Hoe werkt het?

In elke proefopstelling doorloop je 5 stappen:

  1. De voorbereiding
  2. De instrumenten
  3. Het experiment
  4. De lakmoesproef
  5. Het vrije experiment

Noteer je antwoorden op de vragen op papier of in een Word-bestand.

Wat heb je nodig?

  • Computer met internetverbinding
Ga naar stap 1

Stap 1: De voorbereiding

De Nederlandse blik op slavernij in teksten gevat
In 2014 verscheen de Nederlandse film Tula: The Revolt, over de Curaçaose slavenopstand in 1795 die werd geleid door Toela. De Nederlandse recensies waren matig, in het buitenland ontving de film prijs na prijs. Dat verschil in waardering is wellicht veelzeggend. In Nederland wordt met ongemak teruggekeken op het slavernijverleden. Er werd aan slaven en slavenhandel veel geld ontleend, maar ten koste van wie en wat?

In deze proef lees je een aantal tekstfragmenten om te onderzoeken hoe er in Nederlandstalige literatuur werd geschreven over slavernij tussen 1630 en 1930. Bestond dat ongemak toen ook al, hoe werd het bestaan van slavernij verdedigd? En werd de omgang met slavernij in de loop van de geschiedenis complexer, werd er vanuit meer invalshoeken over geschreven?

Nederland, slavernij en slavenhandel
De oprichting van de Oost-Indische Compagnie (VOC) in 1602 en de West-Indische Compagnie (WIC) in 1621 bracht de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden enorme rijkdommen: in de overzeese gebieden Oost-Indië en West-Indië (delen van Brazilië, maar ook onder meer Suriname en Aruba) werden suiker, tabak, koffie, specerijen verbouwd die vanuit Nederland verhandeld werden. Voor de verbouwing van al die gewassen waren arbeidskrachten nodig, en de Republiek gebruikte daarvoor slaven. Vanaf de verovering van het fort Elmina in Ghana in 1637, nam Nederland ook zelf actief deel aan de slavenhandel. Vanuit dat fort in Afrika werden slaven naar Amerika verscheept. Het fort werd later weer door de Engelsen ingenomen, maar Michiel de Ruyter heroverde het knooppunt van slavenhandel in 1665. In Nederland werd in 1814 de handel in slaven verboden, en in 1863 de slavernij voor de wet afgeschaft.

Waarom zijn teksten over slavernij voor literatuuronderzoekers interessant?
Juridisch gezien is een slaaf ‘een mens in eigendom van een ander mens’. Tegenwoordig spreken velen liever niet meer van ‘slaaf’, maar van ‘tot slaaf gemaakten’. Daarmee zou beter worden uitgedrukt dat een slaaf een mens is die het eigendomsrecht over zichzelf is afgenomen. Het is een alternatief voor de ontmenselijking die de term ‘slaaf’ in zich zou dragen. Woorden doen er dus toe als we over slavernij schrijven. In deze proef onderzoeken we de woorden die tussen 1630 en 1930 door schrijvers gebruikt werden als onderdeel van een breder maatschappelijk discours. Een discours is een abstract iets: geen specifieke tekst, maar het geheel van woorden en beelden dat grote groepen mensen gebruiken om er de wereld mee te ordenen en te begrijpen.

We komen in stap 2 op het begrip discours terug, maar we kijken nu al even naar de banner van deze proef, een schilderij van Charles Rochussen uit 1852 met als titel ‘De koloniën brengen hulde aan de Nederlandse maagd’:

Rochussen geeft in dit schilderij zijn kijk op verhouding tussen Nederland (in het midden afgebeeld als een witte, geklede en aanbeden jonge vrouw) en de koloniën (links afgebeeld als dienende, half naakte, knielende zwarte vrouwen). Met de titel van het schilderij geeft Rochussen aan dat dit wat hem betreft het beeld is van dé koloniën en dé Nederlandse maagd (=Nederland). Wat we zien, is dus volgens Rochussen de algemeen geldige waarheid.

