Hoe werkt het?

In elke proefopstelling doorloop je 5 stappen:

1. De voorbereiding
2. De instrumenten
3. Het experiment
4. De lakmoesproef
5. Het vrije experiment

Noteer je antwoorden op de vragen op papier of in een Word-bestand.
Succes!

Wat heb je nodig?

Pen en papier of een leeg Word-bestand

Ga naar stap 1

Stap 1: De voorbereiding

Waarom is het voor de literatuuronderzoeker interessant te weten hoe lezers betekenis aan literatuur geven?

Als mensen een tekst lezen of een plaatje zien, geven ze daaraan vaak niet allemaal dezelfde betekenis. Hoe kan dat? Het korte antwoord op die vraag is: omdat de betekenis van teksten en plaatjes niet vaststaat. Een schrijver bepaalt niet hoe jij een tekst leest, een filmmaker niet hoe jij een film bekijkt. Maar het is ook niet zo dat jij de betekenis van een boek of film helemaal zelf kunt invullen. Want als je samen met klasgenoten een roman bespreekt, zul je merken dat je het over veel dingen wel eens wordt. Kennelijk is er toch iets wat bepaalt dat je een roman op een bepaalde manier leest.

Wat is dat ‘iets’? Dat is een vraag die literatuurwetenschappers al tientallen jaren bezighoudt. Het antwoord dat ze tot nu toe vonden, is dat betekenis ontstaat door relaties die er tussen teksten bestaan in een bepaalde taal, cultuur of literatuur. In deze proef leer je zulke betekenisrelaties onderzoeken, om zo uit te zoeken hoe betekenis geven werkt.

We nemen meteen een proef op de som. Bekijk de meme hieronder.

Je ziet een beeld uit de verfilming van het eerste deel uit de Lord of the Rings-trilogie. Daarin geeft het personage Boromir de waarschuwing: je kunt niet zomaar het land van de vijand binnenlopen (en toch is dat precies wat de hoofdpersonages Frodo en Sam gaan doen). Er bestaan talloos veel variaties op de oorspronkelijke waarschuwing van Boromir (kijk maar), waarbij ‘walk into Mordor’ vervangen is voor allerlei schijnbaar onmogelijke opgaves.

Deze meme ‘werkt’, zeggen literatuuronderzoekers, omdat de Lord of the Rings zo’n beroemde film is. En omdat er al duizenden vergelijkbare memes bestaan waarin Boromir waarschuwt voor van alles en nog wat. Je kunt deze meme niet begrijpen als je de relatie met al die variaties op hetzelfde plaatje niet kent. Dat blijkt als je het plaatje voorlegt aan iemand die de Lord of the Rings niet heeft gezien, of niet op de hoogte is van de herhaling van beelden waar de meme naar verwijst. Vraag bijvoorbeeld eens aan je opa of oma of ze kunnen uitleggen wat er grappig is aan deze meme: de kans is groot dat ze de betekenis niet zien, omdat ze de verbanden met de film en de variaties erop niet kennen.

Literatuuronderzoekers bestuderen de relaties tussen verhalen, romans, gedichten, toneelstukken, maar ook tussen rituelen, afbeeldingen, tradities als het Sinterklaasfeest enzovoorts. Ze nemen aan dat we de betekenis van rituelen, afbeeldingen en tradities op dezelfde ‘relationele’ manier kunnen beschrijven als de betekenis van teksten. Daarom kun je zeggen dat ze de hele wereld ‘lezen’ als een tekst. In deze proef ga je door deze bril naar betekenisrelaties kijken: hoe ontstaat betekenis, en welke rol spelen tekst, plaatjes en context zoals rituelen in dat proces?

Opdrachten

Schrijvers hebben dus niet het laatste woord over de betekenis van hun teksten. Maar dat wil niet zeggen dat ze geen enkele invloed uitoefenen op de betekenissen die zij bij lezers oproepen. In 1934 publiceerde de dichter Martinus Nijhoff het gedicht ‘Awater’. Daarin staan de beroemd geworden regels: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’. Deze dichter wil duidelijk dat je op zoek gaat naar betekenissen die niet zo voor de hand liggen. Hoe doet hij dat in zijn poëzie?

