Hoe werkt het?

Structuur
In ieder veld doorloop je vijf stappen:

  1. De voorbereiding
  2. De instrumenten
  3. Het experiment
  4. De lakmoesproef
  5. Het vrije experiment

Noteer je antwoorden op de vragen in een Wordbestand, succes!

Ga naar stap 1

Stap 1: De voorbereiding

Auteurschap
De zichtbaarheid van de auteur lijkt vandaag de dag minstens zo belangrijk als zijn of haar boek. Auteurs reizen het land af om op te treden op literaire podia, in bibliotheken en bij leesclubs, ze geven interviews, laten zich portretteren en schuiven aan bij De Wereld Draait Door. De aandacht voor de persoonlijkheid van de auteur lijkt kenmerkend voor onze gemediatiseerde, neoliberale samenleving.

Maar de focus op de auteur achter het werk is niet alleen iets van de laatste tijd. In verschillende periodes van de geschiedenis hebben auteurs zich actief bemoeid met de manier waarop zij werden gezien en ze gebruikten verschillende technieken om het beeld van hun schrijverschap vorm te geven. Een steeds terugkerend twistpunt in dit vormgevingsproces is de vraag naar de (on)afhankelijkheid van de auteur. Hoe kun je als kunstenaar artistiek onafhankelijk opereren terwijl je tegelijkertijd economisch afhankelijk bent, van lezers, van uitgevers, van recensenten, van weldoeners, kortom: van het publiek?

De arme dichter: een standaardbeeld
Het schilderij Der arme Poet (1939) van de Duitse schilder Carl Spitzweg (1808-1885) biedt een fraaie weergave van een schrijversbeeld dat nog altijd doorwerkt. Bekijk het hier.

We zien een dichter afgezonderd op zijn kleine zolderkamer aan het werk. Hij is omringd door boeken. De krant ligt echter onaangeroerd in de hoek. Het schrijversbeeld dat hier wordt onderstreept is dat van de individuele, van de wereld afgekeerde kunstenaar, die in afzondering tot inspiratie tracht te komen. Het schrijven brengt hem duidelijk op de grens van armoede – de theedoek aan de waslijn vertoont gaten en houtblokken om de kachel te stoken zijn er niet. Die armoede is het offer dat wordt gebracht voor de kunst.

Met meer ernst dan Spitzweg heeft Paul Cèzanne (1838-1906) dit beeld van de dichter gevat in zijn Le baiser de la muse (1859-1860). Hierin zien we de romantische dichter in een kale kamer aan zijn bureau zitten, ogen gesloten, wachtend in de nacht tot de (goddelijke) inspiratie tot hem komt.

Het beeld van de arme dichter die in eenzaamheid lijdt, is nog steeds springlevend. Het gedicht Misverstand van Menno Wigman is een duidelijk voorbeeld dat dit beeld bevestigt:

Misverstand

Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed
waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
die je met een handvol hopeloze idioten deelt,

een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt
en ‘s nachts – een heelkunst is het niet.
De kamer blijft een kamer, het bed een bed.
Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

Uit: Zwart als kaviaar (2001)

Maar ook wanneer wordt gekeken tegen welk schrijversbeeld hedendaagse dichters zich verzetten, blijkt het romantische beeld van de individuele, van de wereld afgekeerde auteur nog steeds uiterst vitaal. Zo sluit Lucas Hirsch zijn bundel Dolhuis. Natura Naturata (2012) af met het volgende gedicht:

Zie ginds staan de dichters tot hun enkels in het water
De dromers

Sla de poëzie eruit totdat ze op hun knieën
In de branding knielen en bidden
De schapen

Vergeet niet dat alles poëzie is vandaag de dag
Dat alle poëzie vandaag de dag vergeten wordt

Opdracht 1

  1. Kijk nog eens naar het schilderij van Spitzweg. In hoeverre is dit schilderij niet alleen een bevestiging van het romantische beeld van de dichter, maar ook een kritiek daarop? Wat is de dichter bijvoorbeeld precies aan het doen?
  2. Waarom zou je het auteursbeeld dat naar voren komt in Wigmans gedicht romantisch kunnen noemen? (lees eventueel hoe de romantische kunstenaar wordt omschreven in het lemma ‘romantiek’ uit het Algemeen letterkundig lexicon)
  3. Welke beeld van de romantische dichter schetst Hirsch in zijn gedicht? Is het duidelijk welk auteursbeeld hij hier tegenover stelt? Bekijk eventueel ook het omslag van de bundel Dolhuis. Natura Naturata waarop de dichter staat afgebeeld en betrek dit beeld in je interpretatie.

De manier waarop auteurs door de tijd heen omgaan met de spanning tussen artistieke onafhankelijkheid en maatschappelijke en/of economische afhankelijkheid is een veelbestudeerd onderwerp binnen de literatuurwetenschap. Het hangt direct samen met fundamentele vragen rond auteurschap: wat is een auteur? Wat is de maatschappelijke rol van de auteur, welke functie vervult de auteur? Welke opvattingen rond auteurschap heersen er op een bepaald moment en welke historische, culturele, politieke en/of economische factoren bepalen de autoriteit van een bepaald auteursbeeld op dat moment?

Een voorbeeld van een onderzoeker die specifiek geïnteresseerd is in de spanning tussen de artistieke onafhankelijkheid van de schrijver en diens economische afhankelijkheid is cultuurwetenschapper Helleke van den Braber. In haar onderzoek richt zij zich op het fenomeen van het literaire mecenaat. Lees hier het lemma in het Algemeen letterkundig lexicon. (Leuk extraatje: voor Culture Weekly zette Van den Braber de tien beste Nederlandse mecenassen van de laatste honderdvijftig jaar op een rij.)

Opdracht 2

Bekijk Van den Brabers artikel ‘De nieuwe gids and its Informal Patronage System’ in Journal of European Periodical Studies (Summer 2016).

