat. Het citaat suggereert een band tussen beide, terwijl Nederland in zijn grondwet heeft staan dat kerk en staat gescheiden zijn (zie artikel 1 en 6, het beginsel van gelijke behandeling, het neutraliteitsbeginsel, en de vrijheid van levensbeschouwelijke of godsdienstovertuiging) in de Nederlandse Grondwet. Voor je onderzoek kun je zo’n voorbeeld en de context ervan helemaal uitdiepen door deelvragen te stellen als: wat betekenen die regels precies, sinds wanneer staan die regels op het gebouw, wie beslist dat ze erop komen of eraf gaan, is er wel eens discussie over geweest? Dan kun je je onderzoek de vorm van een tekst- of discours-analyse geven. Je kunt het voorbeeld ook gebruiken als aanzet tot het samenstellen van een onderzoekscorpus waarin je meer ‘dichtregels op gebouwen van overheden’ verzamelt en aan de hand van die twee codes analyseert. Dan kun je wellicht antwoord krijgen op de vraag of de combinatie christelijk/religieus en overheid zich in het moderne Nederland vaker voordoen. In dat geval doe je een corpusonderzoek.

Suggestie voor hoofdvraag:

Naar welke auteurs zijn in Nederland (of een aantal specifieke, voor dit onderzoek geselecteerde steden) straten vernoemd, en wat zegt de manier waarop Nederland/die steden auteurs wil herdenken? Je kunt op deze vraag ook een variatie bedenken: van welke auteurs zijn in het Nederlandse straatbeeld standbeelden of andere monumenten te vinden?

In dit artikel van Jan Art, ‘Het historisch monument: een bepaalde manier van omgaan met het verleden’ (in: Duurzamer dan graniet. Over monumenten en de Vlaamse beweging. Frank Seberechts (red.) (Tielt 2003)) vind je het verslag van een Vlaams onderzoek naar straatnamen. De systematiek daarvan (het gebruik van internet, de indeling in soorten straatnamen etc.) kun je gebruiken om je eigen onderzoek uit te voeren. Verdiep je ook in de achterliggende theorie die in dit artikel gebruikt wordt over ‘cultural memory’. Een goede bron daarvoor is Ann Rigney, ‘De herinnering aan Scott: literatuur, erfgoed, mobiliteit’(in: Bezeten van vroeger: erfgoed, identiteit en musealisering. Rob van der Laarse (red.) (Amsterdam 2005, 88-101)). Je kunt straatnamen analyseren aan de hand van Bornsteins theorie (zie hoofdstuk 1 van Material Modernism. The Politics of the Page(Ann Arbor 2006)), die onderscheid maakt tussen de ‘linguïstische code’ (=de tekst zelf, neem daarbij ook het onderschrift van straatnamen mee!) en de ‘bibliografische code’ (=de manier/plaats waarop de tekst is afgedrukt). Zoals je zult lezen in dat artikel, wordt ‘cultural memory’ gezien als een constructie. Wat volgende generatie van het verleden weten, hoe ze dat verleden onthouden, wordt niet alleen bepaald door die generatie zelf, maar ook door de generaties daarvoor. Literatuur, of verwijzingen naar literatuur zoals straatnamen die aan het bestaan van literaire grootheden herinneren, spelen een belangrijke rol in het construeren van wat er onthouden wordt. Om een voorbeeld te geven, niet van een straatnaam maar van een standbeeld: in Utrecht bestaat het ‘Nijntje-pleintje’. Een vrij klein pleintje waar Dick Bruna geëerd en herdacht wordt middels een eveneens niet al te groot beeld van zijn beroemdste creatie, Nijntje:

Het is voor sommigen de plek waar Nijntje voor hen tot leven komt, getuige de sjaal die Nijntje omkreeg toen het eens sneeuwde:

En het is de plek waar toeristen naartoe gaan die fan zijn van Nijntje:

En toen Dick Bruna overleed, werd dat de plek waar mensen bloemen naartoe brachten:

En waar de familie van Dick Bruna een brief aanbracht om daarvoor te bedanken:

Je kunt gebeurtenissen/handelingen rond zo’n monument verzamelen om zicht te krijgen op de ‘cultural memory’ die hier in de maak is: waarom heeft de gemeente Utrecht bedacht dat er een ‘Nijntje-pleintje’ moest komen, en wanneer en met welk doel? Wat betekent Dick Bruna voor de stad Utrecht, als je kijkt naar de inrichting van dit pleintje? En wie verspreiden er via internet foto’ s van? Lees ook van Remco Sleiderink en Bram Vannieuwenhuyze ‘Everard T’Serclaes Beeldvorming en lieux de mémoire rond een Brusselse stadsheld‘ (in: Tijd-Schrift 2 (2012), 7-21) om vertrouwd te raken met deze manier van analyseren. Je kunt je onderzoek opzetten als een kwalitatief onderzoek met tekst en beeldanalyse. 

Onderzoek naar de vele rollen van literatuur in de Nederlandse samenleving

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke rol speelde literatuur in de  verwerking van rampen in/door Nederlandse literatuur door de eeuwen heen?

