Hoe werkt het?

In elke proefopstelling doorloop je 5 stappen:

  1. De voorbereiding
  2. De instrumenten
  3. Het experiment
  4. De lakmoesproef
  5. Het vrije experiment

Noteer je antwoorden op de vragen op papier of in een Word-bestand.

Wat heb je nodig?

  • Pen en papier of een leeg Word-bestand
Ga naar stap 1

Stap 1: De voorbereiding

Sinds 2000 kent Nederland een Dichter des Vaderlands. Die schrijft in het NRC Handelsblad gedichten over de actualiteit. Om de zoveel jaar wordt er een bekende dichter gekozen tot Dichter des Vaderlands. Tussen 2009 en 2013 was het de beurt aan Ramsey Nasr. Hij solliciteerde naar de functie van Dichter des Vaderlands met een gedicht. Dat had de titel:

‘Ik wou dat ik twee burgers was (dan kon ik samenleven)’

De rest van het gedicht kun je lezen als een aanklacht tegen de ‘alomaanwezige schreeuwhomp’ waarin het Nederlandse volk veranderd zou zijn. De ‘ik’ in het gedicht stelt vast dat Nederland in de afgelopen eeuwen een verdeeld land geworden is. Nu woont er een egoïstisch ‘hummervolk’ dat het samenleven verleerd is. Maar in de laatste regels biedt het gedicht hoop. Met poëzie kunnen we weer nader bij elkaar komen. Tenminste, met een Dichter des Vaderlands als Nasr die ‘rijm voor rijm een land zou bouwen / voor dit volk dat zijn volk mist.’

Nasr claimde in dit gedicht veel te kunnen als dichter, en hij laat in de vorm van het gedicht meteen zijn vakmanschap zien. Lees het volgende gedicht uit 1954 maar eens. We weten niet zeker wie het schreef, waarschijnlijk was dat Michel van der Plas:

Spleen

Ik zit mij voor het vensterglas

onnoemlijk te vervelen.

Ik wou dat ik twee hondjes was,

dan kon ik samen spelen.

De titel die Nasr voor zijn gedicht koos, is een variatie op de laatste twee  regels van dit gedicht uit 1954. Een knappe variatie. Nasr herhaalt niet alleen woorden, hij speelt ook met de beelden uit het gedicht van 1954. In dat gedicht zit de ‘ik’ bijvoorbeeld achter het glas. In het gedicht van Nasr stapt die ‘ik’ juist achter het glas vandaan: deze ‘ik’ wil iets groots verrichten, en met zijn poëzie de samenleving verbeteren. En de ‘ik’ (in vaktermen noemen we dat: ‘het lyrisch subject’) wil geen hondjes zijn maar búrgers. Het wil niet zomaar vrijblijvend spelen maar sámenleven. Je kunt Nasrs titel ook lezen met de nadruk op ‘twee’: de individualistische burger wenste dat hij twee burgers was, dan zou hij tenminste weten hoe je moet samenleven.

Ook weer in vaktermen zeggen we: Nasr schreef met dit ene zinnetje een parodie op het gedicht van Van der Plas. Met zijn parodie zette hij zich af tegen het type dichter dat zich verveelt achter vensterglas, zoals de ‘ik’ uit ‘Spleen’.

In deze proef doe je onderzoek naar parodie in poëzie. Je bestudeert poëzie die eerdere gedichten parodieert. Wanneer en waardoor is zo’n parodie geslaagd? In het voorbeeld van Nasr helpt het bijvoorbeeld dat je als lezer de verwijzing naar het gedicht ‘Spleen’ herkent. Dan zie je tegen wie de parodie gericht is. En wat het doel is van parodie. In deze proef onderzoek je meer vormen van parodie.

Opdrachten

  1. Wat is parodie volgens jou precies? Overleg met je buurman of buurvrouw over deze vraag en formuleer samen een definitie in je eigen woorden.
  2. Lees het gedicht ‘Spleen’ nogmaals. Je kunt ‘Spleen’ zelf ook lezen als een parodie. Zoek op het internet naar een definitie van het woord spleen en leg uit of dit gedicht zelf ook parodieert, en zo ja, hoe.

In deze stap heb je kennisgemaakt met een manier waarop poëzie de vorm van een parodie kan krijgen. In de volgende stap krijg je instrumenten aangereikt waarmee je dit verschijnsel systematisch kunt onderzoeken.

