Spelregels

In deze leesclub discussieer je met een groepje van 4 tot 6 lezers over Spaanse Brabander van G. A. Bredero. Je doet dat aan de hand van kaartjes met vragen over de tekst. De leesclub begint met een korte inleiding, die een van de spelers voorleest. Daarna volgen 4 rondes:

  1. Ronde 1 bestaat uit 5 quizvragen over de tekst. Een van de spelers leest de vragen voor en alle spelers (inclusief voorlezer) schrijven hun antwoorden op een blaadje. Na het omdraaien van de laatste vraag verschijnen de juiste antwoorden in beeld. Daarna berekent iedereen zijn score.
  2. Ronde 2 is een algemeen vragenrondje over de tekst: de spelers benoemen om de beurt wat ze onduidelijk vonden en proberen samen een antwoord te vinden. Als de grootste onduidelijkheden opgelost zijn, begint ronde 3.
  3. Degene met de meeste goede antwoorden op de quizvragen mag als eerste een kaartje van de discussievragen omdraaien van een stapel naar keuze. Hij of zij geeft antwoord op de vraag, waarna de rest mag reageren. Vervolgens kiezen de overige spelers om de beurt een kaartje van een van beide stapels. Als een discussievraag herhaalt wat eerder in het gesprek al aan bod gekomen is, mag de speler die aan de beurt is een volgende kaart omdraaien. Dit gaat zo door totdat alle kaartjes omgedraaid zijn.
  4. Aan het einde van de discussie komen de spelers samen tot een oordeel over de tekst. In ronde 4 geven ze een oordeel uitgedrukt in sterren en motiveren zij hun keuze.

Inleiding

Wie brachten het slechte en schoven het goede aan de kant? Wanneer ik dit alles goed overdenk, lijkt het mij dat wij toch het slechtst uit zijn met deze verhuizerij. Wat voor contracten wij ook met vreemdelingen sluiten, ze weten ons Amsterdammers altijd uit te buiten.

De Spaanse Brabander is een komedie uit 1618 van G.A. Bredero. Het stuk draait om de bedrieger Jerolimo Rodrigo, die van Antwerpen naar Amsterdam is gevlucht omdat hij achtervolgd wordt door schuldeisers. In Amsterdam ontmoet hij Robbeknol, een jonge ex-bedelaar, die hij in dienst neemt als knecht. Het toneelstuk bestaat uit vijf bedrijven (vijf delen). In het eerste bedrijf ontmoet Jerolimo Robbeknol. Ook prijst Jerolimo Antwerpen en vergelijkt hij deze stad met Amsterdam. In het tweede bedrijf ontmoet Jerolimo twee prostituees en bedelt Robbeknol om eten. Vervolgens wordt er in het derde bedrijf een verbod tegen bedelarij afgekondigd, waardoor Jerolimo en Robbeknol in het vierde en vijfde bedrijf voorzichtiger moeten zijn met bedelen. Jerolimo blijkt bovendien nog meer schuldeisers te hebben: in de ontknoping van het stuk komen ze naar zijn huis om hun geld terug te eisen. De oplichter blijkt dan echter al te zijn gevlogen.

Deze komedie van Bredero laat je nadenken over vreemdelingen, cultuur, taal en identiteit. Over deze thema’s gaan jullie met elkaar in discussie: hoe worden vreemdelingen afgebeeld in dit werk en hoe kijk jij tegen vreemdelingen aan?

Ronde 1: Quiz



Quizvraag

1. Wanneer speelt het verhaal zich af?

A. In de zestiende eeuw.

B. In de zeventiende eeuw.

C. In de achttiende eeuw.

2. Waarom is Jerolimo uit Antwerpen vertrokken?

3. Waarom moet Jerolimo geld betalen aan Gierige Gerard?

4. Wat moet Robbeknol doen van Jerolimo om aan eten te komen?

A. Eten stelen op de markt.

B. Zakkenrollen.

C. Bedelen op straat.

5. Aan het einde van de komedie komen de schuldeisers de inboedel van Jerolimo’s huis opeisen. Jerolimo blijkt dan weg te zijn. In het huis staat nog één ding dat de schuldeisers kunnen meenemen. Wat is dat?

A. Een bank.
B. Een schilderij.
C. Een bed.

Antwoorden

Vraag 1: B. De zestiende eeuw: het is geschreven in 1617, maar Bredero bouwt wat afstand in omdat hij over een gevoelig onderwerp schrijft.
Vraag 2: Hij is in Antwerpen failliet gegaan. Hij was bang dat de schuldeisers hem in de gevangenis zouden gooien of straffen.
Vraag 3: Omdat het huis dat hij huurt van Gierige Gerard is.
Vraag 4: C. Bedelen op straat.
Vraag 5: C. Een bed.

Ronde 2: Vragenrondje

Wat vond je onduidelijk in de Spaanse Brabander, wat begreep je niet zo goed? Formuleer om de beurt een vraag over de tekst en probeer samen tot een antwoord te komen.

Ronde 3: Discussie



Feest der herkenning?

Kaart 1/8 - Feest der herkenning?

Jerolimo komt uit Antwerpen. Aan het begin van het toneelstuk hemelt hij deze stad op tot grote hoogten: het is een ‘keizerlijke stad’ en ‘geen plaats onder de zon is aan haar gelijk’. Hoe kijk jij aan tegen de stad of het dorp waar je vandaan komt?