Literatuur heeft al eeuwenlang bij uitstek het vermogen om collectieve gedachten van rouw en rampspoed onder woorden te brengen, betogen Raingard Esser en Marijke Meijer Drees in de inleiding van het themanummer ‘Coping with crisis’ van het tijdschrift, (Dutch Crossing (40 (2016), 93-96). In die functie kon en kan literatuur een rol spelen bij wat we tegenwoordig ‘crisismanagement’ noemen: literatuur creëert verhalen die mensen op dat moment bijvoorbeeld troost bieden, of tot actie aanzetten. Esser en Meijer Drees geven aan dat er nog geen overkoepelende theorie ontwikkeld is voor dit verschijnsel: waarom is literatuur juist op dergelijke momenten zo krachtig? Wel is duidelijk dat literatuur in heel veel landen op zulke momenten een cruciale functie heeft, en dat het creëren van ‘narratives’ (verhalen) een belangrijk onderdeel van die functie uitmaakt. Die ‘narratives’ vormen zogenaamde ‘representaties‘: allesbehalve neutrale, of objectieve beschrijvingen van de situatie die toehoorders en lezers aanzetten om de gebeurtenis vanuit een bepaald perspectief te beschouwen. Bijvoorbeeld emphatisch (‘och, wat erg’) of juist veroordelend (‘ze hebben het aan zichzelf te danken’) naar een ramp te kijken. In een van de artikelen uit dat themanummer van Dutch Crossing, ‘”See our Succumbing Fatherland, Overwhelmed by Disaster, Woe and Strife”: Coping with Crisis during the Reign of Louis Bonaparte’ laat Lotte Jensen zien hoe een ontploffing in Leiden en overstromingen in Zeeland en Gelderland tussen 1807-1809 aangegrepen werden om in gedichten de heerschappij en zorg van koning Louis Bonaparte (de broer van Napoleon) over het koninkrijk Holland te prijzen, terwijl tegelijkertijd ook angst over dat regime werd opgewekt. De rampen zouden door de heerschappij van een vreemde over het koninkrijk Holland veroorzaakt zijn. Die gedichten schiepen dus twee ‘narratives’ rond een en dezelfde persoon (Louis Bonaparte als redder van het ‘vaderland’, en Louis Bonaparte als gevaar voor het ‘vaderland’) en werkten opiniërend. Beide verhalen spoorden de lezers aan over het regime na te denken en er een mening over te vormen. Kunst kan de waarneming van een ramp doen veranderen, zoals Lut Missinne betoogt in ‘Smeltende torens‘ (in: Internationale Neerlandistiek 48 (2010), 4-16)), over poëzie die Leo Vroman schreef naar aanleiding van de aanslag op de Twin Towers en 9/11. Wil je meer weten over dit hedendaags gebruik van poëzie, lees dan het rapport Poëzie in Nederland: Een onderzoek naar hoe vaak en op welke manieren volwassenen in Nederland in aanraking komen met poëzie (2017) van Kila van der Starre. Gebruik de zoekmachine Delpher van de Koninklijke Bibliotheek en de zoekfunctie van de Digitale Bibliotheek Nederlandse Letteren om op zoek te gaan naar literatuur die voor/door rampen geïnspireerd is en zoek uit (door de teksten te lezen, of te zien in welke context ze geciteerd werden, zie het voorbeeld van het gedicht van Schierbeek) welke functie ze voor de verwerking van die ramp gespeeld heeft. Je kunt wellicht het beste zoeken op termen die te maken hebben met natuurrampen (watersnood etc.) of door mensen veroorzaakte rampen (oorlog, bombardement etc.) Ook de Atlas van de DBNL biedt uitkomst, want daar kun je rampen en onheil op plaatselijk niveau op het spoor komen. Interessant is ook dat je daarin ook naar teksten over voormalige koloniën van Nederland (Suriname, Indonesië) kunt zoeken. Een optie is ook onderzoek te doen naar rampen die andere landen overkomen: hoe wordt daarop gereageerd in Nederlandse literatuur? Neem als vertrekpunt voor dat onderzoek Helmer Helmers, ‘“Prins van loos bedrog” The taming of the shrew en de Engelse revolutie op het zeventiende-eeuwse Nederlandse toneel‘ (in: De Zeventiende Eeuw 21 (2005), 292-311).

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke rol spelen vormen van ‘populaire literatuur’, zoals je popteksten kunt noemen, in de Nederlandse en Vlaamse samenleving?

Sinds Bob Dylan in 2016 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg, is eens te meer duidelijk geworden dat we popmuziek tot de literatuur kunnen rekenen. Volgens het comité dat de prijs toekent, verdiende Dylan de prijs onder andere ‘omdat hij nieuwe poëtische uitdrukkingen heeft geschapen binnen de Amerikaanse songcultuur’. In haar onderzoek naar popteksten ‘Machtige melodieën: populaire teksten uit de jaren vijftig en zestig als bron voor cultuurgeschiedenis ‘ (Maastricht 2004) kijkt de cultuurwetenschapster Maaike Meijer vanuit een andere invalshoek naar de popmuziek van de jaren ’50 en ’60 in Nederland. Zij kijkt niet zozeer naar poëtische verrijking, maar ziet die popmuziek als een kracht die de maatschappij veranderd heeft. Of eigenlijk ‘krachten’, want ze onderscheidt verschillende effecten. Er was in die decennia populaire popmuziek die vrouwen in andere, meer geëmancipeerde en vooruitstrevende rollen te zien gaf. En popmuziek waarin mannen de hoofdrol speelden; die te boek staat als revolutionair en opruiend, maar die waar het man-vrouwverhoudingen betreft eigenlijk zeer traditioneel en zelfs ouderwets was. Gebruik haar manier van analyseren, en het idee van culturele representatie – dat wil zeggen dat je vormen van cultuur analyseert als afspiegelingen van een maatschappij, en zelfs als motor van veranderingen – om Nederlandse popmuziek uit een latere periode te analyseren. Meijer heeft als onderzoeksvraag ‘welke rol spelen cultuuruitingen in het voortbrengen van andere sekseverhoudingen, andere etnische verhoudingen, van andere normen rond seksualiteit en leeftijd?’ (zie p. 4 van haar onderzoek). Zij spitst haar onderzoek dus toe op wat popteksten zeggen over met name man-vrouwverhoudingen, en op multiculturele verhoudingen. Die focus kun je overnemen, maar je kunt ook besluiten op andere aspecten en andere maatschappelijke processen te focussen. Het is belangrijk dat je je vraag en focus duidelijk hebt terwijl je naar een corpus (selectie) van popteksten zoekt die je wilt onderzoeken. Stel vraag en corpus goed op elkaar af, zodat je je vraag met behulp van dat corpus ook goed kunt beantwoorden. Betrek daarna net als Meijer de teksten in je analyse, maar ook wat je te weten kunt komen over de uitvoerende artiesten. Je ziet dat bij haar bijvoorbeeld het geslacht en de etnische achtergrond van de artiesten in haar analyse betrokken wordt – wat logisch is gezien haar specifieke focus.

Suggestie voor hoofdvraag:

Wat is de relatie tussen literatuur en wetenschap (en waarheid)?

