Hoe werkt het?

In elke proefopstelling doorloop je 5 stappen:

  1. De voorbereiding
  2. De instrumenten
  3. Het experiment
  4. De lakmoesproef
  5. Het vrije experiment

Noteer je antwoorden op de vragen op papier of in een Word-bestand.

Wat heb je nodig?

  • Pen en papier of een leeg Word-bestand
  • Een koptelefoon of oortjes
Ga naar stap 1

Stap 1: De voorbereiding

Je denkt misschien dat vrouwelijke schrijvers tegenwoordig evenveel kans hebben als mannen om hun boeken uit te geven, goede verkoopsuccessen te behalen en prijzen te winnen. In 2016 besloot de Lezeres des Vaderlands, een anonieme onderzoeker, een jaar lang in een blog bij te houden of die gedachte klopt.

Opdrachten

  1. Bekijk hier een jaaroverzicht van haar onderzoek. Wat onderzocht de Lezeres des Vaderlands  precies, hoe deed ze dat en wat waren haar bevindingen?
  2. Ga je eigen leesvoorkeuren na. Hoe is de man-vrouwverhouding in jouw leesdossier voor Nederlands tot nu toe? Als je veel meer mannelijke schrijvers dan vrouwelijke (meer dan 60% mannen) of veel meer vrouwelijke schrijvers dan mannelijke hebt gelezen: hoe verklaar je dat?

Het onderzoek van de Lezeres des Vaderlands suggereert dat we onbewust veronderstellen dat literatuur van vrouwen een aparte categorie literatuur vormt. Een categorie die we minder serieus kunnen nemen, omdat literatuur van vrouwen een andere kwaliteit heeft. Recent onderzoek van literatuurwetenschapper Corina Koolen, die in 2018 het proefschrift Lezen voorbij het vrouwelijke: de relatie tussen perceptie van auteursgender en literaire kwaliteit publiceerde, bevestigt de uitkomst van het onderzoek van de Lezeres des Vaderlands. Koolen vergeleek teksten van mannelijke en vrouwelijke auteurs binnen hetzelfde genre om te onderzoeken of zij verschillen in literaire kwaliteit tussen teksten van mannen en vrouwen kon constateren. Die vond zij vrijwel niet, voor de criteria die ze aanhield. Toch constateerde zij dat teksten geschreven door vrouwen vaker worden beoordeeld als ‘laag literair’.

Schrijver Jannah Loontjens schreef in 2016 in de NRC dat de ongelijke behandeling van vrouwen op de boekenmarkt lang geleden ontstaan is en in onderwerpen van de teksten gezocht moet worden. Mannen schreven ‘over zaken door mannen gedacht en gedaan’. Schrijvende vrouwen zorgden voor verwarring bij die mannen, legde Loontjens uit:

“Waar konden zij nou over berichten? Die wisten toch niets van wereldse, belangwekkende zaken? Het waren immers de mannen die als generaals de aardbol verkenden, als politici de macht verdeelden en als investeerders de economie draaiende hielen. Vrouwen, die wisten enkel wat zich binnenshuis afspeelde, rond het fornuis en boven de wasbak, zo meende men. Zij schreven over intieme zaken, over familieaangelegenheden, emoties, opvoeding of onvervulbare verlangens.”

In het heersende beeld van wat een goede schrijver was, pasten de vrouwelijke schrijvers dus niet.

Waar kwam dat beeld van een goede schrijver vandaan? In de Renaissance moest een goede schrijver over drie dingen beschikken: aanleg (talent), studie (talenkennis, kennis over klassiekers uit de Oudheid) en vrije tijd. Weliswaar konden vrouwen net als de mannen van God aanleg voor het schrijven gekregen hebben, maar  gelegenheid voor ‘studie’ en ‘vrije tijd’ hadden ze vrijwel nooit. De vrouwen die wél schreven, beperkten zich noodzakelijkerwijs tot onderwerpen waar ze wel wat van wisten: het huishouden, de opvoeding van kinderen en het huwelijk. Zo bouwden zij door hun onderwerpkeuze zelf mee  aan het beeld dat van de vrouwelijke auteur ontstond. Zulke beelden zijn hardnekkig. De mannelijke schrijver Jamal Ouriachi schreef enkele jaren geleden nog in Vrij Nederland dat vrouwen minder opvallende boeken schrijven dan mannen en daarom logischerwijs minder gepubliceerd worden.