Een schilderij als dit levert een bijdrage aan het discours, maar baseert zich ook op dat discours. Mensen die het in de negentiende eeuw zagen, herkenden Rochussens beeldtaal. Ze waren er bijvoorbeeld aan gewend Nederland als een maagd afgebeeld te zien, omdat dat in die tijd door heel veel schilders en schrijvers gedaan werd.

Voor literatuuronderzoekers is met name de relatie tussen een specifieke tekst en het discours interessant. Bevestigt een bepaalde tekst een bestaand discours, of heeft die tekst tot doel het discours te veranderen? We onderzoeken in deze proef het historische discours tussen 1650 en 1930 door fragmenten van teksten te lezen waarin opvattingen over de slavernij zichtbaar worden:

  1. Zeventiende-eeuwse teksten van Jacob Cats en Willem Godschalck van Focquenbroch
  2. Achttiende-eeuwse tekst Geschiedenis van een neger en zijn reize met de Heer N….van Surinamen naar Holland
  3. Negentiende-eeuwse vertaling Een kijkje in de hut van Oom Tom en pamflet De slavernij in Suriname van J. Wolbers
  4. Twintigste-eeuwse tekst Wij slaven van Suriname van Anton de Kom

Opdrachten

In 1636 schreef de dichter Jacob Cats het gedicht ‘Van suycker ende kruyt’ (Over suiker en specerijen) voor het boek Schat der gezondheid van de arts Johan van Beverwijk. Cats raadt de lezer aan het boek van Van Beverwijk goed te lezen, omdat juist gebruik van specerijen je gezond houdt. Maar die specerijen zijn in Nederland van nature niet voorhanden. In onderstaand fragment lees je hoe je volgens Cats zou moeten aankijken tegen de levering van suiker en specerijen door de koloniën. Cats schetst hier de verhoudingen tussen de Republiek (‘Hollant’), de koloniën en God. Met welke woorden doet hij dat, en welk beeld over die verhoudingen komt dus uit dit fragment naar voren? Onderbouw je antwoord met citaten:

Al wat den hemel sent, of uyt’ er aerden groeyt,
Dat komt ons met de zee ter haven in-gevloeyt.
Wat lijt het heet Brasil op heden felle slagen
Om aen dit verre lant sijn vruchten op te dragen!
[…]
Men pluckt hier geen Caneel, geen ander edel kruyt
Wy deelen ’t even-wel met gantsche schepen uyt.
Bedenckt dit, Hollants volck, bedenckt den hoogen segen,
Die u door Godes hant soo wonder is verkregen.

Klik hier voor een prozahertaling van het fragment als je hulp wilt bij het lezen van het zeventiende-eeuwse Nederlands.

Je hebt nu kennis gemaakt met het beeld van het heersende Nederland en de dienende koloniën dat we vinden in zowel de zeventiende-eeuws tekst van Jacob Cats als het negentiende-eeuwse schilderij van Charles Rochussen. Dat de (beeld)taal van Cats en Rochussen overeenkomt, is geen toeval. Rochussen leefde in de negentiende eeuw, maar keek als schilder graag terug op de roemruchte zeventiende eeuw waarin Cats leefde, en haakte aan bij indertijd algemene gedachten zoals Cats die geformuleerd had. Een dominant discours kon dus eeuwenlang gelijk blijven. In stap 2 kijk je naar een andere zeventiende-eeuwse tekst om te zien welke bijdrage deze aan het discours leverde, en hoe je zo’n bijdrage kunt analyseren in een tekst.

Stap 2: De instrumenten

Een vraag en instrumentarium 
Als je een antwoord wilt vinden op wetenschappelijke vragen, moet je eerst weten wat precies je vraag is. Als hoofdvraag hebben we in deze proef: hoe werd in Nederlandse teksten tussen 1630 en 1930 over slavernij geschreven? Je hebt instrumenten nodig waarmee je die teksten heel precies kunt analyseren om een antwoord te krijgen op deze vraag. Instrumenten zijn in dit geval: eenduidige begrippen of concepten die het voor jezelf, maar ook voor anderen duidelijk maken waar je naar kijkt. In deze proef staan de concepten ‘discours’ en ‘de Ander’ centraal.