Elk jaar wordt de Libris Literatuur prijs uitgereikt voor het beste Nederlandse literaire boek van dat jaar, en de Libris Geschiedenis prijs voor het beste historische boek voor een breed publiek van dat jaar dat ‘op gedegen historisch onderzoek stoelt’. Misschien heb je je wel eens afgevraagd hoe er een strikte scheiding tussen die twee categorieën gemaakt wordt. Heel veel literaire boeken gaan over historische gebeurtenissen, en heel veel geschiedenisboeken voor een breed publiek lezen als een roman. Hoe maken de beide jury’s van die prijzen een onderscheid? Of mogen auteurs zelf beslissen voor welke prijs ze hun boek in aanmerking willen laten komen?

In een artikel van Johan Oosterman, ‘Wat alsdan te Brugge plaets had. Jan-Pieter van Male (1681-1735) en het verleden als biotoop’ (in: Nederlandse Letterkunde 17 (2012), 109-124) kun je lezen dat het onderscheid tussen beide vormen van schrijven (literair en wetenschappelijk) in de Lage Landen zo rond 1700 begon te ontstaan. Oosterman beschrijft in dit artikel het werk van de Vlaamse auteur Jan-Pieter Van Male, die rond 1700 schreef en het grensvlak tussen geschiedschrijving en literatuur aan het verkennen is. Er is bronnenkritiek in zijn werk te zien, maar ook bewondering voor auteurs van wie hij werk opneemt en bespiegelingen over zijn rol als auteur als degene die bepaalde gevoelens over ‘het vaderland’ (Vlaanderen, ofwel de wereld waarin Van Male opgegroeid is). De bronnenkritiek scharen we nu eerder onder geschiedschrijving, de geciteerde gedichten eerder onder literatuur. Van Male leefde precies op het moment waarop die twee gescheiden raakten: het moment waarop historici een andere status en rol in de maatschappij kregen dan literaire schrijvers. Voor die tijd waren die rollen en werkwijzen veel meer met elkaar verbonden, en die verbondenheid was er niet alleen tussen geschiedenis en literatuur, maar tussen literatuur en alle andere takken van wat we nu wetenschap noemen. Auteurs van boeken over wat we nu natuurkunde noemen, of sociologie, gebruikten voor die tijd schrijftechnieken en kennis die ze ook gebruikten als ze bijvoorbeeld gedichten of romans schreven, en ze kregen die technieken en expertise onder andere door gedichten en romans te lezen. Een onderscheid tussen fictie en onderzoek doen – het verschil waar beide Libris-jury’s nu naar kijken – was er voor die tijd dus niet.

De kloof tussen literatuur en wetenschap is in de 19e eeuw definitief en groot geworden, betoogt literatuuronderzoekster Mary Kemperink in haar boek, Gedeelde kennis: literatuur en wetenschap in Nederland van Darwin tot Einstein (1860-1920). In het artikel ‘Louis Couperus en de temperamentenleer’ (in: Literatuur 9 (1992), 2-7) spitst zij haar onderzoek toe op 19e-eeuwse literatuur waarin de menselijke psyche verkend en beschreven wordt. Een van de Nederlandse schrijvers die zich daar zeer in verdiepte, was Louis Couperus. Kemperink bespreekt hoe Couperus veel oude kennis over de zogenaamde humeurenleer, die al sinds de Oudheid gebruikt werd om allerlei fysieke en mentale klachten te verklaren, in zijn romans opneemt en gebruikt. Een andere literatuuronderzoeker, Ben Peperkamp, bekijkt in ‘Een vogelperspectief op het schouwtoneel des hemels’. Iets over letterkunde, astronomie en theologie in De planeeten (1869) van J.J.L. ten Kate (in: Uitgaan op niveau. Dick van Halsema, Johan Koppenol en Ben Peperkamp (red.) (Amsterdam 2009, 127-132)) een 19e-eeuwse auteur in wiens werk veel (oude) kennis over sterrenkunde te vinden is. In een ander artikel analyseert hij sporen van religieuze kennis in het werk van Harry Mulisch: ‘Siegfried en Das Heilige. Over de representatie van godsdienstwetenschappelijke kennis in een roman van Harry Mulisch’ (in: Nederlandse Letterkunde 12 (2007), 73-93).

Kies een roman of auteur bij wie je de vermenging tussen wetenschap en literatuur zelf wil bestuderen. Dat kunnen dus vele verschillende disciplines zijn van de moderne wetenschap. De roman kan van recente datum zijn of al wat langer geleden verschenen zijn. Inspiratie kun je putten uit het werk van Kemperink en Peperkamp, uit het themanummer van het tijdschrift Gewina over wetenschap en literatuur uit 2006, of uit recensies van romans waarin de recensent duidelijk maakt dat die roman voor een belangrijk deel over die vermenging van wetenschap en literatuur gaat. Het ligt voor de hand om van die roman een tekstanalyse te maken waarin je bekijkt hoe de auteur het thema uitdiept en verwerkt. Je kunt dit onderzoek ook vanuit een meer filosofische insteek opzetten, en je focus leggen op de vraag in hoeverre literatuur – al dan niet op een bepaalde manier verknoopt met wetenschap – de waarheid onthult of benadert. In Het woord van eer behandelt Frits van Oostrom de opvattingen die in middelnederlandse teksten over de relatie tussen waarheid en dichterschap te vinden is. Voor een dichter als Willem van Hildegaerberch was het duidelijk: ‘Dit is volgens Hildegaersberch de quintessens van het ware dichterschap: gherechte dichters zeede, dat is die waerheit bringhen voert.’ (p. 59). Zie ook Frits van Oostroms De waarde van het boek (Leiden 1994) voor een beschouwing van de manier waarop de bekende Middelnederlandse auteur Jacob van Maerlant de relatie tussen geschreven woord en de waarheid zag. In de inleiding bij Willem Bilderdijks Kunst der poëzy (1809; de heruitgave stamt uit 1995) leggen Joost Kloek en Wim van den Berg uit dat deze relatie voor Bilderdijk niet bijzonder anders was. De dichter vertolkt de goddelijke waarheid, ‘de waarheid uit de hemelkringen’ (vers 539, zie ook het gelijknamige essay van Jos Joosten).