  1. Lees de eerste paragraaf (p.54-56):
    Welke vragen worden in dit artikel centraal gesteld?
  2. Hoe verschilt de focus van dit artikel volgens Van den Braber van eerder onderzoek naar De Nieuwe Gids?
  3. Waarom spreekt Van den Braber over een ‘uneasy relationship’ tussen de Tachtiger-dichters en geld?

Lees de rest van het artikel:

  1. Welke oplossingen vonden de Tachtigers voor hun problematische houding ten aanzien van geld?
  2. Hoe kan het volgens Van den Braber dat deze oplossing de artistieke prestige van de auteurs niet in gevaar bracht?
  3. Wat voor type bronnen raadpleegt Van den Braber om tot een antwoord op haar onderzoeksvragen te komen?
  4. Welke correctie of toevoeging dient er op basis van de bevindingen van Van den Braber te worden gemaakt op het hierboven gepresenteerde standaardbeeld van de romantische, autonome auteur?

Het artikel van Van den Braber valt te plaatsen in een onderzoekslijn die zich richt op het begrijpen van de mechanismen van wat heden ten dage wel het ‘literaire bedrijf’ wordt genoemd. De aandacht van de onderzoeker richt zich daarbij niet zozeer op de literaire tekst maar op de specifieke sociale, culturele en economische omstandigheden die het fenomeen literatuur überhaupt mogelijk maken. (Hierover meer in stap 2.)

In dit veldwerk komen teksten aan bod uit verschillende tijden waarin specifiek wordt gekeken hoe de auteur functioneert in het literaire bedrijf. Het standaardbeeld – om niet te zeggen cliché – van de autonome auteur functioneert in deze verkenning als vertrekpunt om andere vormen van auteurschap en andere auteursbeelden te onderzoeken.

In stap 2 maak je kennis met het literatuurwetenschappelijke debat over auteurschap en enkele belangrijke standpunten daarin. Ook krijg je enkele analytische begrippen aangereikt om de teksten te lijf te gaan. In stap 3 voer je met behulp van de aangereikte instrumenten een stapsgewijze analyse uit naar het auteursbeeld van de Tachtiger-dichters Willem Kloos (1859-1936) en Albert Verwey (1865-1937). In stap 4 ga je aan de slag met casussen uit verschillende periodes. Je wordt uitgedaagd verschillende perioden te vergelijken en zelf een standpunt in te nemen in het wetenschappelijke debat over auteurschap. In stap 5 tenslotte worden enkele aanvullende onderwerpen aangereikt die het veld verder uitbreiden en die aanzetten tot verdere verdieping.

Stap 2: De instrumenten

In deze stap wordt je in grote lijnen vertrouwd gemaakt met het literatuurwetenschappelijke debat over auteurschap waarin het begrip ‘auteur’ sterk wordt geproblematiseerd. Daarnaast worden enkele centrale begrippen geïntroduceerd uit het literatuursociologisch onderzoek naar de auteur. In de volgende stap ga je zelf met deze begrippen aan de slag.

Wat is een auteur?
Als maker van de literaire tekst valt de auteur niet weg te denken uit het proces van literaire communicatie. Maar ‘wat is een auteur?’, zo vroeg de Franse denker Michel Foucault (1926-1984) zich af in zijn artikel Qu’est ce qu’un auteur (1969). Hierin stelt hij onder andere dat de auteur als organisatieprincipe van een tekst (denk bijvoorbeeld aan de ordening van boeken in de boekwinkel op auteursnaam) heel iets anders is dan de auteur als persoon (de auteur die wordt geïnterviewd voor een krant of VPRO-Boeken) of de auteur als schepper van de tekst (een meer idealistische voorstelling van de auteur). Het begrip auteur kan dus verwijzen naar verschillende auteursrollen, reden waarom Foucault niet van de auteur spreekt maar van de auteursfunctie. Bovendien, zo voegt Foucault toe, verandert de invulling van die rollen en de waardering ervan door de tijd heen. Zo stond in de vroegmoderne tijd niet originaliteit en oorspronkelijkheid voorop, maar was het van belang dat je als schrijver de grote voorgangers kende en die op een vaardige manier wist na te volgen (imitatio) en aan te passen (aemulatio). Hier kun je meer lezen over Foucault.

Een jaar voor het artikel ‘Wat is een auteur?’ had Foucaults landgenoot Roland Barthes (1915-1980) de dood van de auteur verkondigd in zijn beroemd geworden essay La mort de l’auteur (1968). Barthes betoogde hierin dat het begrip auteur zijn functie als anker en referentiepunt voor het bepalen van de betekenis van een tekst had verloren. Niet de auteur is de schepper van de tekst, maar de lezer. Barthes’ theorie laat zien dat er een grote, creatieve interpretatievrijheid ligt bij de lezer. De dichter kan betekenissen in de tekst leggen en zichzelf op een bepaalde manier willen presenteren, dit hoeft helemaal niet te betekenen dat de lezer dit beeld ook op die manier herkent of accepteert. De dood van de auteur hangt volgens Barthes daarom direct samen met ‘de geboorte van de lezer’. Ook Barthes’ essay onderstreept dat de auteur allerminst een gegeven is.

Een Nederlandse dichter die de ideeën van denkers als Foucault en Barthes heeft geïncorporeerd in zijn werk is de Vlaamse dichter Dirk van Bastelaere (1960). In zijn poëticale tekst Rifbouw (een klein abc) behandelt hij verschillende begrippen zoals ‘betekenis’, ‘ik’, ‘lichaam’. Hij sluit zijn klein abc als volgt af met het lemma ‘zelf’.


Zelf.