In deze proef gaan we onderzoeken hoe dat beeld van de vrouwelijke schrijver – als een apart type schrijver dat zich bezighoudt met eigen onderwerpen – precies kon ontstaan. Wat droegen zowel mannelijke als vrouwelijke schrijvers bij aan het ontstaan van dat beeld? En welke gevolgen had en heeft dat beeld voor de maatschappelijke waardering van schrijfsters?

We gaan op deze vragen grip krijgen door, net als Jannah Loontjens, aan te nemen dat hedendaagse beelden ontstaan zijn in de loop van de geschiedenis. We kijken  met name naar één historische schrijfster, die geldt als een overgangsfiguur tussen de Middeleeuwen en de Renaissance: Anna Bijns.

Stap 2: De instrumenten

Als je onderzoek wilt doen naar beelden van en over vrouwelijke schrijvers, heb je termen en begrippen nodig waarmee je je bronnen kunt analyseren. In dit geval zijn dat ‘literaire kwaliteit’ en ‘auteursrepresentatie’. Dat zijn begrippen waarmee je de beeldvorming rond, en waardering van schrijvers kunt onderzoeken.  Als je de bronnen uit deze proef allemaal met die termen analyseert, kun je je onderzoeksresultaten onderling bespreken, vergelijken en aanscherpen.

Literaire kwaliteit
Oordelen over vrouwelijk schrijverschap zijn gebaseerd op inschattingen van de literaire kwaliteit van boeken geschreven door vrouwen. Of een boek als literair wordt ingeschat, hangt tegenwoordig voor een groot deel af van de recensies en literaire prijzen die een boek krijgt. Uit het proefschrift van Koolen blijkt dat de literaire kwaliteit van romans van mannen vaker afgelezen wordt aan de structuur en stijl van die roman, terwijl romans van vrouwen vaker beoordeeld worden op de emotionele aspecten, herkenbaarheid en plot. Het oordeel van de recensenten en juryleden wordt dus gestuurd door het ideaalbeeld dat ze van een mannelijke dan wel vrouwelijke  auteur hebben.

Auteursrepresentaties
Dat ideaalbeeld onderzoeken literatuurwetenschappers vaak met behulp van het begrip ‘auteursrepresentatie’. Dit is het beeld van een auteur dat door zowel de auteur zelf, als door anderen wordt gecreëerd. Het beeld dat een auteur zelf creëert noemen we de ‘zelfrepresentatie’; het beeld dat anderen van een auteur creëren de ‘heterorepresentaties’.

De auteur creëert een zelfrepresentatie met wat hij of zij geschreven heeft, maar ook door gedrag in het openbaar (uitspraken in een interview, openbare optredens, etc.). Een goed voorbeeld van een schrijver die nadenkt over haar zelfrepresentatie is J.K. Rowling. Zij heeft er bewust voor gekozen de Harry Potter-boekenserie uit te brengen onder haar initialen in plaats van haar eigenlijke naam ‘Joanne Rowling’. Door deze keuze verwachtte zij dat haar boeken meer gelezen zouden worden door jongens. Toen zij boeken voor volwassenen ging schrijven en los wilde breken van het beeld dat mensen van J.K. Rowling hadden, besloot ze deze uit te brengen onder het pseudoniem ‘Robert Galbraith’.

De heterorepresentatie van een auteur die de maatschappij (recensenten, uitgevers, interviewers, de lezers, etc.) creëert, kan eveneens heel krachtig zijn. Een voorbeeld hiervan vinden we in een recensie in de NRC van het debuut van de schrijver Joost de Vries. Die werd door de krant meteen neergezet als ‘de troonopvolger van Mulisch’.

Zelfrepresentatie en heterorepresentatie hoeven niet overeen te komen. De Vries ziet zichzelf misschien wel helemaal niet als de troonopvolger van Mulisch. We gaan kijken hoe de zelfrepresentatie en heterorepresentatie  van de zeventiende-eeuwse schrijfster Johanna Coomans zich tot elkaar verhouden door een gedicht uit 1623 te analyseren.