Stap 2: De instrumenten

Een vraag en instrumentarium 
Als je een antwoord wilt vinden op wetenschappelijke vragen, moet je eerst weten wat precies je vraag is. Als hoofdvraag hebben we in deze proef: ‘hoe werkt de parodievorm in moderne Nederlandse poëzie?’ Vervolgens is het belangrijk te definiëren wat je precies onderzoekt. Zulke definities (ook wel: vaktermen) zijn in dit onderzoek je instrumentarium. Het zijn eenduidige begrippen of concepten die het voor jezelf, maar ook voor anderen duidelijk maken waar je naar kijkt en hoe je dingen noemt. In de vorige stap heb je al een eerste aanzet gedaan om tot een definitie van ‘parodie’ te komen. In deze stap scherpen we die definitie aan. We introduceren naast ‘parodie’ de termen ‘satire’ en ‘ironie’ zodat je die kunt gebruiken om je begrip te vergroten van wat de parodievorm is.

De concepten ‘satire’, ‘ parodie’ en ‘ironie’ uitgediept

Parodie is een wapen dat veel gebruikt wordt door makers van ‘satire’. Satire is  een eeuwenoude strategie om iets of iemand te bespotten. De neerlandici Marijke Meijer Drees en Ivo Nieuwenhuis definiëren het als ‘het spottend aanvallen van hooggeplaatste personen, heilige huisjes en taboes’. De parodie is een middel waarmee je heel goed satire kunt maken: je doet iemand of iets na op een manier die aan het lachen maakt, maar ook aan het denken zet. Kenmerk is dat parodieën altijd iemand of iets imiteren: een ander werk, een persoon, een instelling enzovoorts. Ze hebben altijd een subject (degene die parodieert), een object (datgene wat of diegene die geparodieerd wordt) en een publiek (een lezer, luisteraar of kijker). Elk van deze factoren geeft op zijn eigen manier betekenis aan de parodie. Dat kun je gaan onderzoeken.

Een veelgebruikte stijlfiguur van de parodie is de ironie. De literatuurwetenschappers Erica van Boven en Gillis Dorleijn stellen dat ‘een uiting ironisch [is] als er een afstand bestaat tussen wat er gezegd wordt en wat er bedoeld wordt’. Ironie vormt een van de vaste ingrediënten van de parodie. Dat brengt ons bij een probleem dat satire, parodie en ironie gemeen hebben: om dergelijke uitingen te laten slagen, is bepaalde voorkennis nodig van de lezer of de kijker. Je moet het object van spot kennen en je moet snappen waarom en hoe dat object bespot wordt. Dat maakt het onderzoek naar (met name historische) parodie en satire lastig: de voorkennis is vaak erg tijd- en situatiegebonden. Wanneer die context niet meer beschikbaar is, gaat de ironie aan je verloren. Met dat gegeven moeten we rekening houden in ons onderzoek naar parodie. Je zag in stap 1 al hoe snel dat gaat: kende je het gedicht uit 1954 al, of is dat voor jou ‘historische context’, iets van het verleden?

Satire
‘Het spottend aanvallen van hooggeplaatste personen, heilige huisjes en taboes.’
Parodie
‘Een werk dat een ander, origineel werk imiteert met als doel (een aspect van) dat origineel te bespotten of bekritiseren.’
Ironie
‘Een uiting waarin er een afstand bestaat tussen wat er gezegd wordt en wat er bedoeld wordt.’

Opdrachten

  1. Vergelijk je definitie van ‘parodie’ uit stap 1 met wat je nu weet over dit verschijnsel. Beschrijf een verschil en een overeenkomst.
  2. Lees dit satirische bericht van De Speld over de tweets van Donald Trump. Beschrijf wie hier parodieert, wie of wat er geparodieerd wordt en wie het publiek is van deze parodie.
  3. De Speld gaat uit van enige voorkennis (over Trump, Rutte, hun ontmoeting etc.) bij de lezer. Beschrijf welke kennis je allemaal nodig hebt om deze parodie te snappen. Wees daarbij zo volledig mogelijk.

In deze stap heb je je eigen intuïties over parodie aangescherpt met bestaande definities. Daarnaast heb je verkend wat de rol van voorkennis is voor de werking van parodie. In de volgende stap gaan we wat je geleerd hebt op poëzie toepassen.