Het zelf is een linguïstische constructie die zich wijzigt en uitbreidt onder elk nieuw woord. Het schrijven is voor Van B. niet alleen het worden van een tekst, het is hem ook het worden tot een tekst. Het is de creatie van een tekstueel lichaam, rijk aan betekenis zoals het vlezen lichaam rijk is aan bloed. Een ander zelf, groeiend, wisselvallig en, gezien de natuur van taal, nooit gelijk aan zichzelf. Op die manier wordt het kwikzilveren, biologische zelf dat zich ophoudt in de wereld der fenomenen een ander, een ander zelf. Een rif op zich.

Uit: Wwwhhooosshhh. Over poëzie en haar wereldse inbedding (2001)


Opdracht 1

Lees het lemma ‘auteur’ in het Algemeen letterkundig lexicon.

  1. Welke auteursrol herken je in de eerste zin van deze beschrijving?
  2. Welke kritiek zouden Foucault en Barthes uiten op deze beschrijving? Wat zou hun instemming hebben wanneer je het hele lemma leest?
  3. Hoe zou je het lemma herschrijven met de opvattingen van Foucault en Barthes in het achterhoofd?
  4. Lees nog eens het tekstfragment van Van Bastelaere: waarom past de metafoor van het rif (en de titel Rifbouw) zo goed bij de uitleg van de auteursfunctie door Foucault?

Leve de auteur!
Ondanks de doodverklaring van de auteur, is de auteur nooit van het literatuurwetenschappelijke podium verdwenen. Sterker, sinds de jaren zestig en zeventig lijkt de auteur meer levend dan ooit in de literatuurwetenschap. Deze hernieuwde aandacht voor de auteur komt deels voort uit de interesse van literatuurwetenschappers voor de sociologische inbedding van literatuur: de vraag hoe literatuur geproduceerd en verspreid wordt en wat mensen daadwerkelijk doen met literatuur. De economische dimensie van literatuur komt daarmee eveneens in het blikveld van de literatuurwetenschapper, zoals we al zagen in het onderzoek van Van den Braber in Stap 1. Als de vraag gesteld wordt hoe literatuur wordt geproduceerd, komt immers de vraag naar economische mogelijkheidsvoorwaarden naar voren. Binnen deze sociologische benadering wordt literatuur begrepen als een ‘bedrijf’ waarbinnen de auteur – net zoals de uitgever, de boekverkoper, maar ook allerlei andere instituties zoals de bibliotheek, de overheid (door middel van cultuurbeleid), de krant of de georganiseerde leesclub – een deelnemer (of actor) is.

Het is deze meer sociologische blik op de auteur als deelnemer in het literaire bedrijf die in deze proef centraal staat.

In zijn artikel ‘De auteur: levende dode en amfibie. Over de wisselende blik van de literatuurwetenschapper en zijn oogkleppen’ (2010) staat hoogleraar moderne letterkunde Gillis Dorleijn stil bij de verschuivende aandacht binnen de literatuurwetenschap naar de sociale inbedding van de tekst en beschrijft hij de gevolgen daarvan voor het literatuurwetenschappelijk onderzoek naar auteurschap. Het artikel verscheen in een themanummer van Vooys rond ‘de schrijver in zijn veld’ dat daarmee een mooie staalkaart biedt van recent onderzoek naar auteurschap, van de positionering van de zeventiende-eeuwse schrijfsters Catharina Questiers en Cornelia van der Veer tot het engagement van Harry Mulisch in de jaren zestig van de vorige eeuw, en van het gebruik van pseudoniemen tot positionering op het internet.

Bekijk het themanummer hier en lees vervolgens het artikel van Gillis Dorleijn over het huidige onderzoek naar de auteur.

Opdracht 2

  1. Wat voor onderzoek was volgens Dorleijn dominant in de Nederlandse literatuurstudie van de jaren zestig en zeventig?
  2. Waarom klopt het volgens Dorleijn niet dat de auteur in dit type onderzoek ‘dood’ is?
  3. Uit welke wetenschappelijke hoek werden in de jaren negentig en nul volgens Dorleijn nieuwe inzichten geïntroduceerd rond het historisch en empirisch onderzoek naar de auteur?

Lees het artikel nog eens nauwkeurig en probeer vervolgens in eigen woorden uit te leggen waarom de auteur voor Dorleijn vanuit wetenschappelijke oogpunt ‘een probleem’ vormt. Je kunt de volgende vragen eventueel als richtlijn nemen:

  1. Welke kritiek uit Dorleijn op de huidige behandeling van de auteur? (Of wat zijn de ‘oogkleppen’ van de literatuurwetenschapper uit de titel?)
  2. Welke oplossing stelt Dorleijn (in navolging van Lahire) voor? (of wat bedoelt Dorleijn wanneer hij de auteur een ‘amfibie’ noemt?)

Auteursrepresentatie 

De literatuurwetenschapper die de sociale rol van de auteur centraal wil stellen, wordt geconfronteerd met een probleem: de auteur vele rollen kan vervullen. Deze rollen zijn in de praktijk vaak maar moeilijk te onderscheiden, spreken elkaar soms tegen en kunnen allerminst gereduceerd worden tot het domein van de literatuur. ‘Een schrijver is meer dan een schrijver’, stelt Dorleijn. Zo was W.F. Hermans ook wetenschapper (een functie die overigens duidelijke sporen in zijn schrijverschap naliet), de kinderboekenschrijver Jan Terlouw was lang actief in de Haagse politiek en Esther Jansma is naast dichter archeoloog. De auteur functioneert met andere woorden niet alleen maar in een literaire wereld, maar ook in een sociale, politieke en economische context.