De concepten ‘discours’ en ‘de Ander’ uitgediept
Literatuuronderzoekers beschouwen woorden en beelden zoals die in samenlevingen gebruikt worden dus als een discours. Dat discours is een soort optelsom van alle losse, individuele teksten en afbeeldingen. Om die optelsom als onderzoeker te maken, weeg je alle ideeën, gezichtspunten, voorkeuren en waarderingen die in die teksten naar voren worden gebracht. Je bepaalt vervolgens welke ideeën en gedachten op een bepaald moment in een samenleving heel veel voorkomen en dominant zijn. Je let er daarbij ook op wie die teksten in het discours inbrengt. Kijken we nog even naar het gedicht van Cats. Op het moment dat hij dit schrijft, is Cats raadpensionaris van Holland: een belangrijke bestuurlijke functie, die zijn woorden extra gewicht geeft. Als Cats op belerende toon schrijft dat Nederland God dankbaar moet zijn dat Hij de koloniën laat zweten om Holland van koopwaar te voorzien, dan zijn die woorden door die bestuurlijke functie meer waard dan Cats’ persoonlijke mening. Er kunnen meerdere discoursen naast elkaar bestaan in een samenleving. Degenen die het meeste gezag hebben, zorgen ervoor dat een bepaald discours dominant is.

De literatuurwetenschapper Edward Said heeft in zijn beroemd geworden boek Orientalism uit 1978 betoogd dat veel van het discours in Westerse landen al sinds de klassieke Oudheid teruggaat op ideeën over ‘de Ander’. Die ‘Ander’ is de Oosterling, in alle opzichten het tegenovergestelde van de Westerling. Said betoogt dat westerlingen het beeld van ‘de Ander’ gebruikt hebben om een beeld van zichzelf te vormen (‘wij zijn wit omdat de Ander zwart is’) en dat zelfbeeld vervolgens gebruikt hebben om macht over ‘de Ander’ uit te kunnen oefenen (‘wij zijn wit en dat is beter dan zwart, en dus mogen we over zwart heersen’). Said heeft veel commentaar gekregen op de stelling dat dit het dominante Westerse discours is en er is ook discussie over het gebruik van de term ‘de Ander’, dat in zichzelf een Westers (onderzoeks)perspectief impliceert. Toch gebruiken we deze termen in deze proef als ons vertrekpunt, omdat ze zo kenmerkend zijn voor onderzoek naar koloniale machtsverhoudingen.

Discours
‘Het geheel van ideeën, gedachten en denkbeelden dat in een samenleving middels teksten en afbeeldingen gedeeld wordt en gebruikt wordt om de wereld te ordenen en te begrijpen.’

De Ander
‘Iedereen die binnen een dominant discours als vreemd en tegengesteld ten opzichte van het zelf of ‘eigene’ wordt neergezet. Het zelf functioneert hierbij als de norm, de ander als de afwijking: de eerste is het ‘positief ’, de laatste het ‘negatief ’.

Opdrachten

  1.  In 1669 vertrekt de Amsterdamse arts Willem Godschalck van Focquenbroch naar het fort Elmina in Ghana, op dat moment het zenuwcentrum van de Nederlandse slavenhandel. Focquenbroch werkt daar als arts, en beschrijft in een aantal brieven aan zijn Nederlandse vrienden zijn indrukken. Lees onderstaand fragment over een bijzondere zwarte jongen die hij daar leert kennen. Hoe beschrijft Focquenbroch de verhouding tussen hem en deze jongen? Benoem welke woorden hij gebruikt, en welk beeld over die verhouding naar voren komt. Lees hier de prozahertaling van dit fragment als je wat hulp wilt bij het zeventiende-eeuwse Nederlands.