Ik heb altijd bemind de zoete poëzij.
En om den zwaren geest somwijlen te verlichten
Heb ik dan altemet [soms] bestaan een werk te dichten,
En is u van dit werk gekomen in de hand,
Denkt dat het is gedaan omtrent de wiege-band [wieg].

Johanna Coomans, fragment uit gedicht voor Abraham van der Mijl, een theoloog

In dit gedicht legt Coomans uit waarom ze schrijft (ze wil haar geest ontlasten) en waar ze dat doet (ze schrijft rond de wieg). We zien dat Coomans zichzelf in dit gedicht afbeeldt als een vrouw die vooral naast de wieg staat (en dus een goede moeder is), maar daarnaast soms tijd heeft om te dichten. Zij geeft de lezer zo mee dat haar schrijverschap ondergeschikt is aan haar huishoudelijke taken en moederrol. Zo dekt ze zich alvast in tegen kritiek die vrouwelijke schrijvers toen veel kregen: ‘Verwaarloos jij je gezin niet wanneer je dicht?’.

Als we zo’n gedicht van Coomans bestuderen, kunnen we inzicht krijgen in haar zelfrepresentatie, maar ook in de heterorepresentatie. De maatschappij verwacht kennelijk dat zij het dichten ondergeschikt maakt aan andere rollen. Mannelijke schrijvers verwoordden die heterorepresentatie vaak. Kijk maar naar de beroemde dichter Jacob Cats, die Coomans een ‘eerbare, kunstrijke, lofwaardige jonkvrouw’ noemde. Volgens Cats had Coomans bewezen dat niet alleen ongetrouwde vrouwen literatuur konden schrijven, maar ook ‘reine’ getrouwde vrouwen als Coomans. Omdat Coomans haar dichten ondergeschikt maakt aan de rol die van haar als vrouw en moeder wordt verwacht, kan ze voor Cats – die naast dichter een belangrijk politicus was, en wiens mening dus telde – meedoen in de literatuur.

Literaire kwaliteit
In hoeverre behoort een tekst tot de ‘literatuur’ (heeft het een hoge status)?

Zelfrepresentatie
Wat voor beeld creëert de auteur over zichzelf?

Heterorepresentatie
Wat voor beeld creëren anderen over de auteur?

Opdrachten

Lees dit stuk op de website van de Nederlandse schrijfster Niña Weijers. Beantwoord de volgende vragen:

  1. Op welke manier speelt de omslag van De consequenties een rol in de heterorepresentatie van Weijers als auteur?
  2. Vergelijk de manier waarop Weijers’ boek wordt gepresenteerd met de zelfrepresentatie van Johanna Coomans.
  3. Zou Coomans tevreden zijn over de manier waarop Weijers als vrouw wordt gerepresenteerd?

Nu je bekend bent met begrippen zelfrepresentatie en heterorepresentatie, ga je in de volgende stap in duo’s de auteursrepresentatie van de zestiende-eeuwse Anna Bijns bestuderen.

Stap 3: Het experiment

In de Renaissance waren er veel belemmeringen voor vrouwen om een goed schrijver te worden, zoals we aan Coomans gedicht af konden lezen. Die belemmeringen (geen studie, geen vrije tijd) zorgden ervoor dat vrouwen vaak over onderwerpen schreven waarover ze wel veel konden weten. Het huwelijk is zo’n onderwerp, zo zien we ook aan Anna Bijns.

Anna Bijns was een Antwerpse vrouw die leefde in de zestiende eeuw, in de overgang tussen de Middeleeuwen en de Renaissance. Haar vader was een rederijker. Rederijkers waren literatuurliefhebbers die zich vanaf de late Middeleeuwen organiseerden in verenigingen (‘rederijkerskamers’) om gedichten te schrijven en in wedstrijdvorm te beoordelen. Ze besteedden veel aandacht aan  de juiste vorm van gedichten en beoefenden lastige rijmvormen (bekijk ook: Rederijkersliteratuur) om hun talenten te tonen. Een van die lastige vormen was het ‘refrein’: een gedicht met aan het eind van elke strofe dezelfde versregel.