Een benadering die deze verankering van de auteur in verschillende contexten wil verdisconteren, is de benadering die zich richt op auteursrepresentatie (de wijze waarop een auteur zichzelf representeert of door anderen gerepresenteerd wordt). De literatuurwetenschap kent verschillende analytische begrippen om auteursrepresentatie te bestuderen. We staan hier kort stil bij twee van die begrippen: self-fashioning en posture. Beide begrippen worden gebruikt om te onderzoeken welke technieken auteurs gebruiken om hun identiteit – al dan niet in verschillende domeinen – vorm te geven, maar leggen net een ander accent. Bij self-fashioning ligt de nadruk op de wisselwerking tussen de individuele auteur en de sociale machtsstructuren om hem of haar heen, en met name de manier waarop de auteur een ‘zelf’ creëert binnen het sociale construct waar hij of zij deel van is. Bij posture gaat het om de wisselwerking tussen de wijze waarop de auteur zichzelf representeert (in en buiten zijn werk) en de wijze waarop anderen dat doen. De posture wordt aldus begrepen als het resultaat van een vorm van samenwerking tussen de auteur (die graag een bepaald beeld van zichzelf wil neerzetten) en anderen (bijvoorbeeld critici en het publiek).

Opdracht 3

Hoe self-fashioning als productief zoeklicht kan werken, laat letterkundige Nina Geerdink zien in een artikel over de praktijk van dichter en toneelschrijver Jan Vos (1610-1667). Lees het artikel van Geerdink en beantwoord daarna de volgende vragen:

  1. Hoe definieert Geerdink het begrip self-fashioning? Van wie is het begrip oorspronkelijk afkomstig?
  2. Welke aspecten van Jan Vos’ dichterschap kan Geerdink zichtbaar maken met behulp van dit begrip? Met andere woorden: welke heuristische functie vervult het begrip self-fashioning?
  3. Welke kanttekening plaatst Geerdink ten slotte bij het neerlandistisch onderzoek naar auteursrepresentatie?

Opdracht 4

Een ander begrip uit de internationale literatuurstudie dat zijn weg heeft gevonden naar het Nederlandse literatuuronderzoek is het begrip posture. In zijn artikel ‘Ach, mijn martelaartje! J.B.D. Wibmers postures en de ruimte voor politieke kritiek rond 1820’ (De Negentiende Eeuw, 39.1, 2015) geeft Laurens Ham een korte uitleg van het begrip. Bekijk het artikel en lees de paragraaf ‘Methodologie: postureanalyse’ (pagina 37-38). Beantwoord de volgende vragen:

  1. Van wie is het begrip posture afkomstig?
  2. Hoe wordt het begrip gedefinieerd? Wat is auto- en wat is heterorepresentatie? Welke bronnen kunnen er worden bestudeerd om beide te onderzoeken?
  3. Welke onderverdeling in autorepresentatie stelt Ham voor?
  4. Kijk nu nog eens naar de gedichten van Wigman en Hirsch in stap 1. Als we deze gedichten gebruiken om de auteursrepresentatie van deze dichters te onderzoeken, kijken we dan naar auto- of naar heterorepresentatie?
  5. Lucas Hirsch maakte een ‘teaser’ voor zijn bundel Dolhuis. Bekijk het filmpje. Hoe zouden we dit filmpje kunnen analyseren vanuit het perspectief van auteursrepresentatie? Welke aspecten vallen je vanuit dit perspectief op? Hoe verhouden het filmpje en het dichtfragment uit Stap 1 zich tot elkaar?

In deze stap heb je kennis gemaakt met de wijze waarop het begrip ‘auteur’ in het literatuurwetenschappelijke debat wordt geproblematiseerd. In het huidige onderzoek naar de auteur bleken de volgende analytische begrippen van belang:

Auteursrol
‘De functie die het begrip auteur inneemt, bijvoorbeeld als schepper of maker van de tekst, als merknaam, als publieke intellectueel, als biografische persoon, als speler in het literaire bedrijf.’
Literair bedrijf
‘Alles wat de productie en distributie van literatuur mogelijk maakt,
o.a. de auteur, uitgeverij en boekhandel.' Daarnaast bijvoorbeeld drukker, vormgever; literaire instituties zoals de literatuurkritiek, de bibliotheek, het literatuuronderwijs en de literatuurwetenschap alsmede georganiseerde leesgemeenschappen (genootschappen en leesclubs).
Auteursrepresentatie
‘De wijze waarop een auteur zichzelf representeert (in het literaire werk en daarbuiten) en/of door anderen gerepresenteerd wordt.’

In de volgende stap analyseer je het auteurschap van de Tachtigers met behulp van deze begrippen.

Stap 3: Het experiment

In deze stap ga je zelf aan de slag met de in stap 2 aangeboden instrumenten. Als casus nemen we de dichters rond de Beweging van Tachtig die tevens centraal stonden in het artikel van Helleke van den Braber uit stap 1. De aanpak die hier wordt geïntroduceerd kun je naderhand gebruiken in stap 4 wanneer je zelfstandig enkele casussen gaat uitdiepen en met elkaar gaat vergelijken.

Casus: De Tachtigers
Het beeld van de individuele, autonome auteur zoals dat in stap 1 werd behandeld, wordt in de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving doorgaans teruggevoerd tot de Beweging van Tachtig. Deze groep auteurs bleek opmerkelijk succesvol in het vormgegeven van hun zelfbeeld. In talloze gedichten en begeleidende teksten beschrijven zij hun eigen dichterschap. In haar artikel De nieuwe gids and its Informal Patronage System’ onderzocht Helleke van den Braber de spanning tussen artistieke onafhankelijkheid en economische afhankelijkheid door te kijken naar de context en informele netwerken waarin deze auteurs functioneerden. We zouden deze contextuele analyse kunnen uitbreiden met een tekstanalyse, door te kijken naar de literaire teksten van de auteurs en de manier waarop zij daarin hun zelfbeeld vormgeven.
Beroemd met betrekking tot die beeldvorming is het volgende sonnet van Willem Kloos:

Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten,
En zit in ‘t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en ‘t al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

En als een heir van donkerwilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor ‘t heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten.