Vannacht zag ik, door ‘t raam op het balkon,
Waar ‘t maanlicht langs de natte planken glansde,
Voorbij de balustrade, een lampion
Van vreemd bleek licht, die in het donker danste,
Kantelen op den wind –
En plotseling
Herkende ik: zijn gelaat, dat met vermoeide
Wijd-open oogen daar voor ‘t venster hing
Terwijl de huid als dun doek openschroeide –

(bron: https://www.dbnl.org/tekst/nijh004verz05_01/nijh004verz05_01_0080.php#79)

  1. Lees het gedicht van Nijhoff in het uitklapmenu hierboven drie keer rustig door. De dichter geeft je als het ware de kans beelden in je hoofd te maken. Wat zijn die beelden: wat zie je voor je bij het lezen van dit gedicht?
  2. Nijhoff koppelt deze beelden aan elkaar in dit gedicht door het zinnetje ‘En plotseling herkende ik: zijn gelaat’. Om wiens gelaat gaat het volgens de beelden die jij in je hoofd had? Leg je antwoord uit.
  3. Vergelijk je antwoord bij vraag 2 met een klasgenoot. Zijn jullie het met elkaar eens? Hoe kan het dat er bij vraag 2 meerdere antwoorden mogelijk zijn: ligt dat volgens jou aan de dichter, het gedicht of aan jullie, de lezers?

Je hebt nu gezien dat schrijvers als Nijhoff je aansporen om een beschrijving van iets (een lampion) te koppelen aan iets anders (‘gelaat (=gezicht), […] met vermoeide […] oogen’). De dichter legt zo een relatie tussen twee beelden, nodigt je uit te bedenken waarom dat gelaat zo op die lampion lijkt. Hij zet je zo aan het denken over dat wat er niet staat, maar legt je niet één bepaalde betekenis in de mond. Hetzelfde gebeurt in de meme van Boromir: het plaatje legt een relatie met het verhaal van Lord of the Rings en met alle varianten van dat plaatje op het internet. Alleen door die relaties krijgt het plaatje betekenis.

In de volgende stap bespreken we de termen waarmee je kunt beschrijven hoe zulke relaties tussen beelden en teksten ontstaan.

Stap 2: De instrumenten

Een vraag en instrumentarium
Als je een antwoord wilt vinden op wetenschappelijke vragen, moet je eerst weten wat precies je vraag is. Daarna heb je instrumenten nodig waarmee je heel precies kunt beschrijven wat je onderzoekt: definities die het voor jezelf, maar ook voor anderen duidelijk maken waar je naar kijkt. Je kunt beter discussiëren met elkaar als je op dezelfde manier, met dezelfde instrumenten, analyseert. Als vraag nemen we in deze proef: ‘hoe krijgen teksten en plaatjes betekenis?’. Als instrumenten gebruiken we de begrippen ‘teken’, ‘betekenis’, ‘denotatie’ en ‘connotatie’.

De termen ‘teken’ en ‘betekenis’ uitgediept

Het wetenschappelijk onderzoek naar het verband tussen taal en betekenis heeft veel gehad aan de Zwitserse taalwetenschapper Ferdinand de Saussure (1857–1913). Die stelde dat elk woord:

    1. een teken is dat je kunt zien, en een klank heeft als je het woord uitspreekt;
    2. een betekenis heeft die in je hoofd bij dat woord hoort.