    Alleen heb ick mijn meeste vermaeck in een kleyne Swarte Jongen die ick heb, die van seer grooten Huyse, en van seer treffelijcke luyden is; want ick verklaer u, dat ick noyt Schoonder; noch Heroïquer, wesen gesien heb, vermenght met een groots, doch eenigsins stuurs opslagh van Oogen […] oock zijn al sijn inclinatien groots, en moedigh, ja soo, dat hy met jongens van sijn jaren (die ontrent 12. zijn) niet sal omgaen, maer altijdt met sijn ouwer, waer boven hy noch altijdt wil de preferentie hebben ’t sy in den Dans, of andere Spelen, daer hy altijdt de eerste wil zijn; of soo iemand hem die rang disputeert, soo ontsiet hy selfs geen volwassen jongens voor de kop te slaen. En by al dese Barsheyd is hy weer by my soo vriendelijck, beleefs, en trouw, dat ick die jongen lief heb in mijn Hart, en souw (soo hy een slaef was) niet weygeren een Pond Gout voor hem te geven &e.

  2. Wat leer je uit dit fragment over Focquenbroch, en over de Ander? Geef citaten om je antwoord te onderbouwen.
  3. Vergelijk de tekstfragmenten van Cats en Focquenbroch: zie je gedachten die overeenkomen? En verschillen?
  4. Extra Opdracht: deze kun je overslaan, maak hem alleen als je wat meer wilt weten over de samenhang tussen een discours en brieven zoals die van Foccquenbroch.
    Luister naar een fragment uit een interview met literatuuronderzoeker Arie Gelderblom naar aanleiding van de hertaling van de Afrikaanse brieven van Focquenbroch die hij met Thomas Roosenboom maakte. Het gaat om het fragment tussen 13:06′ en 14.10′, over de vraag of Focquenbroch deze brieven geschreven heeft voor vrienden, of voor een groter publiek. Gezien het antwoord op de vraag ‘schreef Focquenbroch deze brieven om ze te publiceren of niet’: zie je deze brieven als een bijdrage aan het zeventiende-eeuwse discours, of niet?

Je hebt nu gezien hoe in Focquenbrochs tekst net als bij Cats het beeld van de Ander als dienaar voorkomt, maar hoe de inkleuring van dat beeld verschilt. Beide schrijvers leveren dus een specifieke bijdrage aan het algemene discours over ‘de Ander’ die minder is dan de Nederlander. Beiden bevestigen dat discours, maar leggen andere accenten. Cats benadrukt dat Nederlanders dankbaar moeten zijn voor het dienende bestaan van de Ander, Focquenbroch benadrukt – door de kleine jongen als grote uitzondering op de regel te beschrijven – hoe anders de Ander is. In de volgende stap ga je een groter experiment doen en tekstfragmenten uit de achttiende eeuw onderzoeken waarin uitgebreider in wordt gegaan op de Ander.

Stap 3: Het experiment

Nu je in de vorige stappen al wat analyses hebt gemaakt, kunnen we een volgende stap zetten en bekijken hoe de achttiende-eeuwse tekst Geschiedenis van een neger, zijn reize met de Heer N…. van Surinamen naar Holland zich verhoudt tot het historische discours over ‘de Ander’. Bevestigt of verandert deze tekst het discours?

Opdrachten

  1. Geschiedenis van een neger is geschreven rond 1771 en gaat over een tot slaaf gemaakte jongen die zijn meester, ‘Heer N.’,  volgt als die zijn baan als hoofd van een plantage in Suriname opgeeft en naar Amsterdam terugkeert. Onderweg naar Amsterdam bekeert de jongen zich tot het christendom, en hij trouwt uiteindelijk met de dochter van zijn meester. In het begin van het boek wordt de jongen aan de lezer geïntroduceerd, zoals je in het fragment hieronder leest. Welke woorden/beelden uit de tekst van Focquenbroch uit de vorige stap herken je in dit fragment? En waarin wijkt het beeld van de jongen af van het beeld dat Focquenbroch geeft?