En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb’re leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar ‘k niet langer woorden vond.

Bron: http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/kloos/god.html

Ook Albert Verwey heeft veelvuldig over het eigen dichterschap geschreven, bijvoorbeeld in zijn lange gedicht ‘Cor Cordium’ (hier online te lezen via DBNL). Ook de volgende passage uit Verweys cyclus ‘Van het Leven’ bevat een expliciete reflectie op het auteurschap:

Sonnetten schrijf ‘k, maar schrijf niet voor ‘t gepeupel,
Dat toornen doet, maar zelf niet mooi kan toornen.
Nooit spijz’ mijn vers die trage en grove pensen,

‘t is kramerstaak te kraaien voor de menschen:
De Dichter kent alleen zijn uitverkoor’nen;
De Kunst gaat recht, de Markt loopt lam en kreupel.

Opdracht 1

Lees het sonnet van Kloos en de passage uit Verweys ‘Van het Leven’ nog eens en ga de auteursrepresentatie van deze auteurs na. Zoek eventueel in andere gedichten van Kloos en Verwey (beschikbaar via de DBNL en het project Laurens Jz Coster) naar passages over het eigen auteurschap. Ook kun je eventueel gebruikmaken van de aanvullende secundaire literatuur die je onderaan deze stap vindt.

  1. Hoe profileert de auteur zich? Welke termen gebruiken beide dichters om naar het eigen auteurschap te verwijzen?
  2. Wat is de houding ten aanzien van het publiek? Zijn er discrepanties te signaleren in deze houding? Betrek in je antwoord eventueel ook het artikel van Van den Braber uit stap 1.
  3. Hoe verhoudt dit auteursbeeld zich tot de spanning tussen artistieke onafhankelijkheid en economische afhankelijkheid? Lees voor een antwoord op deze vraag ook het artikel van Nop Maas over de receptie van de eerste jaargang van De Nieuwe Gids. Hoe werd er door tijdgenoten gereageerd op de profilering van de Tachtigers?

In deze stap heb je onderzoek gedaan naar de manier waarop de Tachtigers zich profileerden als auteur in en buiten hun werk, en hoe hun economische situatie was. Kortom: hoe ze hun auteurschap vormgaven. In de volgende stap breid je je onderzoek uit naar andere periodes uit de literatuurgeschiedenis. Daar staan casussen die je op een vergelijkbare manier benadert als in deze stap: inventariserend, analyserend en contextualiserend. Hieronder staat een handig overzicht van de algemene aanpak die je in deze stap hebt gebruikt:

A Inventariserend

Auteursrepresentatie: Hoe profileert de auteur zich? Welke termen gebruikt hij/zij om naar het eigen auteurschap te verwijzen? Wat is de context van de uitspraak, voor wie en waar spreekt hij/zij?

B Analyserend
Auteursrol: Aan welke auteursrol refereert hij/zij in en buiten het literaire werk? Zijn er spanningen of discrepanties te bespeuren in de wijze waarop de auteur zijn verschillende rollen vormgeeft en invult?

C Contextualiserend
Literaire bedrijf: Spreekt de auteur zich expliciet uit over de wijze waarop hij/zij inkomsten genereert? Hoe wordt daar door tijdgenoten tegenaan gekeken? Hoe past de positionering van de auteur in de bredere sociaal-economische ontwikkelingen van het literaire bedrijf op dat moment?

Past de manier waarop de auteur inkomsten genereert en de manier waarop hij daarover spreekt bij zijn of haar profilering en auteursrol?


Aanvullende literatuur (facultatief)

Stap 4: De lakmoesproef

In deze stap worden verschillende auteurs uitgelicht en ga je zelfstandig aan de slag met het aangeboden materiaal. Doel is dat je zelfstandig onderzoek uitvoert naar de wijze waarop auteurs door de tijd heen hun auteurschap hebben vormgegeven. Daarbij ligt de focus steeds op het centrale thema: financiële (on)afhankelijkheid. Denk hierbij aan de volgende spanningsvelden: werken in opdracht of een zelfstandig schrijverschap, een gemeenschappelijke of individuele manifestatie van het auteurschap, een geëngageerd of autonomistische poëticale profilering.

Je kiest ten minste twee casussen om uit te pluizen. Je mag ook de opgedane kennis over de Tachtigers uit stap 3 gebruiken in je onderzoek. Voor de analyse kan de in stap 3 gepresenteerde aanpak (inventarisatie – analyse – contextualisering) als een goede leidraad dienen (hieronder nogmaals gegeven).

A Inventariserend

Auteursrepresentatie: Hoe profileert de auteur zich? Welke termen gebruikt hij/zij om naar het eigen auteurschap te verwijzen? Wat is de context van de uitspraak, voor wie en waar spreekt hij/zij?

B Analyserend
Auteursrol: Aan welke auteursrol refereert hij/zij in en buiten het literaire werk? Zijn er spanningen of discrepanties te bespeuren in de wijze waarop de auteur zijn verschillende rollen vormgeeft en invult?

C Contextualiserend
Literaire bedrijf: Spreekt de auteur zich expliciet uit over de wijze waarop hij/zij inkomsten genereert? Hoe wordt daar door tijdgenoten tegenaan gekeken? Hoe past de positionering van de auteur in de bredere sociaal-economische ontwikkelingen van het literaire bedrijf op dat moment?

Past de manier waarop de auteur inkomsten genereert en de manier waarop hij daarover spreekt bij zijn of haar profilering en auteursrol?


De verschillende casussen vind je in onderstaande uitrolmenu’s.