Hoewel Anna Bijns als vrouw officieel geen lid mocht zijn van een rederijkerskamer, schreef ze wel veel refreinen. En hele goede ook, want ze kreeg er grote bekendheid mee.

Anna Bijns werd als vrouw dus opmerkelijk serieus genomen. We gaan kijken hoe haar zelfrepresentatie en heterorepresentaties daarbij een rol speelden.

Opdrachten

Bij de volgende drie opdrachten is het de bedoeling dat je samenwerkt met iemand. Een van jullie zal het refrein ‘Ongebonden best, weeldig man zonder wijf’ lezen en hierbij opdracht 1 maken, de ander leest een ingekorte versie van ‘Ongebonden best, weeldig wijf zonder man’ en maakt hierbij opdracht 2. Als jullie hiermee klaar zijn, maken jullie samen opdracht 3.

1. Lees het refrein ‘Ongebonden best, weeldig man zonder wijf’ van Anna Bijns. Probeer niet ieder woord te begrijpen, maar achterhaal per strofe de globale boodschap. Beantwoord de volgende vragen.

  • A. Welk beeld wordt er van vrouwen geschetst in dit refrein? Verwijs gericht naar passages om je antwoord te onderbouwen.
  • B. Welk beeld wordt er van mannen geschetst in dit refrein? Verwijs gericht naar passages om je antwoord te onderbouwen.

2. Lees het refrein ‘Ongebonden best, weeldig wijf zonder man’ van Anna Bijns. Probeer niet ieder woord te begrijpen, maar achterhaal per strofe de globale boodschap. Beantwoord de volgende vragen.

  • A. Welk beeld wordt er van vrouwen geschetst in dit refrein? Verwijs gericht naar passages om je antwoord te onderbouwen.
  • B. Welk beeld wordt er van mannen geschetst in dit refrein? Verwijs gericht naar passages om je antwoord te onderbouwen.

3. Bespreek met elkaar waar jullie refreinen globaal over gingen. Maak vervolgens samen de volgende opdrachten.

  • A. Hoe dragen deze refreinen en het dubbele perspectief op mannen en vrouwen bij aan het beeld dat Anna Bijns over zichzelf creëert?
  • B. Als vrouw kiest Anna Bijns ervoor om over een voor haar geslacht traditioneel onderwerp te schrijven. Ze associeert zichzelf dus met het onderwerp ‘huwelijk’. Op wat voor manier schrijft Bijns over het huwelijk? Doet ze dit spottend of serieus? Welke rol speelt haar keuze voor het refrein mogelijk in haar houding ten opzichte van het huwelijk?
  • C. Bespeur je bij jezelf ideeën over wat ‘typische’ literaire onderwerpen voor mannen en vrouwen zijn? Confronteert Bijns je met die ideeën, of juist niet? Leg uit.

4. ‘Al ist een maget [maagd] die dit heeft geschreven, ende wilt daeromme niet verwerpen; geleerde mannen hebbent gelesen ende geapprobeert [goedgekeurd]. Dus en siet niet aen, dat een vrouwe van desen derden boeck is auctoresse, maer den rechten [oprechte] geest, die door haer heeft openlijck gewrocht [zich via haar openbaart] ende noch is werkende.’
Met deze zinnen introduceerde Bijns’ uitgever, Henrick Pippinck, haar derde bundel aan het publiek.

  • A. Wat voor heterorepresentatie van vrouwelijke auteurs in het algemeen blijkt er uit bovenstaand citaat?
  • B. Wordt de kwaliteit van Anna Bijns’ werk aan haarzelf toegedicht of aan iets anders?

In deze stap hebben we gekeken naar een beroemde vrouwelijke auteur uit het verleden: Anna Bijns. We hebben bestudeerd hoe zij omging met het thema ‘huwelijk’, waarover vrouwen traditioneel veel schreven. Anna Bijns ook, ook al was zij zelf niet eens getrouwd. We zagen dat ze hierover zo eigenzinnig schreef, dat ze leek te willen morrelen aan het bestaande beeld dat vrouwen het huwelijk boven het schrijverschap moeten stellen. Ze lijkt de vraag op te werpen: als het huwelijk niet zoveel waard is, is het dan wel goed vrouwelijke schrijvers hieraan op te offeren?