Stap 3: Het experiment

Nu je bekend bent met de instrumenten om parodie te onderzoeken, kun je zelf aan de slag. In deze stap experimenteer je met gedichten die andere gedichten nabootsen. Je onderzoekt of er sprake is van parodie. Ook bepaal je wat mogelijk de consequenties zijn van de parodie voor de betekenis van het gedicht.

Opdrachten

  1. Lees het gedicht ‘Zie je ik hou van je’ van Herman Gorter in het uitklapmenu hieronder. Lees vervolgens onderstaand kader over deze dichter. Bijna een eeuw nadat Gorter dit gedicht schreef, publiceerde Ingmar Heytze het gedicht ‘Hoor eens ik haat je’, dat hieronder naast Gorters gedicht is weergegeven. Wat valt je op?

ZIE je ik hou van je,
ik vin je zo lief en zo licht —
je ogen zijn zo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.En je neus en je mond en je haar
en je ogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.O ja, ik hou van je,
ik hou zo vrees’lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen —
Maar ik kan het toch niet zeggen.Uit: Herman Gorter, Verzen (1890)
Hoor eens ik haat je,
ik schreef dat je lief was en licht –
en nog wat onzin over je gezicht
maar nu haat ik je, god wat haat ik je.Die neus, dat hoofd, die paardenbek,
die ogen en die gierennek
dat kraagje en dat bloemkooloor
met al je slierten haar er voor.Hoor eens ik wou graag zijn
jou, maar het kon niet zijn,
het licht is uit, ik zie je alsnog
zoals je werkelijk bent.O ja, ik haat je,
ik haat je zo vreselijk,
ik wou het helemaal niet zeggen –
maar ik moest het even kwijt.Uit: Ingmar Heytze, Alle goeds (2001)


Herman Gorter (1864-1927)
Herman Gorter was een dichter die tot de beweging van de ‘Tachtigers’ behoorde, een groep dichters met een eigen stijl die opkwam in de jaren 1880. Hun poging om de ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ in poëzie te vatten is tot op de dag van vandaag zeer invloedrijk geweest. Gorters gedicht ‘Zie je ik hou van je’ kun je zien als een verkenning van de grenzen die de taal oplegde aan het artistieke doel van de Tachtigers: de woorden ‘ik hou van je’ zijn een uiting van de ‘allerindividueelste’ emotie, maar tegelijkertijd zijn ze gevat in een nogal ingesleten formule. De poëzie barst tenslotte van de liefdesgedichten met de woorden ‘ik hou van je’ of variaties daarop. Het is niet bepaald de ‘allerindividueelste expressie’.

  1. Leg beide gedichten naast elkaar en vergelijk de structuur ervan. Beide gedichten hebben exact evenveel strofen en ook evenveel regels. Gebruik voor je vergelijking deze tabel.
  2. Schrijf een interpretatie van 150 woorden waarin je onderbouwt (1) waarom Heytze’s gedicht wel of niet als parodie gelezen kan worden en (2) hoe de betekenis van dat gedicht verandert door de verwijzing naar (of parodie op) het gedicht van Gorter. Betrek in je antwoord het kader over Gorters poging om ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ te vinden: hoe gaat Heytze daarmee om?

In deze stap heb je zelf onderzoek gedaan naar een gedicht dat mogelijk als parodie gelezen kan worden. Je hebt geleerd hoe de verwijzing naar het geparodieerde werk de betekenis van de parodie kleurt.

Stap 4: De lakmoesproef

In deze stap pas je de kennis die je opdeed tijdens het experiment toe op het gedicht ‘Het monster van de angst’ van Anne Vegter en ‘Aan Rika’ van de negentiende-eeuwse dichter Piet Paaltjens. In groepjes ga je in discussie over de ironische of parodiërende aspecten van deze gedichten.

Opdrachten

Maak opdracht 1 tot en met 4 alleen. Bewaar je notities goed, je hebt ze verderop in deze stap nodig!

  1. Toen Anne Vegter Dichter des Vaderlands was, schreef zij naar aanleiding van de aanslagen in Parijs van 13 november 2015 het gedicht ‘Het monster van de angst’ (zie het uitklapmenu hieronder). Vergelijk dat gedicht met de beroemde zinnen ‘Kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen,/ en herhaal ze honderd malen: / alle malen zal ik wenen’ uit het gedicht ‘Vrede’ van Leo Vroman (zie het uitklapmenu hieronder). Lees beide gedichten en noem één overeenkomst en één verschil daartussen.