Maar de relatie tussen feit en fictie in literatuur staat – anders dan de uitspraken van deze dichters doen vermoeden – al eeuwenlang ter discussie en vormt een goede invalshoek voor het bestuderen van moderne en historische romans die draaien om die spanning tussen feit en fictie. Kies er daarvan een uit (denk bijvoorbeeld aan Place de la Bastille van Leon de Winter, De wandelaar van Adriaan van Dis of Casino van Marja Brouwer), en analyseer de manier waarop de auteur met dit thema omgaat. Lees hier en in dit artikel ‘De romanschrijver als journalist‘  van Thomas Vaessens (in: Het leven volgens Arnon Grunberg. De wereld als poppenkast. Johan Goud (red.) (Kampen 2010, 39-64)) meer over de manier waarop je die romans kunt analyseren, en analyseer je roman naar keuze vervolgens langs die lijnen.

Onderzoek naar de betekenis van specifieke auteurs voor Nederland

Suggestie voor hoofdvraag:

Wat betekenden/betekenen canonieke auteurs voor de Nederlandse samenleving?

In het artikel ‘A database, nationalist scholarship, and materialist epistemology in Netherlandish philology: The Bibliotheca Neerlandica Manuscripta from paper to OPAC, 1895-1995′ (in: The Making of the Humanities. R. Bod, J. Maat, & T. Weststeijn (red.), (Amsterdam 2014, 495-509)) bestudeert literatuuronderzoeker Jan Rock de ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling van een database die van groot belang is geweest voor de constructie van een Vlaams/Nederlands corpus van Middelnederlandse handschriften, de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta. Deze database heeft overduidelijk canoniserend gewerkt, maar je zou kunnen zeggen dat het na de uitvinding van de boekdrukkunst veel gecompliceerder is geworden om een dergelijk overzicht en toegang tot teksten te bieden. Er werden al snel zoveel boeken gedrukt, dat verzamelingen met beschrijvingen van alle teksten uit een bepaalde periode moeilijker en moeilijker te maken zijn. Degenen die dergelijke ondernemingen toch opgezet hebben, moesten wel selecteren. Zoals Arnoud van Halen en Lambert Bidloo die in de 18e eeuw werkten aan het Panpoeticon Batavum (vrij vertaald: Alle dichters van Nederland), maar toch lang niet alle Nederlandse schrijvers biografietjes in hun overzicht konden opnemen. Een gedigitaliseerde versie van het Panpoeticon is bij het Rijksmuseum te vinden; Lieke van Deinsen schetst in het artikel ‘Preserving the Past and Constructing a Canon’ de ontstaansgeschiedenis van dat Panpoeticon en een instelling als de Bataafsche Maatschappij voor Taal- en Dichtkunde die de 18e-eeuwse en 19e-eeuwse blik op de Nederlandse canon bepaald hebben.

In je onderzoek kun je je, om antwoord te geven op je hoofdvraag, richten op instanties en/of personen die in de loop der eeuwen de canon bepalen. Wie waren/zijn dat, en wat zegt dat over de rol die de literaire canon voor Nederland speelde/speelt? Om je onderzoek toe te spitsen, kun je een specifiek decennium nemen. Met name in de laatste decennia van de 20e, en eerste decennia van de 21e eeuw is de literaire canon vaak het middelpunt van de aandacht geweest. Maak voor een studie naar die periode bijvoorbeeld gebruik van de gedigitaliseerde kranten die je kunt vinden via Delpher, maar kijk ook goed naar acties die de Nederlandse (en Vlaamse) overheid ondernemen, door bijvoorbeeld de activiteiten van de Taalunie te bestuderen. En vergeet ook de uitgevers niet, en de wetenschappers die over het nut en noodzaak van een canon gediscussieerd hebben; of activisten die voor opname van bepaalde teksten in de Nederlandse canon gepleit hebben. Wil je liever naar een historische ontwikkeling kijken, zoek dan aanknopingspunten in het artikel van Rock, of Van Deinsen. Het ligt voor de hand je onderzoek op te zetten als een discours-analyse, waarbij je de bijdragen bestudeert van alle partijen die aan het discours over de literaire canon deelnemen.

Suggestie voor hoofdvraag:

Wat was/is de betekenis van vrouwelijke schrijvers voor de Nederlandse samenleving?

In het artikel ‘Onderzoek naar twintigste-eeuwse uitgeverijen. Een stand van zaken‘ (in: Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis 7 (2000), 65-79) schetst Susanne Janssen een beeld van personen en instanties die een stempel hebben gedrukt op de zogenaamde ‘fondsvorming’ van uitgeverijen: de keuzes die uitgeverijen maken om bepaalde literatuur wel of niet in hun fonds op te nemen. Ze doet een aantal aanbevelingen voor vervolgonderzoek, maar gaat niet in op een aspect dat ook aandacht zou verdienen, namelijk de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke auteurs in die uitgeversfondsen. En, breder: hoeveel vrouwen winnen literaire prijzen? Hoeveel vrouwelijke auteurs behoren tot de Nederlandse auteurs van wie de boeken goed verkopen?

Ga in je onderzoek uit van de instanties en personen die Janssen onderzocht om antwoord te krijgen op deze vragen, en al doende antwoord te krijgen op je hoofdvraag. Je zult je onderzoek moeten toespitsen op een bepaalde periode/bepaalde uitgevers/bepaalde genres om het in te perken en doenlijk te maken in het kader van je profielwerkstuk. Je kunt daarbij goed gebruikmaken van een recente literatuurgeschiedenis over schrijvende vrouwen in Nederland en Vlaanderen, Schrijvende vrouwen. Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen, Thomas Vaessens en Jacqueline Bel (red.) (Amsterdam 2010).