    Op een der Plantagien te Surinamen gelege, aan de Rivier woonde een Heer die ’er veel Slaven op had. Onder dezelven was een jong Slaafje, die naauwelyks den ouderdom, van twaalf jaren bereiken kon. […] Deeze jonge Slaaf schoon zwart van Lichaam zynde, was echter wit en blank van Ziel. Zyn noodlot dat hem onder een verachtelyke Natie had doen gebooren worden, had die schade vergoed, met hem hoedanigheden te geven, die buiten gemeen waren. Benevens een juist oordeel, had zy hem een schrander en doordringend verstand, en een zeer sterke geheugenis gegeven, daar by een edelmoedige neiging tot de Deugd, en tot het zedelyke, dat het wel rykelyk, tegen de zwartheid van zyn Lichaam, en de verachtelykheid zyner geboorte kon opweegen. Hy kon echter onder de Negers voor schoon gerekend worden; want behalven dat zyn Lichaam wel gevormt was, had hy iets in zyn weezen, dat zoo deftig en innemende was, dat het de genegenheid won, van een ieder waar hy mede omging.

    Lees hier een prozahertaling van dit fragment als je wat hulp wilt met het achttiende-eeuwse Nederlands.

  2. De jongen bekeert zich op weg naar Amsterdam tot het christendom. Op het eiland waar die bekering plaatsvindt, wordt hij gedoopt. Voor het eerst noemt de verteller hem bij naam, zoals je in het fragment hieronder leest. De naam die hij krijgt, Thomas, is volgens de verteller veelbetekend. In het fragment staat een verwijzing naar een bijbels verhaal rond de apostel Thomas: de verwijzing is heel summier, dus de lezer wordt geacht dat verhaal te kennen. Mocht dat voor jou niet gelden, lees dan hier wat meer over dat verhaal. Wat is het effect van die link met de bijbel in deze tekst? Met welk deel van het achttiende-eeuwse discours wordt Thomas zo verbonden, en welk element wordt daardoor aan het beeld van de Ander toegevoegd?

    Toen de Predicatie geeindigt was, wierd vervolgens de plechtigheid van den Doop aan hem volvoert, en hy verkreeg de naam van Thomas; die zy wel voorbedagtelijk uitgekozen hadden, om dat hy zoo veel als het tegenbeeld van dien Apostel had geweest; dewyl hy gelijk dien zelve Apostel niet als door handtastelijke bewyzen had kunnen overtuigt worden. Het was waardig om te zien, met wat een Godsdienstige aandagt onze Neger de Predicatie had aangehoord; het zelve had een groote indruk op de gansche Vergadering gegeven, en eenige van dezelve de tranen uit de oogen geparst; dat een mensch onder het blind Heidendom geboren en opgevoed, zoo een liefde voor de waarheid en het goede had, en daar door veel Christenen die tyt in overvloed hadden, om die waarheden te kunnen onderzoeken, beschaamde.

    Lees hier een prozahertaling van dit fragment als je wat hulp wilt met het achttiende-eeuwse Nederlands.

  3. Geef nu, op basis van deze twee fragmenten, een voorlopig antwoord op de vraag of Geschiedenis van een neger het bestaande discours beoogt te veranderen, of bevestigen. Het antwoord is voorlopig omdat je nog niet veel fragmenten uit het boek hebt gelezen, en ook het dominante discours alleen maar hebt leren kennen door twee tekstfragmenten van Cats en Focquenbroch. Maar toch: wat zou je hypothese zijn over de discours bevestigende dan wel veranderende functie van de tekst Geschiedenis van een neger? En op welke tekstpassage baseer je dat precies?

Je hebt nu een achttiende-eeuwse bijdrage aan het discours in enig detail leren kennen. In de volgende stap neem je de proef op de som: is je hypothese over de functie van de tekst houdbaar als je er meer fragmenten uit leest?

Stap 4: De lakmoesproef

In de vorige stap formuleerde je een hypothese over de functie van de tekst Geschiedenis van een neger. Hoe houdbaar is die?

Opdrachten

We hebben twee scenes uit De geschiedenis van een neger geselecteerd. Vorm een groepje, kies een fragment uit onderstaand rijtje en let op het beeld van de Ander dat hierin naar voren komt. Ga daarna met elkaar in gesprek over de vraag of de hypothese die je in de vorige stap opstelde, houdbaar is:

Je hebt nu een achttiende-eeuwse tekst bekeken. In de volgende stap gaan we naar twee negentiende-eeuwse Nederlandse teksten die geschreven werden vlak voor de slavernij in 1863 officieel afgeschaft werd in Nederland: een vertaling van de Amerikaanse roman Uncle Tom’s Cabin en een pamflet dat als reactie op die vertaling verschijnt. Beide teksten analyseer je met de analyseinstrumenten waarmee je in de vorige stappen al oefende.