Het monster van de angst

kom vanavond uit je huizen,

tien keer honderd, duizenden

slecht vanavond alle grenzen

sluit je aan bij al die mensen

die verhalen van hun harten

die op zaterdag verschroeiden

aan de kranten die ontvlamden

in miljoenmiljoenen handen

kom vanavond uit je huizen

tien keer honderd, duizenden

stemmen gaan over pleinen

scherper, luider, groter, kleiner:

om de angst nu af te leren

die ons vreet, ons wil verteren

kom vanavond uit je huizen,

honderden maal duizenden

om dat monster te bezweren

 

Anne Vegter, NRC Handelsblad, 17 november 2015.

Vrede

Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede’, ‘vrede’.

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilte voeten,
dat we, eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillen in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door een huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen van vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwenlange stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Leo Vroman, Uit slaapwandelen (1957)

  1. Is er sprake van parodie in dit geval? Waarom wel of niet? Gebruik in je antwoord de definitie uit stap 2.
  2. Waarom kiest Vegter versregels die de regels uit juist dit gedicht van Vroman lijken te imiteren? Leg uit hoe de betekenis van ‘Vrede’ via deze imitatie dan wel parodie (dat hangt af van je antwoord op de vorige vraag) doorwerkt in ‘Het monster van de angst’.
  3. Lees het gedicht ‘Aan Rika’ van Piet Paaltjens in het uitklapmenu hieronder. Lees daarna het kader over Piet Paaltjens in het uitklapmenu hieronder. Noteer voor jezelf wat je van dit gedicht vindt, vind je het mooi? Wat denk je dat de dichter wil bereiken met dit gedicht?

Aan Rika

Slechts eenmaal heb ik u gezien. Gij waart
gezeten in een sneltrein, die de trein,
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg, om mij
Het eindloos levenspad met fletse lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom ook hebt gij van dat blonde haar
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zo voorbijgesneld,
En niet, als ‘t weerlicht, ‘t rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder hels geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?

Piet Paaltjens, Snikken en grimlachjes (1867)

‘In [zijn] gedichten laat Piet Paaltjens (pseudoniem van François Haverschmidt) zich kennen als een sentimenteel type dat zijn droefenis slechts de baas kan door met een bittere lach zijn gevoeligheid, vooral op amoureus terrein, de mond te snoeren. Vrijwel elke snik – en er vloeien heel wat tranen – vraagt om een grimlachende toonzetting. Piet Paaltjens gedijt bij de overdrijving, leeft bij de hyperbool. Hij plengt geen traan, maar laat een hele stoep ‘weer nat’ achter van het schreien over een onbeantwoorde liefde. Niets lijkt hem zaliger dan om met Rika ‘onder helsch geratel en gestamp [..] verplet te worden door één trein’ Om het beeld van de ongelukkige dichter, alle ridiculiseringen ten spijt, zo scherp mogelijk te tekenen, bedient de auteur zich van het rijke arsenaal van de retorica: ironie, zelfironie, wellicht parodieën, humoristische kortsluitingen, een afwisseling van het hoge en het platvloerse en het poëtische en het gruwelijke.’

Uit: Willem van den Berg & Piet Couttenier, Alles is taal geworden, (2009) p.531.

Voor de volgende opdrachten vorm je groepjes met drie personen. Iedereen uit jouw groepje krijgt een eigen rol. De rollen die je mag verdelen zijn die van notulist, woordvoerder en presentator. De notulist houdt alles bij wat jouw groepje bespreekt, de woordvoerder bespreekt namens jouw groepje alle bevindingen en de presentator zorgt ervoor dat de eindpresentatie gegeven wordt.

Als de rollen verdeeld zijn, maak je met je groepje eerst opdracht 5 en 6. Daarna gaan jullie je antwoorden uitwisselen met andere groepjes door middel van de expertvorm. Dat doen we zo:

  • De woordvoerders van elk groepje (hij/zij alléén) wisselen van groepje en nemen de notulen van hun groepje mee. Zij leggen aan het nieuwe groepje uit wat hun oude groepje heeft bedacht.
  • De andere twee blijven zitten om de woordvoerders van andere groepjes aan te horen. De notulist maakt aantekeningen. Dit herhaal je twee keer. Je krijgt hier per wissel vijf minuten de tijd voor.
  • Na de twee wissels krijgen de presentatoren van elk groepje 1 minuut de tijd om (op basis van de notulen) aan de klas kort te presenteren wat zij hebben geleerd van de interpretaties van andere groepjes.