Een goed voorbeeld van inperken van het onderzoek vind je in Rosemarie Buikema, ‘De verborgen kamers van de literaire cultuur‘ (in: Casusboek, Lizet Duyvendak (red.) (Nijmegen 2001, 49-60)). Buikema zoomt in op een specifiek genre dat door vrouwelijke auteurs in de 20e eeuw beoefend werd, en laat zien hoe dat – als zij er niets over zou schrijven – vooral vanuit mannelijk perspectief beoordeeld en geïnterpreteerd wordt. Zij biedt een alternatieve lezing, en laat zien hoe zo’n lezing ook het oordeel over vrouwelijk auteurschap kan veranderen. Een ander voorbeeld van dat inzoomen vind je in Wiljan van den Akker en Gillis Dorleijn, De Muze: Een Vrouw Met den Blik van een Man. Opvattingen over ‘mannelijkheid’ en ‘vrouwelijkheid’ in de Nederlandse poëzie tussen 1880 en 1940(Utrecht 2003), die heel specifiek naar de waardering van vrouwelijke dichters kijken; je zou het onderzoek dat zij voor de periode 1880-1940 gedaan hebben, kunnen voortzetten voor een latere periode.

Ben je meer geïnteresseerd in de historische positie van vrouwelijke auteurs op de Nederlandse boekenmarkt, dan kun je dit artikel ‘Liefdestalen van vrouwelijke auteurs’ (in: Literatuur 12 (1995), 335-340) als je vertrekpunt nemen. Zoals je zult zien, zoomt zij in op een bepaald genre, dat van de liefdespoëzie. In de vroegmoderne periode (met name de 17e eeuw) was dat genre zo goed als ontoegankelijk voor vrouwelijke auteurs: veel van die poëzie was petrarkistisch van aard, dat wil zeggen dat ze bestonden uit klachten van een mannelijke minnaar over de onbereikbaarheid van de vrouwelijke geliefde. Voor vrouwelijke auteurs was het bijzonder moeilijk een passend perspectief te vinden van waaruit zij dergelijke poëzie konden schrijven. In de 18e eeuw begon dat te veranderen, betoogt Schenkeveld, op basis van analyses van het werk van 18e-eeuwse auteurs als Clara Feyoena van Sytzama, Elisabeth Maria Post, Betje Wolff en Aagje Deken. Probeer zelf te bepalen wat er in de 19e eeuw – de eeuw van veel grote en belangrijke schrijfsters als Geertruida Bosboom Toussaint – gebeurde en waarin een Tachtiger zoals Willem Kloos de liefdespoëzie een nieuwe draai gaf. Hoe positioneerden vrouwelijke auteurs zich toen in dit genre, en wat betekenden zij daarmee voor de Nederlandse samenleving? Je kunt werk van 19-eeuwse vrouwelijke auteurs op het spoor komen via de betreffende auteurspagina van de DBNL of de schrijverspagina van Literatuurgeschiedenis.nl. Voor de periode van het Middelnederlands ligt hier nog een heel onderzoeksterrein braak, zoals je kunt lezen in ‘Dansende maagden  Het liederenhandschrift Brussel, KB II 2631‘ van Dieuwke van der Poel: het is vaak bijzonder lastig om van een tekst uit die periode vast te stellen of de auteur ervan vrouwelijk was of niet. Je kunt dit artikel gebruiken om het werk van een aantal minder bekende vrouwelijke auteurs te analyseren, of juist kiezen voor een zeer grote en bekende vrouwelijke auteur uit die periode, Hadewijch. Wat heeft zij in de loop van de geschiedenis voor de Lage Landen betekent? Zie voor een overzicht van uitgaven van haar werken en studies over haar werk de auteurspagina van Hadewijch van de DBNLen met name Orlanda S.H. Lie, ‘Middelnederlandse literatuur vanuit genderperspectief. Een verkenning‘ (in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde 117 (2001), 246-267) en zie voor een analyse van wat er tot 1999 gebeurde Veerle Fraeters, ‘Visioenen als literaire mystagogie. Stand van zaken en nieuwe inzichten over intentie en functie van Hadewijchs Visioenen’ (in: Ons Geestelijk Erf  73 (1999), 111-130). Kijk ook naar het eerste twee colleges in de MOOC over Middelnederlands die over Hadewijch gaan.

Suggestie voor hoofdvraag:

Wat is de betekenis van (de eerste) betaalde schrijvers voor Nederland?

Lang werd aangenomen dat betaald schrijverschap in Nederland pas ontstond toen het kopijrecht goed geregeld werd (in de 19e eeuw) en schrijvers dus recht kregen op een aandeel in de winst die er met hun boeken werd gemaakt. Voor die tijd schreef men alleen voor de literaire eer en de roem, zo werd aangenomen. Recent onderzoek maakt duidelijk dat dat anders ligt: ook in de vroegmoderne tijd, de periode voor de 19e eeuw, waren er al allerlei verdienmodellen: auteurs konden met wat ze schreven een inkomen bij elkaar sprokkelen. Er waren zogenaamde ‘broodschrijvers’ die uitsluitend voor het geld leken te schrijven, maar ook auteurs die meer literaire eer en roem nastreefden lieten zich voor hun werk betalen.

Met de komst van verdienmodellen kwam ook de vraag op of met literatuur wel geld verdiend zou mogen worden: werd literatuur daarmee niet iets plats, iets wat voor en door geld te produceren zou zijn? In het artikel Georganiseerd uitvreten – (over particuliere culturele crowd funding)beschrijft literatuuronderzoek Fabian Stolk hoe de Tachtigers – die zich met hun esthetische doelen bij uitstek op de hogere literatuur richten – zich in hun levensonderhoud voorzagen. Hij dook daarvoor in de correspondentie van de Tachtigersdie deels online doorzoekbaar is. In het voetspoor van Stolk kun je je in deze database verder in verdienmodellen uit die periode verdiepen. Lees voor je daarmee aan de slag gaat, een aantal bijdragen van Lia van Gemert en Nina Geerdink aan Schrijverskabinet.nl (Geerdink over: Anthony Janssen, Hubert Kornelisz. Poot, Jan Jansz. Starter, Jan Vosen Katharine Lescailje; Van Gemert over Arnold Hoogvliet) om te zien hoe in de 17e en 18e eeuw verdienmodellen ontstonden.