De middeleeuwse schrijver Hendrik van Veldeke is de vroegste auteur van wie een ‘oeuvre’ bekend is. Van Veldeke was een literaire sensatie, een wereldse klerk wiens werk een enorm grote weerklank vond. Van zijn Eneas (omstreeks 1175) zijn fragmenten teruggevonden van maar liefst veertien verschillende handschriften, een tot dan toe ongekend aantal voor een tekst geschreven in de volkstaal. Wat voor auteursbeeld kunnen we reconstrueren van de eerste auteur in de Germaanse volkstaal van wie we de naam kennen? Wat voor auteursmodel belichaamt Van Veldeke?

Primaire literatuur

  • Hendrik van Veldekes Minnedichten werden onlangs hertaald door Elvis Peeters in Ik bid de liefde (2016). Lees hier een van Peeters’ hertalingen en de middeleeuwse tekst daaronder.
  • Er is een afbeelding van Van Veldeke bekend, opgenomen in het Manessische Handschrift of Codex Manesse. Bekijk het portret hier.
  • Bekijk het lemma over de Servaaslegende via het canonproject van de KANTL en Vlaams Fonds voor de Letteren.

Secundaire literatuur

  • Frits van Oostrom, ‘Mecenaat en Middelnederlandse letterkunde’. In: J.D. Janssens (red.), Hoofsheid en devotie in de middeleeuwse maatschappij. De Nederlanden van de 12e tot de 15e eeuw (1982), p. 21-40.
  • Frits van Oostrom, ‘Heinric van Veldeke, dichter van naam en faam’. In: ibidem. Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Vanaf het begin tot 1300. (2006), p. 141-172.
  • Remco Sliederink, ‘Het hof (ca. 1150-1450)’. In: J. Jansen en N. Laan (red.). Van hof tot overheid. Geschiedenis van literaire instituties in Nederland en Vlaanderen. (2015), p. 21-40.

Extra: Bekijk een van de overgeleverde rijk geïllustreerde manuscripten van de Eneas via de universiteitsbibliotheek van Heidelberg. Je vindt de facsimile bestanden onder aan de pagina.

Voor schrijvers uit de zeventiende eeuw was het schrijven een erezaak en niet iets wat men deed om daarmee geld te verdienen. Doorgaans hadden schrijvers een beroep waarmee zij inkomsten genereerden. Zo was Joost van den Vondel zijdehandelaar, bekleedde P.C. Hooft een politieke functie en was Jacobus Revius predikant.

Zeventiende-eeuwse auteurs vervaardigden hun werken dus in wat we nu hun ‘vrije tijd’ zouden noemen. Tegelijkertijd was schrijven in opdracht in de zeventiende eeuw geen ongebruikelijke praktijk, en talloze auteurs droegen hun werk op aan (potentiële) mecenassen. Dit lijkt moeilijk te verenigen met schrijven als ‘erezaak’. Hoe gingen auteurs om met deze spanning? Een bron aan de hand waarvan je deze vraag kunt onderzoeken, zijn de teksten waarmee auteurs hun werk opdroegen. Hoe presenteren ze zichzelf en hun mecenas daarin? Wordt van een beloning voor de opdracht gerept?

Primaire literatuur:

  • Jacob Duym, opdracht Gedenck-boeck (1606) aan Maurits van Oranje Nassau, via Google books
  • Jan Harmensz. Krul, opdracht Pampiere werelt (1644) aan de burgemeesters van Amsterdam, via DBNL
  • Maria Margaretha van Akerlaecken, opdrachten aan Johan Maurits van Nassau en het keurvorstelijk paar in Den Cleefschen Pegasus (1654), via Ursicula (pagina’s 3-4 en 6). Bovenaan de pagina's waar de twee stukken beginnen staat: 'Den Doorluchtigen Hoogh-gebooren Prince IOHAN MAVRITS' en 'Aen Haere Keur-Vorstelijcke Doorluchticheden van Brandenburgh Toe-ge-eygent.'
  • Jacob Lescaille, opdracht Hollantsche Parnas (1660) aan Joan Huydecoper, via Google books (*2-4).

Secundaire literatuur:

  • Marijke Spies, ‘Betaald werk? Poëzie als ambacht in de zeventiende eeuw’. In: Tijdschrift Holland 4-5 (1991-4/5), Themanummer Kunst in opdracht in de Gouden Eeuw.
  • Nina Geerdink, ‘Inleiding’. In: ibidem. Dichters en verdiensten. De sociale verankering van het dichterschap van Jan Vos (1610-1667) (2013).
  • Lemma mecenaat op Literatuurgeschiedenis.nl
  • P.J. Verkruijsse ‘Het boekenmecenaat in de zeventiende eeuw’. In: De Zeventiende Eeuw 6 (1990) online op DBNL.

In het voorwoord bij Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart profileren de auteurs Betje Wolff en Aagje Deken zich zelfbewust als schrijfsters voor een specifieke doelgroep. Hoe doen zij dat? Voor welke doelgroep schreven zij en waarom? Vrouwelijke schrijvers in de achttiende eeuw hadden anders dan hun mannelijke collega’s vaak geen betalend beroep. Hoe gaan Wolff & Deken hier mee om? Hoe reflecteren zij op dit verschil en welk beeld van auteurschap komt hierin naar voren?

Primaire literatuur:

  • Betje Wolff & Aagje Deken. ‘Nederlandsche juffers!’ Voorwoord bij Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782), via DBNL.

Secundaire literatuur:

  • Arie Jan Gelderblom, ‘Wolff en Deken als liedjesfabriek’. In: ibidem. Mannen en maagden in Hollands tuin. Interpretatieve studies van Nederlandse letterkunde 1575-1781 (1991). In dit hoofdstuk staat Gelderblom onder meer stil bij de wijze waarop de auteurs over zichzelf schreven. Online op DBNL.
  • Riet Schenkeveld-van der Dussen. Met en zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1500-1859 (1997). In deze studie wordt stilgestaan bij het vrouwelijke schrijverschap.