Het verband tussen teken en betekenis is volgens De Saussure willekeurig. Dit wil zeggen dat het woord ‘boom’ niet vanzelf duidelijk maakt wat de betekenis van ‘boom’ is. Het verband wordt gelegd door een afspraak tussen mensen: we gebruiken de klank ‘boom’ en de lettercombinatie b-o-o-m als we verwijzen naar zo’n ding in de tuin met takken en bladeren. Mensen maken ingewikkelde afspraken: soms kan één teken meer betekenissen hebben (‘bank’ is zowel ‘bankgebouw’ als ‘zitbank’). En figuurlijke betekenissen: een ‘boom’ hoeft niet altijd een boom te zijn zoals je die in de tuin ziet. En ook verschuiven betekenissen in de loop van de tijd.

De termen ‘denotatie’ en ‘connotatie’ uitgediept
Als tekens niet vastliggen en betekenis niet stabiel is, hoe geven lezers tekens dan toch vaak dezelfde betekenis? Dat werd de leidende vraag van de semiotiek (=de studie van het gebruik van tekens).

De meest voor de hand liggende betekenis die in je opkomt als je een teken ziet of leest, noemt de semiotiek de ‘denotatie’ van het teken. Daarnaast heeft een teken ‘connotaties’: betekenissen die het teken ook oproept, maar die minder voor de hand liggen. Bij figuurlijk gebruikte tekens is het heel duidelijk dat connotaties een grote rol spelen. Bijvoorbeeld: als iemand ‘een boom van een vent’ genoemd wordt, is het duidelijk dat die persoon niet een boom in de tuin is. De man wordt met een boom vergeleken zodat je in je hoofd gaat nadenken over hoe een boom en deze man op elkaar lijken. Je zult denken: ‘die man is heel lang’ of ‘de man is heel groot’.

Connotaties zijn niet vaag of willekeurig want ze worden opgeroepen door relaties die er tussen tekens bestaan. In het geval van ‘een boom van een vent’, is die relatie er omdat ‘een boom van een vent’ een vaste uitdrukking is. Mensen weten dat als andere mensen die vaste uitdrukking gebruiken, ze een figuurlijke betekenis aan het teken ‘boom’ moeten geven.

Op dezelfde manier kun je de betekenisrelaties van de meme van Boromir begrijpen: de denotatie van de zin ‘walk into mordor’ is het binnendringen van het vijandelijke gebied Mordor uit de fantasiewereld van Lord of the Rings. Maar door de meme werd de zin ‘walk into Mordor’ het symbool voor een schijnbaar onmogelijke opgave. In de context van de meme hebben internetgebruikers een nieuwe afspraak gemaakt over de betekenis van Boromirs waarschuwing. Zo zijn er nieuwe connotaties ontstaan rondom de tekens ‘walk into Mordor’.

Teken
‘Het uiterlijk en de klank van een woord.’
Betekenis
‘De gedachte die in je hoofd bij het teken hoort.’
Denotatie
‘De meest voor de hand liggende betekenis van een teken (daar waar je meteen aan denkt als je het teken ziet).’
Connotatie
‘Minder voor de hand liggende betekenissen van een teken (waar je aan denkt als je langer over het teken nadenkt, of waar je aan denkt door de context waarin een teken gebruikt wordt).’

Opdrachten

De voorloper van de moderne meme is het embleem: een combinatie van een plaatje, korte spreuk en een wat langere tekst. Dat embleem ontstond in het zestiende-eeuwse Italië, en werd in zeventiende-eeuws Nederland erg populair.

In 1614 bracht de Amsterdamse koopman en schrijver Roemer Visscher het boek Sinnepoppen uit (de titel betekent iets als: ‘beelden met/van betekenis’). Visscher wilde het zijn lezers niet al te gemakkelijk maken, zo schreef hij in het voorwoord van de Sinnepoppen. Hij had de lezers eigenlijk alleen maar een afbeelding met een korte tekst willen geven, maar zijn uitgever dacht dat geen mens zou begrijpen welke betekenis het geheel dan had. Dus heeft hij ook langere tekstjes toegevoegd. Dat geeft ons een goede kans om te bekijken welke relaties hij zijn lezers liet leggen.