In die bijdragen kun je zien op welke aspecten je kunt letten als je dit onderzoek doet: de genres waarin een auteur iets publiceert, het eventuele beroep van de auteur, de relatie met producenten zoals drukkers, de leeftijden, het soort verdiensten etc. Mocht je in die vroegmoderne periode geïnteresseerd zijn, kun je in het Schrijverskabinet.nlnog veel meer auteurs vinden van wie je de carrière kunt onderzoeken op deze aspecten. Wil je vooral kijken naar de periode na de Tachtigers, dan kun je inspiratie in dit artikel van Toos Streng, ‘Gender en boekbedrijf‘ (in: Nederlandse letterkunde 20 (2015), 93-133), waarin zij onderzoekt bij welke uitgevers vrouwelijke auteurs aan het eind van de 19e eeuw onderdak vonden. Dat waren indertijd niet de meest literaire uitgeverijen, ondanks het feit dat de verkoopcijfers goed waren. Hoe is die spreiding nu? Welke uitgeverijen hebben goedverkopende auteurs in hun fonds, en wat zegt dat over de opvattingen over literaire waarde en verdiencapaciteit van Nederlandse auteurs? Lees de inleiding tot het themanummer van Spiegel der Letteren over fancultuur van Rick Honings en Gaston Franssen, ‘Literaire fancultuur in Nederland: bij wijze van inleiding’ (in: Spiegel der Letteren 56 (2014), 243-247) als je vooral geïnteresseerd bent in de manier waarop het publiek (fans van literatuur) het verdienmodel bepalen. Zij noemen daarin een artikel van J. Fiske, ‘The Cultural Economy of Fandom’ (in: The Adoring Audience. Fan Culture and Popular Media. L.A. Lewin (red.) (London 1992, 30-49)) dat veel aanknopingspunten biedt voor de manier waarop je je onderzoek kunt opzetten.

Literatuur & Kwaliteit

Onderzoek naar kwaliteitsoordelen van Nederlandse lezers

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke criteria houdt de maker van een site als Mustreads.nl aan als hij literaire boeken recenseert?

Op Mustread.nl schrijft de maker ervan: ‘Ik ben Martijn Joosse, eigenaar van dit blog. Mustreads.nl is een boekenblog met recensies van mooie boeken, afgewisseld met zo nu en dan een leuk nieuwtje uit de boekenwereld. Bij het rondbladeren op deze site zul je al snel mijn voorkeur op het gebied van boeken ontdekken: ik lees vooral mooie romans, soms erg “literair”, soms wat meer feelgood en meestal daar tussenin’. Kennelijk hanteert Joosse criteria bij de selectie van wat hij op de site al dan niet recenseert. Lees zoveel mogelijk recensies van hem om te bepalen wat die criteria zijn. Kun je zo bepalen wat voor hem ‘literaire boeken’ zijn? Lees om je analyses aan te scherpen dit artikel van Kim Jautze, ‘Lees en oordeel zelf‘ (in: Textualscholarship.nl) over een onderzoek naar beoordelingen van een roman van Saskia Noort op diverse sites (Bol.com, LiteRom, crimezone, vrouwenthrillers en goodreads) en ook van Elke Brems ‘Enkele notities over literaire kritiek en het internet‘ (in: Neerlandistiek.nl (2007)) en van Odile Heynders Oprecht Onecht. Literaire authenticiteit in het politieke debat (Utrecht 2012). Welke criteria kom je daarin zoal tegen, en hoe kun je aan de hand daarvan het beoordelingskader van de maker van Mustreads.nl analyseren? Analyseer ook zelf de criteria achter sites die Jautze en Brems noemen, en zoek naar sites die vergelijkbaar zijn met Mustread.nl omdat ze ook recensies van literaire boeken aanbieden. Analyseer ze allemaal op de manier waarop je Mustread.nl analyseerde, om te zien of er gedeelde criteria zijn voor zoiets als ‘literaire kwaliteit’.

Suggestie voor hoofdvraag:

Hoe zou een digitaal forum waarop middelbare scholieren uit heel Nederland praten over de kwaliteit van gelezen boeken, eruit kunnen zien?

Op de website Praten over romanfragmenten.nl kunnen scholieren en docenten opdrachten vinden aan de hand waarvan ze in de klas over romanfragmenten kunnen discussiëren. Stel nu dat je de schaal waarop deze discussies plaatsvinden, wilt uitbreiden tot een landelijke discussie. Dan zou de toevoeging van een digitaal forum kunnen helpen. Lees in dit artikel  ‘Jongeren, interactieve media en leren: een empirische beschrijving van diversiteit’ van A.A. J. van den Beemt (in: CU@School: jeugdcultuur en onderwijs. T. Schokker, J. Van Katwijk, & T. Arendz (red.) (Den Haag: Ministerie van OC&W (2011)) meer over de manier waarop zo’n forum ontworpen zou kunnen worden, en maak vervolgens een model voor een forum (in de vorm van een werkende website, als je daartoe technisch in staat bent of in de vorm van een beschrijving van het model). Laat heel goed zien hoe de vereisten die aan de discussie gesteld worden, leiden tot beslissingen over het model. Wat zouden de discussies moeten bewerkstelligen, welke discussies over literatuur zijn nodig en wenselijk en om welke reden, hoe leren leerlingen iets van interactieve media en hoe ontwerp je dus het beste een forum? Lees ter inspiratie bijvoorbeeld dit artikel. Bedenk bijvoorbeeld dat literatuur lezen op school vaak gestimuleerd wordt omdat het je inlevend vermogen zou versterken: door je te verplaatsen in personages, leer je meerdere perspectieven op de wereld kennen en begrijpen. Over dat fenomeen schreef Agnes Andeweg het artikel ‘Leef je in! Van M-woord naar L-woord en terug‘ (in: Tijdschrift voor Genderstudies 16 (2013), 22-28, dat je kunt gebruiken om na te denken over de functies die zo’n forum kan vervullen.

Suggestie voor hoofdvraag:

Om welke redenen lezen bepaalde Nederlandse lezers Nederlandse romans?