In 1962 wordt de dichter J.C. Bloem geïnterviewd voor de televisie door de criticus Hans Gomperts. Het programma waarin dit gebeurde, Literaire ontmoetingen, was het eerste literaire praatprogramma op televisie waarin schrijvers centraal stonden. Naast Bloem maakten onder anderen Hugo Claus, Harry Mulisch, Gerrit Achterberg en Gerard Reve hun opwachting op het scherm. Deze vroege televisie-interviews zijn een dankbare bron voor de onderzoeker die geïnteresseerd is in de manier waarop schrijvers zich in deze periode buiten hun werk om presenteren. Het genre van het interview biedt een interessante invalshoek voor onderzoek naar auteursrepresentatie: welke termen gebruikt de auteur om zichzelf te omschrijven, welke de interviewer (dezelfde of andere, wat kunnen we daaruit afleiden)? In dit korte fragment uit het interview met Bloem toont de dichter zich een voorstander van financiële steun aan schrijvers door de overheid.

Hoe verhoudt Bloem zich tot het onderwerp geld en inkomsten in dit fragment? Welke voorwaarde noemt Bloem met betrekking tot het instellen van subsidie van overheidswege? Welke opvatting van literatuur legitimeert met andere woorden in zijn ogen de subsidie voor auteurs? Hoe dachten andere auteurs in die tijd over dit onderwerp?

Primaire literatuur:

  • Hans Gomperts en Hans Keller. Literaire ontmoetingen. DVD-box. Uitgeverij Bas Lubberhuizen (2009).
  • J.C. Bloem. Het onzegbare geheim, verzamelde essays en kritieken (1911-1963) (1995).

Secundaire literatuur:

  • Klaus Beekman. ‘De overheid (negentiende eeuw-heden)’. In: J. Jansen en N. Laan (red.). Van hof tot overheid. Geschiedenis van literaire instituties in Nederland en Vlaanderen. (2015), p. 285-305.
  • Jeroen Dera. Sprekend kritiek. Literatuurprogramma’s in de vroege jaren van radio en televisie. Proefschrift (2017). Online via de Radboud Repository.
  • Nop Maas. ‘De dichter en de maatschappij’. In: De parelduiker 1 (1996).

Het fenomeen van de stadsdichter beidt een interessante invalshoek op de spanning tussen financiële afhankelijkheid en artistieke vrijheid. Hoe gaan stadsdichters om met schrijven in opdracht en de wens om toch een onafhankelijk kunstwerk te willen scheppen? Hoe zien zij hun rol als stadsdichter? Van de stadsdichters van Antwerpen, de eerste Vlaamse stad die een stadsdichter aanstelde, zijn alle gedichten en overige uitlatingen verzameld op deze website. Kijk bijvoorbeeld eens naar:

  • Ramsey Nasr was in 2004 stadsdichter van Antwerpen. Hier kun je de tien gedichten die Nasr tijdens zijn stadsdichterschap schreef lezen en enkele filmpjes bekijken waarin Nasr zich uitspreekt over zijn stadsdichterschap.
  • Van Leeuwen was van 2008 tot 2010 stadsdichter van Antwerpen. Zij maakte een aparte website waar haar werk als stadsdichter is terug te vinden.
  • Via de website van het tijdschrift Ons erfdeel vind je twee teksten van Van Leeuwen over haar verhouding tot België: ‘Wennen aan Brussel’.

Secundaire literatuur

  • Odile Heynders, ‘De dichter als publieke intellectueel: Ramsey Nasr’. In: Nederlandse Letterkunde 3 (2015). p. 291-316.
  • Via de website van Ons erfdeel zijn verschillende artikelen te lezen over Joke van Leeuwen en haar werk.

 

Stap 5: Het vrije experiment

Uitbreiding en verdieping
De hier gepresenteerde invalshoek van financiële (on)afhankelijkheid is slechts één van vele mogelijke onderzoeksperspectieven op het onderwerp auteurschap. Je kunt ervoor kiezen dit onderwerp voor je nota nader uit te diepen aan de hand van de casus die je hebt uitgewerkt in Stap 4. Bijvoorbeeld door de casus te vergelijken met het standaardbeeld van auteurschap zoals dat in Stap 1 is geïntroduceerd, welke verschillen of overeenkomsten zijn waar te nemen en wat zegt dat over het veranderende auteursbeeld door de tijd heen? Of je kunt je casus plaatsen binnen het literatuurwetenschappelijke debat zoals dat in Stap 2 aan bod kwam. Hoe problematiseert de door jouw geanalyseerde casus het begrip ‘auteur’? Hoe helpt de theorie de literaire praktijk te interpreteren, of hoe helpt de analyse van de casus de theorie uit te breiden?

Naast de specifieke invalshoek die in dit veld aan de orde kwam, zijn er echter nog andere invalshoeken denkbaar van waaruit je auteurschap kunt onderzoeken voor je nota. Hieronder worden twee aanvullende richtingen nader toegelicht. Bekijk onderstaande verdiepingen en de genoemde bronnen en bepaal vervolgens welk van de richtingen je centraal wilt stellen in je nota. Formuleer in lijn met de gekozen richting een onderzoeksvraag voor je nota. Bekijk eventueel nog eens de artikelen en studies die in dit veldwerk aan de orde kwamen (of die hier onder genoemd worden), allicht dat de daarin gestelde onderzoeksvragen je inspiratie geven om zelf tot een gerichte onderzoeksvraag te komen. Leg je onderzoeksvraag, alvorens je aan je nota begint, voor aan je docent.

Veel succes en plezier bij het uitwerken van je eigen onderzoek naar auteurschap!