Heb je een groepje en zijn de rollen verdeeld? Ga dan verder met de volgende opdrachten.

Opdrachten

  1. Vergelijk jullie individuele antwoorden op opdracht 1 tot en met 3. Schrijf daarna (in de notulen) samen in 100 woorden een gezamenlijke conclusie waarin jullie uitleggen of ‘Het monster van de angst’ een parodie is van ‘Vrede’ en hoe deze verwijzing mogelijk van invloed is op de betekenis van Vegters gedicht.
  2. Welke elementen van parodie zien jullie terug in het gedicht van Piet Paaltjens? Zien jullie ook voorbeelden van ironie? Formuleer samen weer een conclusie van 100 woorden op basis van jullie individuele antwoorden en verwijs daarbij naar relevante passages uit het gedicht.

In deze stap heb je de proef op de som genomen: je hebt de instrumenten die hiervoor aan bod zijn gekomen toegepast op gedichten van Anne Vegter en Piet Paaltjes. Zo heb je de werking van parodie in poëzie in de praktijk ervaren. In de volgende stap ga je zelf een parodie schrijven op een gedicht naar keuze.

Stap 5: Het vrije experiment

In de voorgaande stappen heb je kennis gemaakt met enkele voorbeelden van parodie in de moderne Nederlandse poëzie. Je hebt gezien dat een parodie niet alleen de vorm van een ander werk imiteert, maar ook een deel van de betekenis van dat werk overneemt of verandert.

In deze laatste stap ga je zelf de strijd aan: je brengt in de praktijk wat je in de vorige stappen hebt geleerd door individueel een parodie te schrijven. Dat schrijven doe je in verschillende stappen. Aan de volgende eisen moet je je houden:

  • Je parodie mag circa 200 woorden lang zijn.
  • Je maakt gebruik van de kennis die je hebt opgedaan in de vorige stappen.

Opdrachten

  1. Zoek zelf een gedicht uit dat je mooi vindt, of waarvan je denkt dat het zich goed laat parodiëren. Je kunt zoeken in dichtbundels, bloemlezingen, het online archief van de Dichters des Vaderlands, of natuurlijk op het internet, bijvoorbeeld op gedichten.nl.
  2. Zoek vervolgens wat achtergrondinformatie over het gedicht: wie is/ was de dichter, wanneer of ter gelegenheid waarvan werd het gedicht geschreven?
  3. Schrijf een eerste aanzet van een parodie op je gedicht naar keuze, op basis van wat je nu weet over de dichter. Stel jezelf daarbij ter ondersteuning de volgende vragen: wat zou het onderwerp van het gedicht kunnen zijn? Wat weet ik daarover? Hoe zou ik dit kunnen parodiëren? Kan ik woorden bedenken die rijmen? Welke kenmerken van het geparodieerde gedicht neem ik over en welke niet? Maak je tijdens het schrijven geen zorgen over spelling, grammatica, mooie zinnen en dergelijke. Het gaat vooral om de inhoud.
  4. Vorm een groepje met twee of drie klasgenoten. Lees om de beurt het gedicht van jullie keuze hardop voor. Lees daarna elkaars aanzetten tot een parodie op het gekozen gedicht. Bespreek de verschillen. Vertel elkaar waarom je bepaalde keuzes hebt gemaakt. Maak daarbij gebruik van wat je nu weet uit voorgaande stappen. Geef vervolgens feedback op elkaars aanzet.
  5. Herschrijf je aanzet nu tot de uiteindelijke versie op basis van de feedback van je klasgenoten.
  6. Als iedereen klaar is, krijgt iedereen 2 minuten de tijd om zijn of haar gedicht hardop voor te dragen.

Verder lezen

  • Marijke Meijer Drees & Ivo Nieuwenhuis, ‘De macht van satire: grenzen stellen, grenzen testen’, in: Nederlandse letterkunde 15-3 (2010), pp. 193-220.
  • Ivo Nieuwenhuis, Onder het mom van satire. Laster, spot en ironie in Nederland, 1780-1800. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Hilversum: Verloren, 2014.
  • Willem van den Berg & Piet Couttenier, Alles is taal geworden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1800-1900. Amsterdam: Bert Bakker 2009.

Ben je benieuwd naar andere mogelijkheden voor het schrijven van een profielwerkstuk over literatuur? Klik dan eens op de ‘Profielwerkstuk’-knop en lees enkele suggesties voor grotere onderzoeksvragen die je in een profielwerkstuk kunt uitdiepen.