In het artikel ‘De emancipatie van de lezer’ (in: nY. Tijdschrift voor literatuur, kritiek en amusement 5 (2014) betoogt literatuuronderzoeker Saskia Pieterse dat moderne Nederlandse romans die inspelen op of aanhaken bij ‘het engagement van de lezer’ – dat wil zeggen: de wens die lezers hebben om in een roman iets terug te lezen van maatschappelijke kwesties en issues, om daarmee een moreel oordeel over die kwestie te vormen – vaak wat minder aandacht krijgen van recensenten en prijsuitreikende instanties. Zodra romans over ethische kwesties gaan, worden ze niet zo snel of gemakkelijk inzet van een maatschappelijk debat. Ze geeft het voorbeeld van Joost Zwagermans De buitenvrouw (1994), en Robert Vuijsjes Alleen maar nette mensen (2008) waarin stereotypen van zwarte vrouwen voorkomen die sommigen zonder veel succes ter discussie wilden stellen.

Kun je, bijvoorbeeld door het uitvoeren van een enquête, te weten komen waarom een bepaalde groep Nederlandse lezers – die jij zelf voor dit onderzoek op goede gronden selecteert – moderne Nederlandse romans lezen? Je kunt hier een aantal voorbeelden vinden van mogelijke redenen die in bestaand onderzoek zijn nagetrokken. Die lijst van redenen kun je wellicht aanvullen door met enkele frequente lezers diepte-interviews te houden voor je de vragenlijst opstelt die je aan een grotere groep lezers voorlegt.

Onderzoek naar de kwaliteit van Nederlandse literatuur voor kinderen

Suggestie voor onderzoeksvraag:

Zijn de opvattingen over wat goede Nederlandse kinderliteratuur is tussen 1980 en 2015 veranderd?

In de studie Wat heten goede kinderboeken? Opvattingen over kinderliteratuur in Nederland sinds 1880 (Amsterdam 1989), deed de literatuuronderzoek Anne de Vries in 1989 verslag van wat er in de voorgaande eeuw (zo tussen 1880 en 1980) veranderd is aan de oordelen die volwassenen geveld hebben over de kwaliteit van kinderliteratuur. Lees die studie goed door om te zien waarop gelet is, en zet dan een onderzoek op om de oordelen in kaart te brengen die sinds 1980 geveld zijn. Je kunt daarvoor recensies van kinderboeken opsporen, bijvoorbeeld via de website http://www.delpher.nl/nl/van de Koninklijke Bibliotheek waarop kranten van vóór 1995 te vinden zijn. Kijk ook naar de websites van uitgevers, naar de recensies op persoonlijke websites van auteurs, en zoek naar juryrapporten van belangrijke literaire prijzen die voor kinderboeken uitgereikt worden (denk bijvoorbeeld aan de Gouden Griffel). Je kunt dit onderzoek opzetten als een discours-analyse van alle bronnen die je vindt.

Suggestie voor hoofdvraag:

Is er sprake van een groeiende kwaliteit van adolescentenliteratuur, en is die literatuur daarom wel/niet geschikt voor de leeslijst?

Bij het samenstellen van je leeslijst heb je van je school misschien te horen kregen dat er geen zogenaamde ‘adolescentenliteratuur’ op mag komen te staan. Of misschien mag het juist wel, en vraag je je af waarom eigenlijk. Het onderwijs op de middelbare school is erop gericht je bekend en vertrouwd te maken met literatuur door en voor volwassenen geschreven. Waarom zou je met iets anders genoegen nemen? In het artikel ‘De opmars van adolescentenliteratuur. Onderzoek naar adolescentenliteratuur in het literatuuronderwijs Nederlands‘ (in: Levende Talen Tijdschrift 14 (2013), 37-47) bestudeerde Marjan Sikkema hoe die adolescentenliteratuur terrein wint op middelbare scholen. Ze geeft in het begin van het artikel een korte schets van wat ‘adolescentenliteratuur’ is. In het Algemeen Letterkundig Lexicon kun je daarover nog wat meer lezen. Kort gezegd is het literatuur die in thematiek sterk toegespitst is op de ontwikkelingen die jongeren doormaken. Het genre heeft zich, zo stelt Sikkema op basis van een uitspraak van Helma van Lierop, in de loop der jaren ontwikkeld en aan kwaliteit gewonnen. Sikkema bespreekt in haar onderzoek geen specifieke voorbeelden van adolescentenliteratuur, en het onderzoek van Van Lierop (gepubliceerd in Over grenzen. De adolescentenroman in het literatuuronderwijs (Delft 2005)) liep tot 2005.

Kies een aantal adolescentenromans uit bijvoorbeeld 1995, 2005 en 2015 en beoordeel die aan de hand van de kwaliteitscriteria die Sikkema en Van Lierop noemen. Maak een analysemodel van die romans op basis van die criteria, en probeer aan de hand daarvan antwoord te geven op de vraag of de kwaliteit van die romans inderdaad toeneemt volgens de criteria die Sikkema en Van Lierop noemen. Het tweede deel van de onderzoeksvraag kun je beantwoorden door je leraar te interviewen over zijn/haar criteria en door naar criteria te kijken die de makers van Lezen voor de lijst hanteren. Hoort adolescentenliteratuur dan wel/niet thuis op de lijst die jij op jouw school kunt samenstellen?

De kwaliteit van Nederlandse literatuur 

Suggestie voor hoofdvraag:

Welke Nederlandse literatuur was/is succesvol in het buitenland, en waarom?

In het artikel ‘Fiction from the Periphery: How Dutch Writers Enter the Field of English-language Literature’ (in: Cultural Sociology 9 (2015), 296-319) onderscheiden socioloog Johan Heilbron en Nicky van Es een aantal factoren die goede voorspellers zijn van het succes van ‘literatuur in vertaling’, aan de hand van de casus ‘in het buitenland succesvolle Nederlandse literatuur’. Ze presenteren drie niveaus van analyseren (mesoniveau = wereldwijde positie van een taal; macroniveau = optreden van uitgevers en instanties als het Letterenfonds; en microniveau = optreden/reputatie van auteurs). Ze geven een aantal hypothesen, waaronder: een Nederlands boek heeft grotere kans internationaal door te breken als een andere taal medieert. Ook vergroot de kans als er eerst een vertaling in het Frans of Duits verschijnt, en dan pas in het Engels. En succes zou meer gegarandeerd zijn als een boek in Nederland een betere ontvangst heeft. Dan heeft het boek meer ‘symbolisch kapitaal’, wat wil zeggen dat er op macroniveau in Nederlands al iets teweeg is gebracht dat de stap naar het buitenland bevordert.