Kaart 2/8 - Feest der herkenning?

Jerolimo vergelijkt Antwerpen voortdurend met Amsterdam. Hij vindt de stad wel mooi, maar ‘’t volkske is te vies’. Wat vind jij van Amsterdammers, vind je ze anders dan de inwoners van je eigen stad, als je niet in Amsterdam woont? En hoe komt dat?

Kaart 3/8 - Feest der herkenning?

Als Jerolimo Trijn en An tegenkomt, twee prostituees, probeert hij hen in te palmen met mooie woorden. Hij gebruikt daartoe allerlei Franse leenwoorden (bijvoorbeeld ‘pourmaneren’ in plaats van wandelen). Ken jij ook mensen die woorden lenen uit een andere taal, en waarom doen ze dat?

Kaart 4/8 - Feest der herkenning?

Jerolimo is erg gecharmeerd van de Brabantse taal. Hij zegt bijvoorbeeld: “O, de Brabantse taal is groots, beschaafd en volkomen perfect; zo vriendelijk, levendig en zo lief en zo volmaakt correct”. Jerolimo vindt het jammer dat Robbeknol ‘bot Hollands’ spreekt. Wat bedoelt hij daarmee, en vind jij het Hollands ook bot?

Kaart 5/8 - Feest der herkenning?

Jerolimo spreekt Brabants. De Amsterdammers in het stuk zien dat als een dialect: een streektaal die minder is dan het Hollands dat zij spreken. Spreek jij zelf ook een dialect (Zeeuws, Limburgs, Achterhoeks, etc.)? Bepaalt het spreken van een dialect hoe je naar mensen kijkt?

Kaart 6/8 - Feest der herkenning?

In het voorwoord van het boek staat: “Al siet men de luy men kenne se niet [=‘Al zie je de buitenkant van mensen, daarmee ken je ze nog niet’].”Heb jij ook wel eens een situatie meegemaakt waarin je je hebt laten bedriegen door iemands uiterlijk?

Kaart 7/8 - Feest der herkenning?

Jerolimo doet alsof hij rijk is, maar eigenlijk is hij arm. Doe jij jezelf wel eens beter voor dan je bent, online bijvoorbeeld, en waarom?

Kaart 8/8 - Feest der herkenning?

In het verhaal krijgen de vreemdelingen de beschuldiging dat ze Amsterdammers benadelen. Wat vind je ervan dat er op deze manier over vreemdelingen wordt gepraat? Is dit typisch voor de zeventiende eeuw of gebeurt dat nog steeds? En wat vind je daarvan?

Feest der herkenning?

Dit was het laatste kaartje!



Stof tot nadenken?

Kaart 1/8 - Stof tot nadenken?

r. 180 (Jerolimo): Ik zweer je bij God, je zou geen Hollands meer kwekken, Want wie ’t Brabants beheerst, hoeft zich van geen enkele taal iets aan te trekken. […] Onze taal is als een rapsodie, non pareille, zonder weerga. Haar zuiverheid is niet te vergelijken met ’t Hollands, op geen stukken na.

Jerolimo praat hier Brabants, en verheerlijkt het Brabants. Wat is het effect hiervan op jou?

Kaart 2/8 - Stof tot nadenken?

In Bredero’s stukken praten de personages vaak dialect (streektaal): wat voor beeld krijg je daardoor van de personages?

Kaart 3/8 - Stof tot nadenken?

Jerolimo vindt de Hollanders ‘botmuilen’. Wat voor tegenstelling creëert hij daarmee tussen Brabanders en Hollanders?

Kaart 4/8 - Stof tot nadenken?

Lees het tekstfragment uit de inleiding nog eens. Bevestigt of vergroot de tekst het bestaande beeld en bestaande vooroordelen over vreemdelingen? Leg uit.

Kaart 5/8 - Stof tot nadenken?

Bekijk deze videoclip. De tekst uit het refrein luidt: “Doe normaal. Dat kan echt niet meer hoor. Hanky Panky is allang uit de mode. Skip die shit, haal het weg uit alle scholen.” Hoe maakt Gya duidelijk dat de Nederlanders een negatief vooroordeel over haar afkomst hebben? En wat vind je van de manier waarop ze dat doet?

Kaart 6/8 - Stof tot nadenken?

Een stereotype is een (vaak negatief) vooroordeel over een bepaalde groep mensen. Komen stereotype en werkelijkheid overeen, als je naar voorbeelden uit de Spaanse Brabander kijkt, of naar Gya’s videoclip?

Kaart 7/8 - Stof tot nadenken?

Spaanse Brabander is een komedie, een humoristisch toneelstuk dus. Maar je moest er ook iets van leren. Moet je om de videoclip van Gya ook lachen én kun je er wat van leren? Hoe werkt dat dan, humor om je aan het denken te zetten?

Kaart 8/8 - Stof tot nadenken?

Stel, je schrijft een stuk over een vluchteling die in 1980 naar Amsterdam vlucht. Beeld je bijvoorbeeld in dat je een stuk gaat schrijven over de rapper Gya. Zou je haar dan op dezelfde manier stereotyperen als Bredero heeft gedaan? Waarom wel of waarom niet?

Stof tot nadenken?

Dit was het laatste kaartje!

Ronde 4: Oordeel