Spelregels

In deze leesclub discussieer je met een groepje van 4 tot 6 lezers over Onbreekbaar van Hans Hagen. Je doet dat aan de hand van kaartjes met vragen over de tekst. De leesclub begint met een korte inleiding, die een van de spelers voorleest. Daarna volgen 4 rondes:

  1. Ronde 1 bestaat uit 3 vragen over de manier waarop jij poëzie leest. Een van de spelers leest de vragen voor, waarna steeds alle spelers kort reageren op de vraag.
  2. Ronde 2 is een algemeen vragenrondje over de tekst: de spelers benoemen om de beurt wat ze onduidelijk vonden en proberen samen een antwoord te vinden. Als de grootste onduidelijkheden opgelost zijn, begint ronde 3.
  3. Ronde 3 bestaat uit twee stapels met een aantal discussievragen, die de spelers in beurten omdraaien. Elke beurt kiest een speler een kaartje van een stapel naar keuze en leest de vraag voor. Hij of zij geeft antwoord op de vraag, waarna de rest mag reageren. De eerste vragen zijn voorzien van een voorbeeldantwoord, om je een beetje op gang te helpen. Als een discussievraag herhaalt wat eerder in het gesprek al aan bod gekomen is, mag de speler die aan de beurt is een volgende kaart omdraaien. Dit gaat zo door totdat alle kaartjes omgedraaid zijn.
  4. Aan het einde van de discussie komen de spelers samen tot een oordeel over de tekst. In ronde 4 geven ze een oordeel uitgedrukt in sterren en motiveren zij hun keuze.

Inleiding

gelijk

het omgekeerde
van wat je beweert
is vaak ook waar
elke stok heeft twee einden
ook al buig je hem rond
het is moeilijk toe te geven
dat je geen gelijk hebt
ik zie het
bij iedereen om me heen

ze zeggen dat ze soms
het heen en weer van me krijgen
da’s wederzijds

 

In Onbreekbaar lees je de worstelingen van een jongere. Worstelingen met verliefdheid of school bijvoorbeeld, met onbegrip van gezinsleden of met het verlies van een dierbare. Ondanks de vrij zware thema’s is de toon licht. De alledaagse werkelijkheid wordt in weinig woorden en onvolledige zinnen op een heel eigen wijze weergegeven, wat ervoor zorgt dat je je als lezer al snel met het ik-personage meeleeft. Je begrijpt zijn worstelingen en voelt dat er gaandeweg wat meer lucht komt.

Een steeds terugkerende frase in de bundel is ‘Ze zeggen…’: ‘Ze zeggen dat je een blikseminslag niet overleeft’, ‘ze zeggen dat dromen soms inzicht geven’, ‘ze zeggen dat zelfs planten lief kunnen hebben’ of ‘ze zeggen leef nu’. Uiteindelijk ervaar je met het ik-personage dat het aan jou is om het leven zelf te ondervinden en niet uit te gaan van ‘ze zeggen’. Welke nieuwe kijk op de werkelijkheid bood deze bundel jou?

Ronde 1: Jouw leesproces



Jouw leesproces

Heb je de gedichten stil of hardop gelezen? Wat deed dat met je beleving van het gedicht?

Heb je de gedichtenbundel met plezier gelezen? Waarom wel of niet?

Heb je de gedichten in één ruk gelezen, of ben je op bepaalde momenten gestopt of gaan teruglezen? Waarom deed je dat?

Dit was het laatste kaartje!

Heb je bij het lezen vooral gelet op de inhoud of op de vorm van de gedichten?

Einde van de quiz!

Ronde 2: Vragenrondje

Wat vond je onduidelijk in Onbreekbaar, wat begreep je niet zo goed? Formuleer om de beurt een vraag over de bundel en probeer samen tot een antwoord te komen.

Ronde 3: Discussie



Feest der herkenning?

Kaart 1/8 - Feest der herkenning?

1. Herlees de gedichten ‘regina’, ‘v’, ‘vast’ en ‘vang me’. De ik-persoon worstelt duidelijk met zijn gevoelens nu Regina zijn brieven niet beantwoordt. Wat zou jij hem adviseren? Moet je een vakantieliefde nadien nog schrijven of juist niet?

Kaart 2/8 - Feest der herkenning?

2. De gedichten ‘klas’ (p. 32) en ‘rachelle’ (p. 33) geven een beeld van hoe de ik-figuur school ervaart. Welke positie zou hij hebben in de klas? Ken je iemand uit jullie klas aan wie de ik-figuur je doet denken?

Kaart 3/8 - Feest der herkenning?

3. Planten, blaadjes, pluisjes – ze komen veelvuldig voor in de gedichten in deze bundel. Bekijk het volgende filmpje: Wie niet weg is, is gezien! Kruidje-roer-me-niet. Bespreek dan wat de schrijver volgens jullie bedoelt met de laatste zin van het gedicht ‘kruidje’ (p.22): ‘aai meer’. Denk je dat dit gevoel van (willen) aaien voorbehouden is aan jongeren?