Het beeld van auteurschap dat in dit veld aan de orde kwam, stoelde vooral op het model van de individuele auteur. Vanuit de zogenaamde New Philology is echter ook veel aandacht voor gecombineerde vormen van auteurschap. De vraag ‘Wat is een auteur?’ ligt ten grondslag aan het onderzoek waarbij verschillende vormen van auteurschap worden onderzocht en waarin wordt getracht na te gaan wie voor welk onderdeel van de tekst verantwoordelijk is. Dit geldt niet alleen voor oudere teksten, zoals de middeleeuwse handschriften die per definitie meerdere vervaardigers kennen of waarvan vaak niet eens duidelijk is wie de auteur(s) is (of zijn), maar ook voor recentere literaire teksten. Zo zijn de stadspoëzieprojecten van Joke van Leeuwen bijvoorbeeld  steeds in nauwe samenwerking met vormgever Bob Takes vervaardigt. In hoeverre kun je dus zeggen dat Joke van Leeuwen de auteur is, moeten we misschien een andere definitie van auteur handhaven in dit geval?

Enkele literatuurtips die nader ingaan op verschillende modellen van auteurschap:

  • Harold Love, Attributing authorship (2002): hierin onderscheidt Love een viertal auteursfuncties, de ‘precursory author’ (voorafgaande auteur), ‘executive author’ (uitvoerende auteur), ‘declarative author’ (validerende auteur) en de ‘revisionary author’ (reviserende of redactionele auteur). Aardig is de vergelijking die Love maakt tussen de productie van teksten en het maken van een film, ook daarvoor is een heel team nodig. Dit roept de vraag op: hoe werkt gecombineerde auteurschap in de moderne tijd?
  • Het onderzoek van Gaston Franssen en Rick Honings richt zich op de auteur als celebrity, zie bijvoorbeeld de door hen geredigeerde bundel Idolizing authorship. Literary Celebrity and the Construction of Identity, 1800-present (2017). Welke verschijningsvormen van de auteur als celebrity zijn er zichtbaar door de tijd heen? Kunnen we voor vroegmoderne tijden en eerder eigenlijk wel spreken over een celebrity-auteur?
  • In zijn studie over Harry Mulisch, De Mulisch Mythe (2015), gaat Sander Bax de (media)strategieën na die Mulisch aanwendt om zijn schrijversbeeld vorm te geven. In hoeverre is de auteur in staat zijn eigen beeld vorm te geven en welke technieken gebruikt hij/zij daarvoor? Wat is de beeldbepalende rol van de media in dezen?
  • In 2015 verscheen een themanummer van Nederlandse Letterkunde over auteurschap getiteld ‘Het dichterschap in scene gezet’. In hun bijdrage ‘Een veelstemmig verhaal’ vergelijken Gerard Bouwmeester, Nina Geerdink en Laurens Ham vormen van auteurschap door de tijd heen. Dit artikel kan ter inspiratie dienen wanneer je zelf verschillende vormen van auteurschap door de tijd heen wilt vergelijken.

Dit veld ging niet alleen uit van een beeld van auteurschap gebaseerd op de individuele auteur, maar ook van een specifiek beeld van de autonome auteur. Recentelijk echter hebben verschillende cultuurwetenschappers een kanteling gesignaleerd in de waardering van de relatie tussen kunst en maatschappij. Deze verschuiving heeft geleid tot kritiek op het beeld van de autonome, onafhankelijke auteur zoals dat in het romantische gedachtegoed vorm kreeg (een kritiek die je bijvoorbeeld ook zag in het gedicht van Lucas Hirsch in Stap 1). Tegenwoordig gaat veel aandacht juist uit naar  uitgesproken geëngageerde aspecten van literatuur. Hoe kan de auteur, soms ondanks of juist dankzij zijn positie buiten de maatschappij, commentaar leveren op de wereld die hem omringt en waarvan hij/zij deel uitmaakt. Hoe levert literatuur een bijdrage aan publieke (politieke) discussies?

In de Nederlandse literatuurwetenschap worden deze vragen bijvoorbeeld behandeld in de volgende publicaties:

  • Laurens Ham, Door prometheus geboeid. De autonomie en autoriteit van de moderne Nederlandse auteur (2015).
  • Aukje van Roden, Literatuur, autonomie en engagement. Pleidooi voor een nieuw paradigma (2015).
  • Thomas Vaessens, De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement (2009).

Deze aandacht voor de meer geëngageerde aspecten van literatuur, oftewel de sociale verankering van literatuur in de samenleving, uit zich daarnaast eveneens in de aandacht voor populaire vormen van literatuur:

  • Zo onderzocht het project Dutch Middle Brow Literature 1930-1940 verschillende vormen van publieksliteratuur, literatuur die meestal buiten de canonlijsten valt, maar die in de eigen tijd veel werd gelezen en verkocht. Treedt in dit soort publieksliteratuur een ander beeld van de auteur naar voren dan in de zogenaamde high brow-literatuur? Zetten auteurs van gebruiksliteratuur zich expliciet af tegen hun gecanoniseerde collega’s, of juist niet? Bij dit soort vragen naar de gebruiksfunctie van literatuur sluit ook het onderzoek van Erica van Boven naar bestsellers aan, gepubliceerd in Bestsellers in Nederland 1900-2015 (2015).
  • In haar promotieonderzoek naar poëzie buiten het boek staat Kila van der Starre weer op een andere manier stil bij verschillende gebruiksvormen van poëzie. Van der Starre richt zich veeleer op de materiële kant van literatuur. Wat zijn eigenlijk de mediale grenzen van literatuur, in dit geval poëzie? Hoe spelen auteurs met de mogelijkheden die het medium (buiten het geijkte papieren boek) met zich brengt? Bekijk bijvoorbeeld eens het project ‘straatpoëzie’ waar gedichten in de publieke ruimte in kaart worden gebracht. Soms is het helemaal niet duidelijk wie de auteur is. In hoeverre is het publiek of de ruimte hier de auteur geworden?