Spelregels

In deze leesclub discussieer je met een groepje van 4 tot 6 lezers over Wij blijven bij elkaar van Martine Letterie. Je doet dat aan de hand van kaartjes met vragen over de tekst. De leesclub begint met een korte inleiding, die een van de spelers voorleest. Daarna volgen 4 rondes:

  1. Ronde 1 bestaat uit 5 quizvragen over de tekst. Een van de spelers leest de vragen voor en alle spelers (inclusief voorlezer) schrijven hun antwoorden op een blaadje. Na het omdraaien van de laatste vraag verschijnen de juiste antwoorden in beeld. Daarna berekent iedereen zijn score.
  2. Ronde 2 is een algemeen vragenrondje over de tekst: de spelers benoemen om de beurt wat ze onduidelijk vonden en proberen samen een antwoord te vinden. Als de grootste onduidelijkheden opgelost zijn, begint ronde 3.
  3. Degene met de meeste goede antwoorden op de quizvragen mag als eerste een kaartje van de discussievragen omdraaien van een stapel naar keuze. Hij of zij geeft antwoord op de vraag, waarna de rest mag reageren. Vervolgens kiezen de overige spelers om de beurt een kaartje van een van beide stapels. Als een discussievraag herhaalt wat eerder in het gesprek al aan bod gekomen is, mag de speler die aan de beurt is een volgende kaart omdraaien. Dit gaat zo door totdat alle kaartjes omgedraaid zijn.
  4. Aan het einde van de discussie komen de spelers samen tot een oordeel over de tekst. In ronde 4 geven ze een oordeel uitgedrukt in sterren en motiveren zij hun keuze.

Inleiding

‘Als ze stilstaan, kijkt ze eindelijk om zich heen. Is dit wel een station? Er is alleen maar een perron, verder niets. Nevel ligt in flarden over kale akkers, in de verte begint een bos. Er zijn hier nergens huizen. Geen mens kan zien wat er op dit stationnetje gebeurt. Ze zijn erin getrapt. Bergen-Belsen is het ergste wat je kan overkomen. Ze weet het zeker.’ (p. 187)

Na de Kristallnacht in 1938 zet de moeder van de familie Birnbaum haar kinderen in hun eentje op de trein van Berlijn naar Nederland. Zonder volwassenen is de kans namelijk kleiner dat ze bij de grens direct worden teruggestuurd. Het laat zien hoe groot de angst is bij deze Joodse familie in het Nazi-Duitsland van Hitler. En die angst blijkt terecht. Zodra Nederland wordt ingenomen door Duitsland, moeten ze zien te overleven in concentratiekampen: eerst in Westerbork en daarna in Bergen-Belsen. Het lukt de familie om elkaar terug te vinden, om bij elkaar te blijven én de oorlog te overleven. Maar de kinderen zijn dan al wel opgegroeid met het idee dat ze nergens echt veilig of welkom zijn. Wat doet dat met een mens? En met een volk, in dit geval de Joodse gemeenschap? Over deze en andere vragen ga je in deze leesclub met elkaar in gesprek.

Ronde 1: Quiz



Quizvraag

1. Hoe heten de kinderen uit het gezin Birnbaum?

2. Wie zorgt ervoor dat ook vader en moeder Birnbaum in Nederland kunnen blijven?

3. Welke taak hebben vader en moeder Birnbaum in kamp Westerbork, en later ook in Bergen-Belsen?

4. Waar verblijft de familie in de eerste weken direct na de bevrijding?

5. Naar welk land emigreert de familie na de oorlog?

Antwoorden

1. Sonni, Gina, Yakov, Zwi, Suzi en Sampi

2. Dokter van Meeuwen (of: de dokter die moeder helpt bij de geboorte van Sampi).

3. Ze leiden het weeshuis, met hulp van Sonni en Gina.

4. In de boerderij van een Duits echtpaar.

5. Israël (ook goed: Palestina)

Ronde 2: Vragenrondje

Hieronder staan verschillende fragmenten uit het boek. Kies allemaal één fragment. Bedenk en noteer een vraag die je aan een van de personages zou willen stellen. Probeer samen antwoord te geven op die vraag.

Tijdens de eerste bijeenkomst van de jongerengroep in Westerbork gaat het over dromen over Israël: ‘’Ik ben… het zeker.’ (p. 91 – 93)

Sonni wil plotseling dat Gina haar haar knipt: ‘Ineens ziet… maar dit…’ (p. 161 – 162)

Suzi hoort marcherende soldaten een bekend liedje zingen: ‘Op dat… biggelen tranen.’ (p. 206 – 207)

In de winter van 1945 zoekt Sonni naar momenten van hoop: ‘Eerst jullie… niet vergeten.’ (p. 234-244)

Sampi ontmoet voor het eerst een lieve hond: ‘Is die… kunnen doen?’ (p. 278 – 280)

Ronde 3: Discussie



Grenzen van herkenning?

Kaart 1/8 - Grenzen van herkenning?

1. ‘Het was alsof ze de vleugels van Jacko weer boven haar hoofd voelde. Ze huiverde’ (p. 32). Waarom voelde Sonni zich zo angstig bij de vogel van tante Lucy, het kamermeisje? Noem nog een paar symbolische elementen of beschrijvingen van de ruimte die de gespannen sfeer in het verhaal benadrukken.

Kaart 2/8 - Grenzen van herkenning?