Kies een boek dat de laatste jaren in het buitenland veel succes had – denk bijvoorbeeld aan Herman Kochs Het diner – en zoek uit hoe dat succes in elkaar stak. Volgt dit boek de route die de hypothesen van Heilbron en Van Es bevestigen? Zie ook dit artikel voor reacties op het artikel die je vooruit kunnen helpen, en het artikel van Kim Andringa, Importeurs en exporteurs van literatuur: de Nederlandse letteren in Frankrijk‘ (in: Internationale Neerlandistiek 50 (2012), 129-142) dat meer in detail ingaat op de manier waarop in Frankrijk Nederlandstalige boeken worden ontvangen.

Ben je meer geïnteresseerd in historisch succes van Nederlandse boeken, lees dan eerst deze recensie van een studie van Jan Konst, Inger Leemans en Bettina Noak naar de ontvangst van Nederlandstalige boeken in Duitsland voor 1830. Je kunt ook beginnen met bijdragen uit Doing Double Dutch – the international circulation of literature from the Low Countries, (red. Elke Brems, Orsolya Réthelyi, Ton van Kalmthout, Leuven 2017) of met dit artikel van Els Stronks, ‘Nederlandse literatuur uit de Gouden Eeuw en de Europese markt’ (in: Neerlandia 120 (2013), 4-6); of deze lezing van Olf Paamstra, De Nederlandse letterkunde als wereldliteratuur (Leiden 2008); of van Małgorzata Dowlaszewicz, ‘De “reizen” van Ruusbroec naar Polen: Over de vertalingen van het werk van Jan van Ruusbroec (1293–1381) naar het Pools‘ (in: Rocziniki Humanistyczne 5 (2016), 165-177). Ga op zoek naar een historische tekst waarvan je het vertaalsucces kunt volgen om te zien of je dat langs dezelfde lijnen (dus: mesoniveau, macroniveau en microniveau) kunt onderzoeken. Gebruik bijvoorbeeld de Universal Short Title Catalogusen Europeana om je zoektocht naar vertalingen te starten.

Wil je een combinatie met het schoolvak Engels, Duits of Frans of Economie, zet dan een vergelijkend onderzoek op naar het vertaalbeleid in andere landen. Hoe pakken zij dat aan, en welke symbolische dan wel economische waarde vertegenwoordigen vertalingen (mede door dat beleid?) in die landen? Begin voor het bestuderen van Nederlands vertaalbeleid met dit artikel van Sandra van Voorst, ‘Het goede literaire werk uit Nederland’- de Bibliotheca Neerlandica en het vertaalbeleid van de Stichting voor Vertalingen 1954-2010‘ (in: Internationale Neerlandistiek (2013), 29-44).

Suggestie voor een hoofdvraag:

In hoeverre spelen opvattingen over een bestseller een rol in de beoordeling van Nederlandse literatuur?

In de studie Bestsellers in Nederland, 1900-2015 (Antwerpen 2015) inventariseert literatuuronderzoeker Erica van Boven wat er in de periode 1900-2015 gebeurde met de Nederlandse bestseller. De term ‘bestseller’ werd – overgenomen uit Amerika – in Nederland voor het eerst gebruikt in 1924, en vanaf de jaren 1970 werd het ook gebruikelijk om lijstjes van de op dat moment best verkochte boeken in bijvoorbeeld tijdschriften te publiceren. Het fenomeen ‘bestseller’ was er natuurlijk al voordat dat woord uit Amerika kwam overvliegen. Willem Heijting beschrijft in ‘Protestantse bestsellers in de Republiek rond het midden van de zeventiende eeuw’ (in: De zeventiende eeuw, 13 (1997), 283-292) hoe het stond met goed verkopende protestantse literatuur in de 17e eeuw. Hij zocht oorspronkelijk Nederlandse of in het Nederlands vertaalde protestantse teksten bij elkaar die voor 1650 voor het eerst in druk verschenen en daarna minimaal tien keer herdrukt zijn.

Duidelijk wordt uit zijn artikel dat je criteria voor een bestseller kunt formuleren om daarna in het boekenaanbod een scheiding te kunnen maken tussen bestsellers en niet-bestsellers. De term ‘bestseller’ is dus niet objectief, maar wordt op subjectieve gronden door een onderzoeker van duidelijke criteria voorzien. Naast de kwestie van aantallen (hoe vaak is een boek herdrukt) speelt, zoals Van Boven duidelijk maakt in Bestsellers in Nederland, ook de kwestie van kwaliteit. Kan een goed verkopend boek wel literatuur zijn, vroegen sommigen zich af in de periode die zij bestudeerde. In het artikel ‘Middlebrow en modernisme, een inleiding’ (in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 124 (2008), 304-311) diepen Erica van Boven, Koen Rymenants en Mathijs Sanders dat punt nog wat verder uit. Om onderscheid aan te geven tussen ‘Literatuur met de hoofdletter L’ en ‘populaire literatuur’ kwamen de termen ‘high brow‘ en ‘middle brow‘ in gebruik.

Verzamel in je onderzoek zoveel mogelijk gepubliceerde (dus in kranten of tijdschriften of op het internet verschenen) recensies over goedverkopende boeken, en bekijk of in die beoordelingen opvattingen over bestsellers een rol spelen. Zegt de recensent iets over de verkoopcijfers van het besproken boek, en welk oordeel wordt op basis van die verkoopcijfers geveld? Je kunt bijvoorbeeld boeken van Lezen voor de lijst als uitgangspunt nemen en die aanvullen met Nederlandse romans die in literatuurgeschiedenissen worden genoemd. Recensies kun je opzoeken via Delpher, de site met historische kranten van de Koninklijke Bibliotheek. Zoek ook in het archief van tijdschriften als De Gids, een site als Literair Nederland, Literom en de tijdschriftensectie van de DBNL.

[nog aanvullen]