In de volgende stap gaan we terug naar het heden. We richten ons op een vrouwelijke auteur van nu en bestuderen de relatie tussen zelf- en heterorepresentaties en onderwerpkeuze.

Stap 4: De lakmoesproef

Heeft een moderne vrouwelijke schrijver als Heleen van Royen nog te kampen met dezelfde beelden over het vrouwelijk schrijverschap als Anna Bijns?

Van Royen is een auteur van succesvolle romans als De gelukkige huisvrouw (2000) en De hartsvriendin (2013). Ze presenteert zichzelf vaak in het Nederlandse medialandschap en daar doet ze soms stof opwaaien. Zo schreef Dorine Wiersma in 2008 het nummer ‘Proud to be stout’ over het imago van Van Royen. Van Royen is vaak aanwezig in televisieprogramma’s, geeft geregeld interviews en deelt veel over haar privéleven in zowel haar werk als haar mediaoptredens.

Wat kunnen wij opmaken over hoe zij zichzelf presenteert en hoe anderen haar verbeelden? En hoe hangen de onderwerpen waarover ze schrijft samen met die beelden? Om een antwoord te vinden op die vragen analyseren we een van haar mediaoptredens.

Opdrachten

In deze opdracht werk je in drietallen. Bekijk dit fragment uit De Wereld Draait Door, waarin aandacht wordt besteed aan een expositie van Heleen van Royen in het Literatuurmuseum. Tijdens het kijken gaan jullie letten op drie aspecten van de auteursrepresentatie van Van Royen in dit interview. Kies elk een aspect uit het rijtje hieronder en maak tijdens het kijken aantekeningen van wat je opvalt. Je kunt kiezen uit:

  • het beeld dat Van Rooijen zelf van haar schrijverschap geeft tijdens dit interview (welke thema’s zijn belangrijk, hoe gaat ze daarmee om, hoe presenteert ze zichzelf etc.);
  • het beeld dat anderen van haar schrijversschap geven (de presentator en andere mensen die aan het woord komen);
  • de onderwerpen die Van Rooijen centraal stelt in de foto’s en de begeleidende teksten.

Nadat jullie het filmpje bekeken hebben, vat je kort aan elkaar samen wat je gezien en opgeschreven hebt over het onderwerp van je keuze. Probeer vervolgens samen tot een antwoord te komen op de twee vragen hieronder:

  1. Hoe hangen zelfrepresentatie, heterorepresentatie en onderwerpkeuze samen in het beeld dat tijdens dit interview ontstaat van de auteur Heleen van Royen, of hoe vormen die aspecten juist een tegenstelling?
  2. Hoe verschilt deze relatie (tussen zelfrepresentatie, heterorepresentatie en onderwerpkeuze) bij Bijns van die bij Van Royen? Welke overeenkomsten en verschillen zien jullie?

In de laatste stap gaan we nadenken over een mogelijke oplossing voor het probleem dat de literaire kwaliteit van het werk van vrouwelijke schrijvers anders en vaak minder gewaardeerd wordt. Zou de instelling van een aparte Anna Bijns Prijs alleen voor vrouwelijke auteurs iets aan dat verschil kunnen en moeten doen?

Stap 5: Het vrije experiment

Van een goede recensie of het winnen van een belangrijke literaire prijs hangt veel af voor een schrijver. Je weet nu dat:

  • een van de belangrijke prijzen, de Libris Literatuurprijs, sinds 1994 in 22 van de 25 gevallen aan een man is toegekend;
  • vrouwen ook minder worden genomineerd;
  • boeken van vrouwen op andere punten worden gewaardeerd dan mannen.

Hoe kunnen prijzen dan toch bijdragen aan het succes van vrouwelijke auteurs, en mogelijk ook het (zelf)beeld van die auteurs veranderen?