Kaart 4/8 - Feest der herkenning?

4. Herlees de gedichten ‘te vroeg’ (p.23), ‘inhalen’ (p.24) en ‘nu’ (p.25). Welke emoties roepen deze gedichten bij je op? In welke versregels ervaren jullie deze emoties het sterkst?

Kaart 5/8 - Feest der herkenning?

5. Heb je ooit een vergelijkbaar gesprek gevoerd met een docent als in ‘tactiek’ (p. 44)? Zo ja: hoe was dat? Zo nee: hoe zou dat zijn?

Kaart 6/8 - Feest der herkenning?

6. De ik-persoon schrijft brieven naar Regina, maar ze schreef nooit terug, lezen we in ‘V’ (p.13). Herlees ‘dans’ (p.52). Wat denk je dat Regina zou hebben geschreven?

Kaart 7/8 - Feest der herkenning?

7. Stel je voor dat je gaat discussiëren over de stelling: Je zou het gedicht ‘liplezen’ (p.51) zonder moeite kunnen opnemen in een rijtje met de allermooiste liefdesgedichten uit onze Nederlandse taal. Bespreek met elkaar of je het eens of oneens zou zijn met die stelling.

Kaart 8/8 - Feest der herkenning?

8. Vergelijk het eerste gedicht ‘mooi’ (p.7) met het laatste gedicht ‘dit’ (p.53). Hoe zou je de ontwikkeling van de ik-figuur omschrijven? Vinden jullie zijn ontwikkeling positief of negatief?

Feest der herkenning?

Dit was het laatste kaartje!



Stof tot nadenken?

Kaart 1/8 - Stof tot nadenken?

1. Veel van de gedichten beginnen met ‘ze zeggen’. Zoals het openingsgedicht ‘mooi’ (p. 7). Wat zou de betekenis zijn van deze herhaling?

Kaart 2/8 - Stof tot nadenken?

2. Misschien is het je opgevallen dat er nergens vraagtekens staan of andere interpunctie. Kijk bijvoorbeeld nog eens naar het gedicht ‘herfst’ (p. 42). Welk effect hebben de ontbrekende leestekens op jou? Wat zou het beoogde effect zijn van Hans Hagen?

Kaart 3/8 - Stof tot nadenken?

3. Bekijk de illustraties bij onder andere ‘kersen’ (p.31) en ‘herfst’ (p.42). Ze lijken uit elkaar gevallen. Waarom zou Deborah van der Schaaf ervoor gekozen hebben de illustraties in stukken weer te geven?

Kaart 4/8 - Stof tot nadenken?

4. Het gedicht ‘pluisjes’ (p.41) eindigt met het woord ‘verdwergt’. We noemen zo’n niet-bestaand woord een neologisme. Kunnen jullie zelf ook een neologisme maken? Kies met elkaar zo’n 5 tot 10 al bestaande woorden die voor jullie typisch zijn voor deze bundel. Combineer enkele van deze gekozen woorden tot een neologisme.

Kaart 5/8 - Stof tot nadenken?

5. Uit de gedichten ‘pluisjes’ (p. 41) en ‘namaak’ (p. 46) spreekt een negatieve ervaring met de middelbareschoolperiode. Wat vinden jullie daarvan? Zouden deze gedichten gelezen kunnen worden als aanklacht tegen het onderwijssysteem?

Kaart 6/8 - Stof tot nadenken?

6. In sommige van de gedichten uit het ik-personage zich kritisch over het geloof. Zie onder andere ‘briefje’ (p. 26), ‘waar’ (p.29) en ‘pluisjes’ (p. 41). In hoeverre vinden jullie zijn kritiek realistisch? Wat zegt het over hoe jongeren van nu tegen het geloof aankijken?

Kaart 7/8 - Stof tot nadenken?

7. Uit ‘briefje’ (p. 26) en ook uit ‘dans’ (p. 52) spreekt een groot verlangen. Verlangen naar liefde, naar gelijkwaardig contact, naar gehoord worden of serieus worden genomen. In hoeverre vind je dit verlangen passend voor de tijd waarin we leven?

Kaart 8/8 - Stof tot nadenken?

8. Herlees ‘kam’ (p. 49). De titel van de bundel, Onbreekbaar, komt uit dit gedicht. Wat is jullie interpretatie van deze titel?

Stof tot nadenken?

Dit was het laatste kaartje!

Ronde 4: Oordeel

Geef Onbreekbaar samen een waardering uitgedrukt in sterren. Beargumenteer vervolgens jullie keuze. Wat vonden jullie goed en wat juist minder goed? Heeft de discussie jullie individuele oordeel veranderd, en zo ja, hoe? Probeer voorbeelden en argumenten te halen uit jullie reacties op de discussievragen.

Leesclubs_respons