  1. Bekijk en lees het embleem van Roemer Visscher, over de Hollandse noodzaak om huizen op palen te bouwen omdat ze anders verzakken. Wat zijn de denotatie en connotaties van het plaatje en de tekst volgens jou? Tip: beschrijf in steekwoorden alle ideeën die in je opkomen terwijl je de tekst leest en het plaatje bekijkt. Probeer daarna een onderscheid te maken tussen steekwoorden waarnaar het embleem letterlijk verwijst (de denotaties) en steekwoorden die het embleem indirect oproept (de connotaties).
  2. De literatuuronderzoeker Bernhard Scholz heeft betoogd dat Visscher in de Sinnepoppen veel beelden gebruikt die te maken hebben met winst en het verdienen van een inkomen. Visscher legde dus relaties tussen wat zijn Amsterdamse lezers om zich heen zagen: bijvoorbeeld de enorme grachtenpanden die gebouwd werden, als gevolg van die rijkdom. Kijk nu eens terug naar je antwoord bij vraag 1. Welke connotaties kun je aan jouw lijstje met steekwoorden toevoegen nu je meer weet over de context van dit type emblemen?

In deze stap heb je het embleem van Visscher over het heien gelezen als een afbeelding en een tekst die iets zeggen over andere beelden die lezers in het Amsterdam van 1614 om zich geen zagen. Zo heb je niet alleen de directe betekenis van het embleem bepaald (de denotatie), maar ook aanvullende betekenissen (connotaties). Daarnaast heb je gezien wat het belang van context is voor die connotaties. In de volgende stap gaan we zien hoe schrijvers kunnen spelen met bestaande connotaties.

Stap 3: Het experiment

Emblemen zoals die van Visscher maken nieuwe betekenissen omdat ze – door de combinatie van afbeeldingen en woorden – uitnodigden om op een nieuwe manier naar de dagelijkse werkelijkheid te kijken. Ze leggen de relatie met die dagelijkse werkelijkheid (context), die zo ook een onderdeel wordt van de tekst die je leest.

Als die nieuwe betekenissen eenmaal bestaan, kan een volgende schrijver daar weer mee aan de slag. Want: iemand die weet hoe Visscher naar een heipaal keek, zal voortaan die betekenis als eerste in het hoofd krijgen wanneer hij/zij een heipaal ziet. De connotaties van een embleem van Visscher kunnen daarna dus een denotatie worden: het eerste waar je aan denkt als je een plaatje van een heimachine ziet. Zoiets heb je ook gezien in de meme van Boromir. Dit ene plaatje zet de deur open naar eindeloos veel variaties met vergelijkbare betekenissen. Door die herhaling verandert uiteindelijk de denotatie van de meme: het zal moeilijk zijn om de film nog een keer te zien zonder eerst aan dit plaatje te moeten denken.

Aan de hand van een embleem van Visscher en een modern embleem van Drijfhout en Escher bestudeer je in deze stap hoe connotaties denotaties worden en hoe het oude genre van het embleem in de jaren 1930 weer met nieuwe betekenissen verrijkt werd.

Opdrachten

  1. Bestudeer nu dit embleem van Visscher. Omschrijf weer wat je leest en ziet. Wat zijn hier denotatie en connotatie? Zie je ook in dit embleem een verband met economie, geld verdienen etc. in 1614?
  2. Lees nu dit fragment uit het tweede deel van de pornografische roman De doorluchtige daden van Jan Stront uit 1696. De hoofdpersoon bezoekt een bordeel, en wordt daar uitgenodigd naar een ‘gat’ te kijken. Beschrijf zo precies mogelijk hoe deze tekst een nieuwe betekenis introduceert van de uitdrukking ‘door een gat kijken’ die toenmalige lezers van Visschers embleem kenden? Gebruik in je antwoord de woorden ‘betekenis’, ‘connotatie’ en ‘context’.