2. Tijdens hun vlucht is de familie Birnbaum erg afhankelijk van de hulp van anderen. Vind je dat ze goed geholpen worden door de Nederlandse bevolking? Waarom wel of niet?

Kaart 3/8 - Grenzen van herkenning?

3. Ondanks dat ze vervolgd worden om hun Joods zijn, blijven de familieleden hun joodse gebruiken en tradities erg belangrijk vinden. Waaraan kun je dit zien en waarom houden ze hier zo aan vast?

Kaart 4/8 - Grenzen van herkenning?

4. ‘Tot volgend jaar in Jeruzalem!’ – dit zeggen de personages vaak tegen elkaar, onder andere tijdens het Pesachfeest. Waarom is de boodschap ervan zo belangrijk voor hen? En zou die boodschap ook nog belangrijk kunnen zijn voor Joodse mensen nu?

Kaart 5/8 - Grenzen van herkenning?

5. De kinderen leren in hun jeugd meerdere talen: Duits, Nederlands en later ook Hebreeuws. Is taal belangrijk voor hun identiteit? Hoe kan een taal ervoor zorgen dat je je ergens bij voelt horen of dat je je juist buitengesloten voelt?

Kaart 6/8 - Grenzen van herkenning?

6. ‘Yakovs schouders lijken iets te zakken en Sonni’s hart gaat naar hem uit. Vandaag zijn ze ineens allebei onverwacht volwassen geworden.’ (p. 194) Waarom voelt het voor Yakov en Sonni alsof hun kindertijd over is zodra ze in Bergen-Belsen aankomen?

Kaart 7/8 - Grenzen van herkenning?

7. In het nawoord zegt Martine Letterie dat in een kinderboek altijd hoop moet zitten. Ben je het hiermee eens? En in hoeverre vind jij Wij blijven bij elkaar inderdaad een hoopvol boek?

Kaart 8/8 - Grenzen van herkenning?

8. Wij blijven bij elkaar vertelt een waargebeurd verhaal: de familie Birnbaum heeft écht met z’n allen de Holocaust overleefd. In het verhaal komt ook Anne Frank voorbij, de schrijver van een wereldberoemd dagboek over de Holocaust. Wat is volgens jou het belangrijkste verschil tussen een roman over een waargebeurd verhaal over de Holocaust en een dagboek van een slachtoffer?

Grenzen van herkenning?

Dit was het laatste kaartje!



Stof tot nadenken?

Kaart 1/8 - Stof tot nadenken?

1. Wat wist jij al over de Holocaust voordat je dit boek las? Wat is het belangrijkste wat je over deze geschiedenis hebt geleerd tijdens het lezen?

Kaart 2/8 - Stof tot nadenken?

2. Hoe was het voor jou om dit boek te lezen? Is er een passage die je speciaal is bijgebleven, of een passage die je geraakt heeft? Leg je antwoord uit.

Kaart 3/8 - Stof tot nadenken?

3. Als oudste kind draagt Sonni een grote verantwoordelijkheid voor haar broertjes en zusjes. Hoe gaat ze daarmee om en wat zou jij doen in haar situatie?

Kaart 4/8 - Stof tot nadenken?

4. De kinderen Birnbaum zijn niet allemaal even oud. Zie je verschil in hoe de jongere kinderen, zoals Zwi, het leven in het kamp ervaren in vergelijking met hun oudere broer of zussen, zoals Gina? Leg je antwoord uit.

Kaart 5/8 - Stof tot nadenken?

5. De oudere jongen Salo besluit om vrijwillig mee te gaan met de weeskinderen die op transport moeten naar Auschwitz. Snap je waarom hij dat doet? Leg je antwoord uit.

Kaart 6/8 - Stof tot nadenken?

6. Bij aankomst in Bergen-Belsen, wanneer de SS’ers maar blijven schelden, denkt Suzi: ‘Maar een taal die zulke lelijke woorden kent, wil ze niet meer spreken. Nooit meer.’ Kun je uitleggen waarom de Duitse taal voor Suzi verpest is door de Nazi’s? Hoe is dat voor jou: heb jij positieve of negatieve gevoelens over je moedertaal, en waardoor ontstaan die gevoelens?

Kaart 7/8 - Stof tot nadenken?

7. In Westerbork wijst het meisje Hannelore de jeugdleider Leo erop dat er al mensen in Palestina wonen, dus is er dan wel plek voor joodse mensen die daarheen emigreren? (p. 92 Wat vind je van het antwoord dat Leo op haar vraag geeft? En speelt de huidige oorlog in Palestina een rol in hoe jij dit verhaal leest? Leg je antwoord uit.

Kaart 8/8 - Stof tot nadenken?

8. Het jongste kind Sampi voelt ook na de bevrijding nog veel woede. Snap je waarom juist hij de rest van zijn leven boos en achterdochtig blijft? Leg je antwoord uit.

Stof tot nadenken?

Dit was het laatste kaartje!

Ronde 4: Oordeel

Geef  Wij blijven bij elkaar samen een waardering uitgedrukt in sterren. Beargumenteer vervolgens jullie keuze. Wat vonden jullie goed en wat juist minder goed? Heeft de discussie jullie individuele oordeel veranderd, en zo ja, hoe? Probeer voorbeelden en argumenten te halen uit jullie reacties op de discussievragen.

Heb je zelf een goede discussievraag die nog niet gesteld is? Vul die dan in, dan voegen wij de vraag aan een van de stapeltjes toe.

Leesclubs_respons