Stap 5: Het vrije experiment

De Nederlandse vertaling van het oorspronkelijk Amerikaanse boek De negerhut van oom Tom verscheen in 1853. De Amerikaanse auteur Harriet Beecher Stowe beoogde met dat boek een bijdrage te leveren aan de afschaffing van slavernij. Ze beschreef hoe de gelovige slaaf Tom wordt gescheiden van zijn gezin als hij wordt verkocht, waarna hij terechtkomt bij de wrede meester Simon Legree. Legree laat Tom doodmartelen omdat hij weigert te vertellen waar twee slaven naartoe gevlucht zijn. Beecher Stowe kon dit boek niet schrijven zonder aan te haken bij het bestaande dominante westerlijke discours dat slavernij nog steeds gerechtvaardigd vond – denk aan het schilderij van Rochussen waarmee we begonnen. Hoe werd er in Nederland op Beecher Stowe gereageerd?

Opdrachten

  1. Lees dit fragment uit de eerste Nederlandse vertaling van Beecher Stowes boek uit 1853, Een kijkje in de hut van Oom Tom. Tom waakt hier bij een stervende witte vriend. Wijs aan hoe – met welke woorden, welke beelden – hier de Ander wordt beschreven. En in welk opzicht verschilt dit van het beeld zoals we dat uit Rochussens schilderij en Cats’ tekst leerden kennen? Zoek nu in Delpher, een database met Nederlandse kranten, hoe er op het verschijnen van dit boek werd gereageerd (in advertenties, recensies etc.). Zoektip: zet ‘Een kijkje in de hut van oom Tom’ tussen aanhalingstekens, zodat je precies op die titel zoekt. Kun je op basis van wat je vindt iets zeggen over het discours dat naar aanleiding van het verschijnen van dit boek in kranten ontstaat? Wie nam er deel aan het discours, op welke argumenten baseerde men zich om wat te betogen? Beschrijf dat in een essay van 500 woorden (exclusief bronvermeldingen).
  2. Nog in het jaar 1853 kwam een Nederlands pamflet uit van J. Wolbers, met de titel De slavernij in Suriname, of dezelfde gruwelen der slavernij, die in de ‘Negerhut’ geschetst zijn, bestaan ook in onze West-Indische koloniën!. Lees pagina 16 tot 19 uit dit pamflet (vanaf ‘Als een staaltje hoe wreed de tuchtigingen …. tot Matth. VII:1: ‘Alle dingen, die gij wilt dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo,’ bij ons, die ons roemen eene Christen-natie te zijn, nog zoo weinig doorgedrongen is.’) Hoe haakt Wolbers bij het bestaande dominante discours aan, en wat wil hij daaraan veranderen dan wel handhaven? Zoek nu meer uit over deze ‘J. Wolbers’. Wie was hij, uit welke sociale laag van de Nederlandse bevolking kwam zijn bijdrage aan het discours, hoeveel impact heeft hij gehad? Voor het beantwoorden van die laatste vraag kun je o.a. weer gebruik maken van Delpher Beschrijf je resultaten in een onderzoeksverslag van 800 woorden (exclusief bronvermeldingen).
  3. Lees een fragment uit Anton de Kom, Wij slaven van Suriname uit 1932, een vernietigende kritiek op het koloniale beleid van Nederland in Suriname. Hoe haakt De Kom aan bij het discours en hoe bekritiseert hij dat? Zoek uit wat De Koms achtergrond was, uit welke hoek levert hij een bijdrage aan het discours, en met welk effect? Beschrijf je resultaten in een onderzoeksverslag van 800 woorden (exclusief bronvermeldingen).

Verder Lezen

Ben je benieuwd naar mogelijkheden voor het schrijven van een profielwerkstuk over literatuur? Klik dan eens op de ‘Profielwerkstuk’-knop en lees enkele suggesties voor grotere onderzoeksvragen die je in een profielwerkstuk kunt uitdiepen.