Het embleem is als genre nu niet meer zo populair. Toch verscheen er nog in 1932 een embleembundel die de Utrecht hoogleraar kunstgeschiedenis Hoogewerff (onder het pseudoniem ‘Drijfhout’) maakte met de beroemde kunstenaar Escher: XXIV Emblemata, dat zijn zinne-beelden (zinnebeeld is het zeventiende-eeuwse woord voor ‘afbeeldingen met betekenis’). Daarmee keerde het oude genre weer terug in een nieuwe vorm, het werd een soort meme van een meme!

  1. Bekijk en lees dit embleem uit XXIV Emblemata. Benoem denotatie en connotatie(s) van wat je leest en ziet.
  2. Hoogewerff woonde in Italië toen hij deze bundel in 1932 uitbracht. Het fascisme van Mussolini beheerste daar toen in toenemende mate het leven en het straatbeeld. Dat laatste ook letterlijk: Mussolini liet net als Hitler veel nieuwe wegen aanleggen bij wijze van werkverschaffing en om de infrastructuur van het land te ontwikkelen. Bedenk wat tegen die achtergrond de connotatie van dit embleem kan zijn en beschrijf weer hoe deze context de connotaties van het embleem verandert.

Je hebt nu gezien hoe denotaties van tekens in de loop van de tijd veranderen. Ook heb je beschreven hoe makers van emblemen heel bewust combinaties van afbeeldingen en tekst maakten die nieuwe connotaties tot stand brachten. In de volgende stap ga je deze kennis toepassen in een essay-opdracht over een heel ander genre: juridische teksten.

Stap 4: De lakmoesproef

Semiotici gaan er vanuit dat betekenis altijd tot stand komt via het proces van denotatie en connotatie(s). Ook als een schrijver dat niet zo bedoelt. Je hebt nu voldoende kennis opgebouwd om dat proces van denotatie en connotatie te kunnen beschrijven. Nu pas je die kennis toe op genres waarin schrijvers juist zoveel mogelijk controle willen behouden over het proces van denotatie-connotatie. Onder welke voorwaarden krijgt een auteur meer controle over dit proces?

Opdrachten

De jurist Dusarduijn schreef in het Weekblad Fiscaal Recht 2019 (7314), 1-2 een artikel waarin de problematiek taal en teken vanuit een heel andere kant benaderd wordt. Lees haar artikel ‘Lees maar, er staat niet wat er staat‘; en benoem in een kort essay van 500 woorden de verschillen en overeenkomsten tussen juridische teksten en emblemen en besteedt met name aandacht aan de manier waarop beide type teksten omgaan met denotatie en connotatie.

Stap 5: Het vrije experiment

In het vrije experiment is er ruimte om de kennis die je hebt opgedaan op een creatieve manier te verwerken. Je hebt nu verschillende emblemen bekeken en geleerd hoe betekenis ontstaat en verandert in teksten, memes, films et cetera. Die kennis komt van pas in deze opdracht, waarin je zelf een embleem gaat maken.

Opdrachten

Verder lezen

  • Martinus Nijhoff, ‘Awater’. In: Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn). Prometheus / Bert Bakker, Amsterdam 1995, p. 233-242 en 436.
  • ‘Emblemata’, Escher in het Paleis.
  • Bernhard F. Scholz, ‘De “economische sector” in Roemer Visschers Sinnepoppen.’ In: De zeventiende eeuw 6 (1990), p. 17-26. Online.
  • Arie Jan Gelderblom, ‘De maagd en de mannen. Psychokritiek van de stadsuitbeelding in de zeventiende en achttiende eeuw.’ In: Arie Jan Gelderblom, Mannen en maagden in Hollands tuin. Interpretatieve studies van Nederlandse letterkunde 1575-1781. Amsterdam, 1991, p. 78-93. Online.

Ben je benieuwd naar andere mogelijkheden voor het schrijven van een profielwerkstuk over literatuur? Klik dan eens op de ‘Profielwerkstuk’-knop en lees enkele suggesties voor grotere onderzoeksvragen die je in een profielwerkstuk kunt uitdiepen.