Een oplossing is het uitreiken van prijzen die zich alleen richten op vrouwelijke auteurs. Een voorbeeld van zo’n prijs was de Anna Bijns Prijs. Bij deze tweejaarlijkse titelprijs werd afwisselend een roman of dichtbundel geschreven door een vrouw bekroond. De hoofddoelstelling van de prijs was: aandacht voor de Nederlandstalige literatuur van vrouwen. De Anna Bijns Prijs werd in 2016 opgeheven. Dat was precies het jaar waarin de Lezeres des Vaderlands constateerde dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in het Nederlandse literaire veld.

Dat experiment is dus niet geslaagd, maar kunnen jullie iets bedenken wat wel werkt, met alles wat je weet over de lange geschiedenis van verschil tussen mannelijk en vrouwelijk schrijverschap?

Opdrachten

In deze stap voert de klas een debat. Het lezen van de volgende artikelen en het discussiëren over de oriënterende opdrachten helpt je om je optimaal op het debat voor te bereiden. Je mag naast de artikelen natuurlijk ook zelf bronnen opzoeken over dit onderwerp en je eigen opvattingen gebruiken.

Oriënterende opdrachten

  1. De naam ‘Anna Bijns Prijs’ is ook een vorm van heterorepresentatie. Wat zegt het bestaan van deze prijs over Anna Bijns?
  2. Wat zegt deze prijs over hedendaagse vrouwen van literatuur? Zijn ze een eigen eiland door hun eigen thema’s of zal dit ervoor zorgen dat zij serieus genomen worden?
  3. Bedenk voor de stelling ‘Er moeten aparte prijzen zijn voor vrouwelijke auteurs’ zowel voor- als tegenargumenten en bedenk ook hoe die weerlegd zouden kunnen worden.

Debat

De klas gaat nu debatteren over de stelling ‘Er moeten aparte prijzen zijn voor vrouwelijke auteurs’. De klas wordt door de docent in drie groepen opgedeeld, een voorgroep, tegengroep en jurygroep. Ook wijst de docent iemand aan die de tijd in de gaten houdt. De voor- en tegengroepen krijgen 5 minuten om hun argumenten door te spreken en twee sprekers aan te wijzen. Let erop dat de spreektijd tijdens een debat kort is en dat je dus beter de beste drie argumenten kan kiezen voor het spreken. Na het doorspreken begint het debat. De jurygroep maakt tijdens het debat aantekeningen van alle argumenten die genoemd worden. Het is handig als de jury afspreekt dat een helft zich richt op de voorgroep en de andere helft op de tegengroep. Daarna verloopt het debat als volgt:

  • De eerste spreker van de voorgroep mag in 1 minuut de voorargumenten benoemen.
  • Hierna krijgt de eerste spreker van de tegengroep 1 minuut om de argumenten van de voorgroep te ontkrachten.
  • Daarna krijgt de tweede spreker van de tegengroep een minuut om de eigen tegenargumenten in te brengen.
  • De tweede spreker van de voorgroep krijgt nu anderhalve minuut om de argumenten van de tegenpartij te ontkrachten en om de eigen argumenten te herhalen en de spreekbeurt te beëindigen.
  • Ten slotte krijgt de tweede spreker van de tegengroep nu 30 seconden om hun eigen argumenten te herhalen en het debat te beëindigen.
  • Na het debat gaat de jurygroep in beraad. Welke argumenten vonden jullie het sterkst? Welke groep heeft er volgens jullie gewonnen?

Verder lezen

  1. Hanneke Chin-A-Fo en Toef Jaeger, In de literatuur is de vrouw nog steeds een cliché, NRC Handelsblad. 18 mei 2018.
  2. Corina Koolen, Reading Beyond the Female. The relationship between perception of author gender and literary quality. Proefschrift ILLC 2018.
Vond je het interessant om na te denken over literaire kwaliteit en wil je meer weten over wat ervoor zorgt dat een tekst wordt gezien als literatuur? Dan is proef 8 wat voor jou! Of ben je benieuwd naar andere mogelijkheden voor het schrijven van een profielwerkstuk over literatuur? Klik dan op de knop ‘Profielwerkstuk’ hieronder.
Proeven_respons